De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Grond en grens van het geweten (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grond en grens van het geweten (5)

6 minuten leestijd

Zelfbewustzijn

Evenmin als het aangaat het geweten tot norm te verheffen, valt het op te vatten als zelfbewustzijn of zelfbeschikkingsrecht. Ook niet als plichtsbewustzijn. Veeleer is het voor Calvijn 'Gódsbewustzijn': een weten en erkennen van de majesteit van Zijn Woord. Van dat Woord dat ons in staat van beschuldiging stelt, maar ook rechtvaardig verklaart. En vooral dat eerste facet komt bij Calvijn heel uitgesproken naar voren. Het geweten neemt, zoals we al eerder merkten, het aanklagend oordeel dat God velt óver. In deze functie is het geweten dus veel meer schuldbewustzijn te noemen dan bewustzijn van eigen waardigheid. Het is het Amen van het hart op de aanklacht Gods. Het heeft daar niets meer tegen in te brengen. Integendeel, het beaamt Gods ontmaskerend vonnis in eerlijke ootmoed en heilige huiver. En het Woord van God is ontmaskerend! Het ont-dekt ons, door het deksel van heel ons afgrondelijke bestaan op te tillen. Het doorlicht ons tot op het gebeente. 'Want het Woord deelt in het wezen van zijn Auteur! God nu is de hartekenner. Geen schepsel kan zich aan Zijn blik onttrekken. Daarom vermag het Woord ook de meest verborgen hoeken te ontdekken. De gedachte aan Zijn allesdoordringende wezen moet ons telkens als Zijn Woord tot ons komt, met een heilige huiver doordringen.'

Het Woord betrapt ons. Het weet ons te vinden en blijkt ons te kennen. En wij gaan mee-kennen, mee-weten, aanvaarden, 'met zulk een treurigheid, dat wij verlegen zijn voor God, tot aan het haten en verfoeien van onszelf'. 'Wanneer wij zo onze eigen rechters zijn, dan zullen wij door God vrijgesproken worden.'

Waar wij zo onszelf beoordelen in het ongeveinsde licht van Gods oordeel, kan de uitslag niet anders dan een zelf-vonnis zijn. Geen weerwoord! Alle mond gestopt! 'Voor God tot zwijgen komen, betekent: voor Zijn majesteit sidderen en, als door Zijn bliksem getroffen, in stilzwijgen verstarren. ' 'Onder de druk van het eigen geweten woordeloos zijn oordeel verwachten', noemt Calvijn dat!

Wat heeft hij een grenzeloze eerbied gehad voor het recht en de majesteit Gods! Zozeer, dat hij het geweten nu eens de functie van een getuige a charge toekent, dan weer die van een deurwaarder die de zondaar voor de Rechter daagt en aan Hem uitlevert: 'Ik gevoel dat Gij mijn Rechter zijt en dat mijn geweten mij voor Uw rechterstoel daagt'. Hier valt de mens in zijn geweten zichzélf af, en Gód bij, zich aan het oordeel Gods onderwerpend. Niet in koele gelatenheid, maar in het hoopvol besef, dat 'God milder is, voor ons naarmate wij strenger zijn voor onszelf! Want wie zich aan deze Rechter uitlevert, mag zich verzekerd houden van de belofte van het Evangelie en weten dat God niet doet naar onze zonden, dat Hij geen wraakzuchtige tyran is, maar een Vader die in de toorn aan Zijn ontferming dacht en Zijn eigen Kind niet heeft gespaard...

En daar, in de overgave Gods van Zijn Zoon en in Jezus' overgave van Zichzelf, ligt voor het geweten de keerzijde van het schuldbewustzijn. Het wordt: Christusbewustzijn. Het geweten weet immers met God mee: 'geen verdoemenis voor wie in Christus is'! Het weet met God mee: 'maar nee, daar is vergeving'! 'Zonder deze vergeving van onze zonden kan ons geweten niet tot rust komen.' Daar wordt alle gewetensangst gestild: in de barmhartigheid van God in Christus.

Dan mogen alle machten ter wereld een gelovige aanvechten — zegt Calvijn —, maar met dit gezuiverde geweten tart hij iedere aanval. 'Geen groter geluk en geen kostbaarder kleinood, dan de Heere met een vrij geweten te dienen.' En Iaat er geen misverstand over bestaan: deze vrijheid en vrede liggen verankerd in het Woord der verzoening! 'Vrede heet die klare rust van het geweten, die ontspruit uit de zekerheid, dat God met ons verzoend is.'

Het is het tegendeel van alle zelfverzekerdheid. Een vrij geweten is niet zeker van zichzelf, maar verzekerd dóór de Ontfermer en zeker van Hem.

Conclusie: mondig of horig?

De mondige mens verlaat zich op zijn geweten. De horige is de mens wiens geweten aan het Woord van God is gehecht en van dat Woord is doorademd. Het kan geen vraag meer zijn, tot welke categorie de hervormer van Geneve behoort. Hij had hier niet te kiezen. Er was voor hem gekozen. Toen hij tot gehoorzaamheid bedwongen werd. Calvijn is horig aan het Woord. Tot in zijn geweten! En juist daarom, omdat dit voor hem een gewetenszaak was, vermaant hij ons: 'Het spreekwoord heeft gelijk: op de hel bouwt hij, die op zijn wankele geweten bouwt! Zoals onze werken voor God eerst dan recht goed worden wanneer ze aan de vreze Gods en een goed geweten ontspringen, zo is anderzijds te bedenken dat menig werk weliswaar goed schijnt te zijn maar toch bevlekt is, omdat ons innerlijk niet in orde is'. En wat hij met dit in-orde-gebrachte-innerlijk bedoelt, laat hij niet in het midden: 'Het is dwaas te menen dat wij een goed geweten zouden kunnen hebben alvorens wij geloven'. Niet het geweten geeft de doorslag, maar het gelóóf! 'Het geloof is de moeder van een goed geweten.' ledere gedachte aan enige eigenwettelijkheid van het geweten is de reformator vreemd. En als hij verzekert 'niet tegen het getuigenis van zijn geweten te kunnen handelen', vergete men niet dat hij de man is die het erop houdt: 'Wie leeft uit het geloof, die heeft geen leven in zichzelf. Maar omdat hij leven van node heeft, vlucht hij tot God alleen, om het te verkrijgen'. Hoe herhaaldelijk klinkt in Calvijns geschriften niet de oproep: tot het Woord zal men komen! Wel, tot dit Woord moet ook het geweten komen. En het moet daar blijven. Walter Kreek gaf eens een omschrijving van het geweten die ook treffend Calvijns gevoelen weergeeft: 'Het geweten is de kompasnaald die heen en weer slaat en door 1000 magneten kan worden gewend, maar eerst de pool van het Woord Gods geeft het de juiste richting'. Calvijns waardering van het geweten relativeert het sola scriptura niet, maar onderstreept het juist. Het geweten heeft zijn grond en zijn grens in het Woord van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Grond en grens van het geweten (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's