De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Hulpverlening aan jongeren

In Utrecht-Overvecht staat het jeugdhuis 'De Stuw'. Het tehuis gaat uit van de Chr. Geref. Kerken en het geeft plaats aan vier leefgroepen. In totaal gaat het om 38 kinderen uit probleemgezinnen. De kerkelijke achtergrond van de kinderen vertoont een breed scala, van oud-gereformeerd tot randkerkelijk. De begeleiding die in het huis gegeven wordt, geschiedt vanuit een duidelijk christelijke identiteit. De Stuw wil een diakonale taak vervullen en die taak ondermeer gestalte geven door het werk van de groepsleiders en -leidsters. Over het personeelsbeleid en de motivatie om in de Stuw te werken zegt de directrice mevr. E. W. Sonnenberg in een gesprek met het blad Daniël (30-1-1987) het volgende:

'Ik hoop altijd dat ik iets meer kan meegeven dan alleen de regels. Daarom is het personeelsbeleid ook zo belangrijk. Ik kan wel heel mooie ideeën hebben, maar de mensen in de groep moeten het daar doen. Zij moeten daar iets van hun eigen geloof overbrengen. Want de kinderen voelen aan, of het echt is of dat het maar voor de vorm is.

U hebt het over het personeelsbeleid. Welke mensen werken hier?

De leeftijd varieert van 23 tot 35 jaar. Het mooist zouden we het vinden om in elke groep twee mannen en twee vrouwen te hebben. Dit is in de praktijk heel moeilijk. Bij de jongere kinderen is het moeilijk om een man te krijgen, bij de oudere kinderen om een vrouw te krijgen. In ons achterland is groepsleider nog niet zo getolereerd, er wordt nog een beetje vreemd tegenaan gekeken. Is het wel een mannelijk beroep? Opleiding... ja eh... tegenwoordig hebben we heel veel mensen met een H. B. O. - opleiding. De Sociale Academie in Ede is voor ons een goed toeleveringsbedrijf. En verder ook mensen met een M.B.O.-opleiding. We hebben op dit moment kontakten met de Sara Nevius. Studenten daarvan lopen stage bij ons.

Zijn er wel eens echte moeilijkheden tussen groepsleiding en kinderen?

O ja, als je zo'n groep van 14-tot 18-jarigen hebt, dan is het voor ons heel moeilijk om stevige mensen te krijgen, die zeggen: "Nou is het afgelopen dit gebeurt, klaar". Je kunt natuurlijk van alles zeggen, bijvoorbeeld: "en nu naar bo­ven", maar je moet het wel waar kunnen maken. Het is een zwaar beroep hoor. Het wordt zwaar onderschat. Het vraagt heel veel, ook emotioneel. Altijd maar met de probleemkinderen... tegen de tijd dat ze in staat zijn met hun eigen problemen om te gaan en kontakten te leggen, gaan ze weg.

Wat beweegt mensen om hier te komen werken?

Zich betrokken voelen bij de kinderen. Zich willen inzetten voor een ander. En toch ook vaak vanuit de gedachte dat we het zelf zo goed hebben en we iets voor een ander kunnen betekenen. Verder zijn er ook die het heel duidelijk vanuit hun geloof doen.

U hebt nu verteld over de situatie hier in dit huis. Er zijn ook in het gezin jongeren met problemen. Hebt u voor de ouders van deze jongeren of voor de jongeren zelf iets te zeggen?

Ik denk dat er vroeger te snel uit huis werd geplaatst. Nu praat ik over heel wat jaren terug. Als het niet echt nodig is, is uithuisplaatsing een slechte zaak. Maar tegenwoordig wordt er wel eens te lang gewacht. Men probeert het eerst op allerlei andere manieren, totdat de jongere helemaal vastgelopen is. Er is dan haast niets meer mee te beginnen. Jongeren die bijvoorbeeld al een half jaar bij huis gelopen hebben en niet meer naar school zijn geweest. Het is moeilijk om die weer in het spoor te krijgen om naar school te gaan.

Toch kunnen de problemen niet alleen bij de jongeren gelegd worden. Soms kom je voor de jongere in het gezin, maar als je eens goed doorprikt, merk je dat er relatieproblemen tussen de ouders zijn. Al wil ik hiermee niet automatisch de schuld bij de ouders leggen. De jongeren hebben het ook in veel opzichten moeilijker dan vroeger.

Hoe bedoelt u dit?

Vroeger was er meer sprake van verwaarlozing, drankmisbruik, enzovoorts. Tegenwoordig is het probleem van het verwennen erbij gekomen. Alle problemen zijn voor de kinderen weggehaald. Ze hebben geen body gekregen. Ze zijn niet weerbaar doordat ze altijd hun zin hebben gekregen. Daardoor zijn ze ook vatbaarder voor verleidingen. Het kan geen kwaad bijvoorbeeld als een kind zijn eigen brommer moet verdienen.

Ik denk ook wel eens dat er te weinig gepraat wordt in gezinnen. Vooral in ónze gezinnen zie je dat nog weleens. De dominee zegt het en de ouderling zegt het en zo moet het. Je wordt er door de gemeente op aangekeken als je iets anders doet. Daar voel je jezelf als ouders tussen zitten. Je weet er als ouders geen antwoord op en je kunt het je kinderen niet uitleggen, want je hebt het zelf ook nooit geleerd. Toch hebben kinderen recht op een antwoord, al mag je in sommige situaties best zeggen dat je iets niet weet. Neem kinderen altijd serieus, ook als ze kritiek hebben. Als het gerechtvaardigde kritiek is, neem het dan niet bij voorbaat op voor de ouderling of dominee. Ik zou desnoods samen met het kind naar de betreffende ouderling of predikant toestappen. Het klinkt allemaal erg mooi, maar ik weet dat de praktijk moeilijk is.

Hebt u tot slot nog een opmerking?

Er is natuurlijk al heel wat aan de orde geweest, maar wat ik nog wel kwijt zou willen: houd bij problemen binnen het gezin altijd het gesprek gaande en zoek, als er werkelijk problemen zijn, deskundige hulp. En schaam je daar niet voor. Wanneer er hulpverlening in een bepaald gezin komt, probeer daar als gemeente mee om te gaan. We zijn geneigd dit negatief te beoordelen, maar probeer begrip en liefde op te brengen. Daar kun je als gemeente heel veel aan doen.'

***

Overheid en volksgezondheid

In het nummer van 9 januari van het blad Koers trof ik een gesprek aan met mevr. F. J. Laning-Boersma, arts en Tweede Kamerlid voor het CDA. Als arts is ze uiteraard zeer geïnteresseerd in de vragen rondom stress, psychische druk waaraan kamerleden bloot kunnen staan. Hoewel ze zichzelf niet ziet als de huisarts van de Kamer wordt er toch nogal eens een beroep gedaan op haar deskundigheid, in de vorm van voorlichting en bij acute problemen. Wat haar werk als kamerlid betreft is mevr. Laning een van de specialisten inzake de volksgezondheid.

'Wat is volgens mevrouw Laning de taak van de overheid op het terrein van de volksgezondheid? Moet de overheid niet veel meer preventief (voorkomend) bezig zijn? Mevrouw Laning: "De nadruk is de afgelopen jaren nadrukkelijk komen te liggen op het voorkómen van ziekte, meer dan op het behandelen ervan. Er is hier sprake van een accentverschuiving".

"De overheid kan op de welvaartsziekten en het alcohol- en druggebruik niet zo'n enorme invloed uitoefenen. Het heeft te maken met de mentaliteit van het volk. De overheid moet wel maatregelen nemen om de mensen een zinvolle vulling van hun leven te geven (zorgen dat er werk is bijvoorbeeld). Maar de gemeenschap waarin de mensen leven moet ervoor zorgen dat mensen niet verslaafd raken aan alcohol, drugs, cafeïne, vergaderen en waaraan dan ook."

Dat lijkt op de zorgzame samenleving van minister Brinkman, toegespitst op de gezondheidszorg. Is dat zo? Mevrouw Laning aarzelt even. "Natuurlijk is dat zo", zegt ze dan. "Je kunt niet alle verantwoordelijkheid naar de overheid schuiven. De mens is zelf verantwoordelijk voor zijn bestaan en dus ook voor zijn gezonde bestaan. De mens heeft niet alleen rechten als het om zijn gezondheid gaat (medische hulp bijvoorbeeld), maar ook duidelijk plichten om gezond te leven. Daar kan de overheid op wijzen en dat gebeurt ook. Je moet niet hulp claimen terwijl je adviezen over gezond gedrag in de wind slaat." 

De kosten van de volksgezondheid zijn de laatste jaren onrustbarend gestegen. "De vraag van de patiënt is eindeloos en de specialist kan op iedere vraag wel weer een nieuw antwoord bedenken. Daar worden wij in de Kamer mee geconfronteerd. Eigenlijk moet je een heleboel handelingen eens onder de loep nemen. Je moet je afvragen: wat bereik je met een behandeling? Heeft een patiënt er soms alleen maar nieuw leed door toegevoegd gekregen? Het kan best zo zijn dat efficiënter en doelmatiger werken, wat geld bespaart, ook nog beter is."

"Over bevolkingsonderzoeken denk ik genuanceerd. Ik vind niet dat de overheid onderzoek moet doen als dat alleen de angst en het vermoeden van ziekte versterkt. Dan krijg je een medicalisering van de samenleving waar ik niet voor ben. Er zijn ook vormen van bevolkingsonderzoek (bijvoorbeeld naar stofwisselingsstoornissen bij baby's) die een duidelijke uitslag geven en waar een goede behandeling mogelijk is. Als het onderzoek niet een groter risico is dan de ziekte dan is het de moeite waard om het te doen. Maar dan moet wel aan al deze voorwaarden voldaan zijn.'

Het vraagstuk van de overheidstaak en de verantwoordelijkheid van de burger betreft niet alleen de gezondheidszorg, maar evenzeer de sociaal-economische sector. In een tijd waarin de verzorgingsstaat in een krisis bevindt komt de vraag naar de rechte uitoefening van de verantwoordelijkheid weer meer in het vizier. In het samenspel van overheidszorg en individuele verantwoordelijkheid dienen we zowel de klip van een liberaal individualisme als de klip van het staatscollectivisme waarbij 'vadertje staat' alles bedilt en bedisselt te vermijden. In concreto is dat geen eenvoudige weg, temeer niet daar het verantwoordelijkheidsbesef onder een zware druk staat. Beleving van het verantwoordelijkheidsbesef vraagt een verandering van mentaliteit. Juist hier liggen taken voor onder meer het onderwijs in ons land, de vorming en scholing van jongeren op weg naar de maatschappij van morgen. 

De bijbelse prediking van de mens als schepsel Gods, geroepen tot de dienst van liefde en gerechtigheid reikt ons hier een perspectief aan, dat ook voor de vragen rondom de volksgezondheid van eminent belang is.

***

De actualiteit van de belijdenis van de rechtvaardiging van de goddeloze

Wat betekent gereformeerd-zijn in de moderne tijd? Dat is de vraag die ds. A. v. d. Dassen in Opbouw, het blad van de Nederlands Gereformeerden in enkele artikelen aan de orde stelt. Uiteraard komt dan de prediking van de rechtvaardiging (Romeinen, Galaten) ter sprake. Het artikel 'waarmee de kerk staat en valt'. Is die typisch gereformeerde nadruk op de rechtvaardiging van de goddeloze niet buiten proporties in de moderne tijd, in een samenleving die worstelt met de vraag naar Gods bestaan als zodanig? De auteur van de artikelen herinnert aan Karl Barth, die het gesprek met de moderne tijd niet geschuwd heeft en van mening was dat de vraag naar het bestaan van God niet los staat van de vragen rondom genade en vrijspraak. Van der Dussen noemt in het nummer van 30 januari enkele motieven die juist nu van belang zijn:

'Onze tijd is eerlijk, op het cynische af. Harde journalisten ontmaskeren ogenschijnlijk keurige intellektuelen als doortrapte oplichters. Meedogenloos worden gevels van fatsoen gesloopt, zodat mensen te kijk worden gezet in hun ware aard en met hun zwakke plekken. Ook heel vrome christenen — of ze nu in de evangelische hoek zitten of juist heel gereformeerd zijn — kunnen geweldig door de mand vallen. In de eerste plaats is te wijzen op blinde vlekken bij mensen die zich vurig inzetten voor een daadwerkelijk heilig leven. Zij zijn aktief in evangelisatie, stellen hun huis open voor berooiden, zijn hartelijk en meelevend. Maar door dat alles heen kunnen ze iets drijverigs hebben, iets zelfvoldaans, iets arrogants ook in hun kritiek op een kerk die lauw is. En dat, zonder dat ze het zich bewust zijn, zodat ze de dominee nog bijvallen ook als die waarschuwt voor de zonde van zelfvoldaanheid en hoogmoed... 

In de tweede plaats heeft de (diepte) psychologie er ons met de neus op gedrukt, dat er veel heiliging is, die de minder fraaie beweegredenen van het menselijk hart niet overwint, maar slechts gewelddadig onderdrukt. Dat kan lang, heel lang met groot succes plaats vinden, zo, dat een mens werkelijk denkt af te zijn van z'n geldzucht, z'n heerszucht, z'n egoïsme, z'n jalouzie. Maar wat een ontnuchtering als die diep verscholen driften na lange tijd toch nog aanwezig blijken te zijn en in tijden van crisis weer krachtig de kop opsteken. Heel dat geduldig opgebouwde nieuwe leven stort dan als een kaartenhuis in elkaar.

Kortom: onze tijd breekt door de schone schijn van religiositeit en burgerlijk fatsoen heen. Wat kan de kerk dan beter doen dan zich het goede nieuws van de rechtvaardiging van de goddeloze te herinneren? ! Dat houdt dan wel in, dat juist in de gereformeerde kerken alle zelfvoldaanheid moet wijken en mensen zich niet dienen te beroemen op hun burgerlijk fatsoen en nette pakken. Niet dat mensen in de kerk niet fatsoenlijk mogen zijn of geen nette pakken zouden mogen dragen — dat zou een even erg moralisme zijn als het oude dat spijkerbroeken uit de kerkdiensten wegkeek! Maar het komt er wel op aan, dat we ons ervan bewust zijn dat al dat fatsoen en al die nette kleren onze sjofelheid alleen maar camoufleren. Vooral moeten wij ons ervoor hoeden, van onze gereforméérdheid een deugd te maken die bij God in de smaak valt. De Catechismus al heeft ervoor gewaarschuwd, het geloof niet als een verdienste te gaan beschouwen die onze goddeloosheid verzacht (zondag 23, v/a 61). Hoe gauw gaat onze gereformeerde levensstijl inderdaad in onze gedachtenwereld niet funktioneren als het streepje dat wij bij God voor hebben ten opzichte van de liederlijke wereld rondom ons? Met een variant op Calvijns gezegde, dat onze enige waardigheid om avondmaal te vieren onze onwaardigheid is, kun je zeggen: goed gereformeerd ben je, als je beseft dat je gereformeerd-zijn je niet kan redden.

Onze tijd zadelt talloze mensen op met faalangst, zelfverwijt en stress. Er worden eisen aan hen gesteld waaraan ze niet kunnen voldoen, met als gevolg dat ze over hun tekortschieten inzitten, bang zijn dat ze het niet goed genoeg zullen doen en in het ergste geval kompleet overspannen raken. De kerk doet daar vaak nog een schepje bovenop. De vele aansporingen om toch vooral naar Gods geboden te leven, de naaste lief te hebben, evangelisatiewerk te doen, zich voor de ambten beschikbaar te houden en een zoutend zout in de samenleving te zijn, roept bij al diegenen die toch al ontevreden zijn over hun funktioneren, extra spanningen op. Wat lijden er veel christenen onder het besef geen goede gelovigen te zijn, te weinig aan het kerkewerk te doen, te weinig liefde uit te stralen in hun gezin en op het werk. Wat kan het dan een gevoel van enorme bevrijding en opluchting teweeg brengen, als zij in de bijbel de God mogen ontmoeten die hen in hun tekortschieten aanvaardt!

Laten al die perfectionisten, die vinden dat ze het nooit goed genoeg doen, toch vooral die typisch gereformeerde prediking horen dat God op de eerste rij in zijn feestzaal mensen heeft zitten, die niet genoeg hebben liefgehad, te weinig hebben gedaan in de kerk, gezakt zijn voor hun examen en zichzelf altijd een grote nul hebben gevonden!'

Daarom is de prediking van de vreemde vrijspraak ongehoord actueel. Het is een evangelie, dat perspectief schenkt aan mensen die door alle vloeren van fatsoen zijn heengezakt, een boodschap die waard is om doorgegeven te worden in onze tijd met zijn pessimisme en gevoelens van hopeloosheid. En tegelijk maakt deze leer geen zorgeloze mensen. De verkondiging van de rechtvaardiging biedt uitzicht op een daadwerkelijk christelijk leven in de liefde. Het is goed, dat vandaag de dag aandacht gevraagd wordt voor het vernieuwend werk van de Geest. Ook dat behoort tot de verkondiging van de Galatenbrief (o.a. hoofdstuk 5 en 6). 'Maar verwacht van de Geest niet, dat Hij teruggaat achter de rechtvaardiging. Nooit zullen we toekomen aan de vrucht van de Geest wanneer wij niet vanuit de geloofservaring leven dat wij God reeds lief waren, toen wij nog geen vrucht droegen', zegt de schrijver. Het is en blijft nodig ook in onze tijd in kleine munt de goudschat van dit evangelie door te geven. Paulus en Luther, Augustinus en Kohlbrugge blijven actueel ook in onze moderne tijd!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's