Erasmus
Luther noemde Erasmus een aal: 'Niemand kan hem grijpen dan Christus alleen'. Hoewel C. Augustijn in zijn jongste boek over Erasmus erkent dat deze iets ongrijpbaars heeft en iedere biografie daarmee rekening dient te houden, is de auteur er niettemin in geslaagd een bekwame, boeiende, zeer lezenswaardige studie over de befaamde bijbelse humanist van Rotterdam te schrijven, waarin hij, naar eigen zeggen, meer het accent legt op het eigene van Erasmus en op diens wezenlijke bijdrage aan de cultuur van zijn tijd dan op biografische notities. Deze bijdrage bestaat dan volgens de schrijver in de integratie van de humanistische methode in de theologie, en in de omwenteling die dit in de theologie teweeggebracht heeft. Augustijn, die zich al zo'n kwart eeuw bezig houdt met Erasmus en zijn tijd, geeft in zijn recente Erasmus-studie een indrukwekkende blijk van gedegen kennis van zaken. Ik wist (tot voor kort) niet hoe veelomvattend de literatuur van het Erasmus-onderzoek in de loop der tijden is geworden. Augustijn heeft het gelezen èn verwerkt! En de neerslag daarvan in bedoeld geschrift dwingt respect af.
Na een globale, beknopte, maar heldere situatietekening van het politieke, kerkelijke en culturele klimaat rond 1500 (moderne devotie, scholastiek en humanisme), zet hij in met de beschrijving van Erasmus' jeugd en studietijd; noodzakelijkerwijs in grote lijnen, want heel wat details van diens vroege jaren liggen in nevels gehuld. Eén ding is in ieder geval duidelijk: al vroeg blijkt het centrale thema van Erasmus de vraag hoe men met een eerlijk geweten cultuurmens èn christen kan zijn. 'Het is mijn vaste voornemen — schrijft hij — mij dood te werken aan de gewijde letteren. Daaraan besteed ik dag en nacht'. Een zelfportret van de eerste orde! Het ideaal van de latere Vermittlungstheologen is dunkt me het zijne: de kloof te dempen tussen christendom en cultuur. Augustijn volgt de ontwikkeling en zwerftocht van deze aan de sacrae litterae en de bonae litterae (dus in de eerste instantie de Heilige Schrift en de kerkvaders, maar ook de klassieken!) gewijde geleerde op de voet. Hij doet dat voor een niet onbelangrijk deel aan de hand van Erasmus' brieven, en groepeert zijn hoofdstukken rond diens bekendste publicaties.
Belangwekkend is Erasmus' visie op de verhouding van de klassieke letteren en het christelijk geloof: in de klassieke oudheid bespeurt hij allerlei plekken licht die de Zon der gerechtigheid al vooruitwerpt. Augustijn doet dit in evenwichtige en heldere betoogtrant uit de doeken. Ik moet evenwel eerlijk zeggen, dat ik van meet aan 't meest benieuwd was naar het onderdeel waarin het conflict Erasmus-Luther aan de orde komt. En al lang voor de hoofdstukken die daaraan expliciet gewijd zijn, wordt duidelijk, dat het wel botsen móést tussen die twee. Erasmus' mensbeeld (èn zijn Godsbeeld) is nu eenmaal volstrekt anders dan dat van Luther. Voor Erasmus concentreert zich de vleselijkheid van de mens toch bij uitstek op de lichamelijkheid, terwijl 's mensen redelijkheid ('Koning rede'!) en zedelijkheid iets hogers, iets goddelijks vertegenwoordigen!
Mijn indruk is dat Augustijn Erasmus hier te veel in bescherming neemt. Het mag dan waar zijn, dat Erasmus telkens weer gewaagt van de normativiteit van de Schrift, maar de vraag is wat voor hem de scopus van de Schrift uitmaakt. Is Christus voor hem niet al te primair, (bijna zouden we zeggen: exclusief) voorbeeld i.p.v. Middelaar? Erasmus, die Augustinus 'verslond', heeft kennelijk niet diens anti-pelagiaanse geschriften (en vooral: antipelagiaanse geest!) ingedronken. Stellig hoeft niemand aan Erasmus' oprechtheid te twijfelen wanneer hij zo vol hartstocht oproept tot de navolging van Christus in Zijn armoede en nederigheid, maar het aangrijpend fiasco van de (vrome) mens, en het oordeel Gods dat zó hevig en heilig is dat het slechts door de Gekruiste was te dragen, komt nauwelijks ter sprake.
Heeft Luther niet vele vademen dieper gepeild, wanneer hij de humilitas (nederigheid) niet maar in het kader plaatst van de navolging, maar als vrucht van het geloof in de Gekruiste kwalificeert? Bij alle betekenis die Erasmus m.n. inzake de tekst van het Nieuwe Testament en de herinterpretatie van de kerkvaders moet worden toegekend, blijft hij naar mijn besef toch een man die qua betekenis voor de kerk niet in de schaduw van de reformatoren kan staan. Zeker, zijn kritiek op de verworden kerk is niet mals. Maar zijn vinnige wrevel (be-) trof het leven, ten diepste niet de leer; de moraal, niet de theologie! Luther keerde dit resoluut om. Erasmus moest voortdurend kiezen in de strijd der geesten, en hij kón het maar niet... Luther had niet te kiezen. Er was voor hem gekozen. De onwrikbare stelligheid die hiervan het gevolg was maakte hem in Erasmus' ogen nodeloos en nutteloos onvoorzichtig: 'Ik houd mij zoveel ik kan neutraal'!
Maar elders bekent hij: 'Ik zou niet de moed hebben, mijn leven in de waagschaal te stellen voor de waarheid. Niet allen hebben genoeg kracht tot het martelaarschap'...
In de controverse over de vrije of de slafelijke wil breekt de aanvankelijke sympathie en (vermeende) verwantschap stuk. Erasmus is vuurbang, dat Luther 's mensen verantwoordelijkheid miskent. Luther ziet door Erasmus Gods Godheid aangetast. Naar mijn besef ligt aan het conflict niet in de laatste plaats een volstrekt verschillende benadering van de levensvernieuwende genade ten grondslag. Erasmus vond dat de wedergeboren mens wat kan, Luther noemt hem: iustus et peccator, gerechtvaardigde èn zondaar! Augustijn's boek zou m.i. aan waarde hebben gewonnen, wanneer het deze kwestie had uitgediept. Nu blijft Augustijn juist op het kritieke punt te 'Erasmiaans' neutraal. Wil hij niet bijeen houden, wat niet alleen uit elkaar, maar tegenover elkaar ligt?
Prof. Jonker's oordeel (in Reflexen van Theologia Reformata, dec. 1986) bevat veel waars: 'Erasmus denkt (niet met het hart maar) met het koele verstand. Bij Erasmus gaat het over de mens, óók in zijn verhouding tot God en Zijn Zoon'. Dit wil niet zeggen dat er geen warme spirituele momenten zouden zijn: 'Geen Naam is zoeter dan die van Jezus, zó liefelijk en vriendelijk, dat geen leed zo smartelijk kan zijn of je vindt troost en verlichting als je van harte zegt: Jezus'. En dan die laatste woorden op zijn sterfbed: 'Lieve God' (in het Nederlands!). Maar terwijl voor Luther de liefde Gods het grondeloos geheim vormt van een liefde die niet aantreft maar schépt wat Hem beminnelijk is, heeft de liefde Gods bij Erasmus iets rechtlijnigs en vanzelfsprekends: er loopt een ongebroken lijn van God naar de mens, die op God is aangelegd. Hoeveel dank wij Augustijn verschuldigd zijn voor zijn meesterwerk, toch laat het deze dringende vraag achter: niet maar of Erasmus' theologie oppervlakkiger was dan die van Luther, maar of het Kruis van Christus er niet in verijdeld is. Wie op deze vraag een antwoord begeert leze (nog) eens het diepzinnige, gepassioneerde geschrift van dr. W. Aalders: Luther, de derde Elia!
N.a.v. C. Augustijn, Erasmus, Baam 1986, 200 blz. (groot formaat), prijs ƒ 39, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's