De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Schotse verbondsleer (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Schotse verbondsleer (4)

12 minuten leestijd

Algemene en bijzondere beloften

Nog één keer kom ik terug op het onderscheid, dat ds. Harinck in navolging van o.m. S. Rutherford maakt tussen algemene beloften, die voor iedereen gelden en speciale beloften die alleen de uitverkorenen aangaan. Daarvan vinden wij, zoals ik reeds opmerkte, bij Calvijn niets terug. Toch spreekt ook de reformator op sommige plaatsen over een bijzondere belofte (promissio specialis), die onderscheiden moet worden van een algemene belofte (promissio generalis). Hij bedoelt daarmee evenwel iets totaal anders dan de Schotse godgeleerden. Een bijzondere belofte heeft te maken met bepaalde omstandigheden, waarin een gelovige verkeert, een specifieke nood waaruit God beloofd heeft hem te zullen redden. Een voorbeeld daarvan is Paulus, die temidden van de schipbreuk zich vastklemde aan Gods belofte, dat hij veilig aan land zou komen. Een algemene belofte daarentegen heeft te maken met het heil in Jezus Christus.

Citaat

Omdat dit aspekt van Calvijns beloftebegrip wellicht wat minder bekend is, laat ik een lang citaat volgen, waaruit blijkt wat hij onder algemene en bijzondere beloften verstaat. In een preek over Mattheus 1 : 22-25 zegt hij: 'Wij moeten tussen de beloften Gods onderscheid maken. Er zijn er die onder zich al de overige bevatten. Maar er zijn ook bijzondere beloften van de weldaden, die God aan Zijn volk wil bewijzen, bijvoorbeeld als Hij ze in één of andere nood te hulp wil komen, als Hij met hen in een bepaald opzicht medelijden wil hebben, zoals wanneer zij getroffen zijn door oorlog of pest of hongersnood en Hij Zijn toorn jegens hen wil matigen. De algemene belofte nu is dat verbond hetwelk God met óns aangaat, wanneer het Hem behaagt ons aan te nemen en te houden voor Zijn kinderen en ons te verzekeren dat Hij ons ten Vader en Behouder zal zijn. Daar moeten wij altijd mee beginnen. Want wij zouden wel bijzondere beloften kunnen ontvangen en toch het er schraal bij hebben en er geen groot profijt van kunnen verwachten. Wij willen een voorbeeld geven. Als iemand door een ernstige ziekte gedrukt wordt en God doet hem voelen dat Hij hem uit die ellende wil uithelpen dan zal hij Gods goedheid in dit opzicht leren kennen. Maar weldra loopt dit weer af, want er is hier slechts sprake van een bijzondere weldaad. En zo staat het ook met al het andere. Het strekt ons niet om ons op de weg der zaligheid te leiden en daar helemaal op te houden. Het zal wel kunnen dienen om ons te doen opmerken dat er één God is en wij zullen dan voor enige tijd ons overeind kunnen houden. Maar daarna zullen wij instorten en ons geloof zal verzwakt blijven en geen kracht zal er meer zijn om verder te gaan. Wat is er dan nodig om zo onze weg te gaan, dat wij het einddoel onzer zahgheid bereiken en komen tot de volmaaktheid waartoe God ons roept? Wij moeten deze algemene belofte hebben en daarvan wel verzekerd zijn, dat Hij onze Vader wil zijn in leven en sterven! Waarom? Omdat Hij ons heeft uitverkoren en aangenomen en ons rekent tot Zijn huisgezin en in ons midden wil wonen. Ziedaar zeg ik, de algemene belofte. Welnu, deze belofte, zoals ik reeds gezegd heb, bevat al de andere, zodat zij er slechts toevoegingen bij zijn. God moge dan somtijds wel één of andere gunst aan de gelovigen bewijzen, maar daar zit, zoals men zegt, geen zout in, want zij kunnen niet het goede dat God hun bewijst proeven. Willen wij de beloften, ik bedoel de bijzondere, aanwenden tot ons heil, dan moeten wij dit voorop stellen, dat God ons Zich heeft uitverkoren en dat Hij ons voor zijn kinderen wil houden.

De plaats van de wet

De tweede notie waarin de invloed van de scholastiek zich heeft doen gelden in de Schotse theologie betreft de plaats van de wetsprediking. Ook hier is de zaak in sterke mate in systeem gebracht. De Schotse godgeleerden spreken graag over het voorbereidende werk van de wet. De zondekennis door de wet gaat vooraf aan het geloof, in de belofte. Er is hier sprake van afzonderlijke, opeenvolgende stadia. De aanklagende functie van de wet behoort, naar Schotse opvatting, tot het werkverbond. Zolang men hieronder verkeert, kan er geen sprake zijn van een zaligmakend werk van God. Dat is er pas als men door het verstaan van het Evangelie in het genadeverbond is overgegaan. De wet wordt, met andere woorden, losgemaakt van het Evangelie. De belofte van Gods genade mag pas aangeboden en aanvaard worden, wanneer het hart verbrijzeld is door de hamer van de wet. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat de zondekennis tot een voorwaarde gemaakt wordt voor het ontvangen van de belofte. Dat is bij sommige Schotten inderdaad weleens het geval. En ook collega Harinck zelf lijkt daar tenslotte uit te komen. Met instemming citeert hij althans ds. G. H. Kersten die schrijft: 'Als de Heere schuldvergevende genade belooft, dan moeten wij onze zonden kennen en bewenen'. Het is, zo meent Harinck, ook vandaag nodig te zeggen, dat iemand zich de verbondsbeloften van vergeving en zaligheid door Christus niet zomaar mag toeëigenen. God spreekt zulke beloften alleen tot het hart van schuldverslagenen en wenenden over hun zonden (p. 124). Ik vraag hem: Snijdt u op deze wijze het Evangelie niet de hals af. Kan onze boetvaardigheid, kan iets in of van de mens, ooit de kapstok zijn waaraan God Zijn genade moet ophangen? In de praktijk van het gemeenteleven zien we toch waartoe een dergelijke scheiding van Wet en Evangelie leidt? De kerkganger wordt op zichzelf teruggeworpen. Hij blijft rondlopen met de vraag: Wanneer zal ik zoveel zondebesef hebben, dat ik de beloften der genade mag omhelzen? Op deze wijze ligt de vrijmoedigheid om zich de beloften toe te eigenen niet langer in het feit, dat ze ons van Godswege worden aangeboden om niet, maar in de kernmerken van de (vrome) mens.

Boetvaardigheid geen voorwaarde

Duidelijk is in ieder geval, dat ook hier een wissel is omgegaan ten opzichte van Calvijn. (De vraag in hoeverre Luthers opvatting van Wet en Evangelie heeft doorgewerkt laat ik buiten beschouwing.) De Geneefse reformator weet terdege ook van de noodzaak om onze ellende recht en grondig te kennen. De geboden en dreigingen hebben hun plaats in de verkondiging. Maar dat neemt niet weg, dat de absolute prioriteit moet worden toegekend aan de vrije en onvoorwaardelijke beloften. Calvijn ontkent niet, dat de wet haar eigen ambt (officium) heeft en ons kan heenleiden naar de beloften van het Evangelie (vgl. zijn preek over Genesis 15 : 6). Hij weet er ook van, dat alleen de hongerige naar voedsel verlangt, en dat alleen wie dorst heeft om drinken vraagt. Waar het echter om gaat, is, dat Calvijn van deze dingen geen systeem gemaakt heeft. De verbrijzeling des harten hoeft niet persé vooraf te gaan aan het geloof, maar is daarvan een wezenlijk onderdeel. De wet behoort volgens de reformator niet tot het werkverbond, (hij kent de term trouwens niet eens), maar staat in het kader van het genadeverbond. Nog minder zal hij de zondekenis tot absolute voorwaarde maken voor de aanbieding of effectuering van de beloften. Integendeel, Calvijn houdt er zelfs rekening mee, dat het schuldbesef soms pas werkelijk doorbreekt, nadat de belofte van genade is omhelst. In zijn commentaar op Hebr. 11:7 onderstreept hij, dat niemand door bedreiging gedrongen wordt om Gods toorn te mogen ontgaan behalve degene, die reeds de belofte der genade heeft aangenomen.

Eenzijdig

Ondertussen wil met alles, was tot nu toe gezegd is, niet beweerd zijn, dat de Schotse theologen geheel en al in de ban van de scholastiek waren. Die conclusie zou onjuist zijn. Wat ik heb willen aantonen is, dat er mede onder invloed van de scholastiek, verschuivingen zijn opgetreden ten aanzien van de theologie van Calvijn. Misschien kan men het nog beter zo formuleren: er is bij de Schotse schrijvers een zekere tweesporigheid waarneembaar. Aan de ene kant klinkt er een voluit reformatorisch geluid, maar anderzijds treft men gedachten aan, die ontstaan zijn in confrontatie met eigentijdse ontwikkelingen. Ik denk dat dr. P. H. van Harten gelijk heeft, als hij schrijft: 'In de Schotse theologie en prediking gingen de scholastieke en evangelische lijn hand in hand. Wel was het scholastieke element het sterkst in de theologie en het evangelische element daarentegen het sterkst in de prediking aanwezig'. (De prediking van Ebenezer en Ralph Erskine p. 18.) Mijn indruk is, dat collega Harinck vooral de scholastieke lijn heeft opgepakt en deze heeft vereenzelvigd met de theologie van de reformatoren. Niet alleen zijn interpretatie van Calvijn is m.i. onjuist, maar ook de weergave van de Schotten zelf kan eenzijdig genoemd worden. De evangelisch-reformatorische elementen zijn door hem wel gesignaleerd, maar werden volledig ondergeschikt gemaakt aan en opgenomen in het scholastieke denken. Daarmee is aan de Schotse predikers geen recht gedaan. Er heeft van hun kansels ook een ruim aanbod van genade geklonken. Niet door allen en ook niet altijd werden de verbondsbeloften beperkt tot de uitverkorenen. Een duidelijk voorbeeld daarvan vinden wij in de prediking van de Erskines. In een preek over Hand. 13 : 26 merkt Ralph Erskine op: 'Het Evangelie zou geen blijde boodschap zijn voor alle mensen, als enig zondaar er van uitgesloten zou worden (R. Erskine, Preeken, dl. 5 p. 139). En naar aanleiding van Jesaja 42 : 6 houdt hij zijn gemeente voor: Ik ben verzekerd, dat mijn tekst niemand die hier is, uitsluit van het recht om dit verbond aan te nemen, tenzij het de duivel zelf zij. Want het is zeker, dat hij en al de gevallen engelen uitgesloten zijn' (Al de werken van R. en E. Erskine, dl. 4 p. 64).

Zelfs de onboetvaardige zondaar wordt door hem niet overgeslagen: 'Laat niemand denken', zo tekent hij aan bij Genesis 49 : 10, 'omdat hij zijn ellendige en verloren staat buiten Christus niet ziet, dat hij daarom geen belang heeft bij deze roeping: ja, juist daarom zegt de Geest Gods, hebt gij daar belang bij, en gij moogt tegenwerpen wat gij wilt, gij zult dezelve niet kunnen wegredeneren. Gij moogt deze roeping zoveel ontwijken als gij zoudt kunnen, zij zal in het oordeel nochtans tegen u getuigen, indien gij aan dezelve niet beantwoordt. Indien gij een ongevoelig zondaar zijt, niet wetende dat gij arm zijt, menend dat gij reeds rijk genoeg zijt en niet ziende dat ge zijt jammerlijk, blind en naakt, dan hebt ge des te meer nodig om tot Christus te komen, opdat Hij u ogen zal geven om uw ellende te zien buiten Hem en uw genezing in Hem' (idem dl. 12 p. 228/9). Het hoeft ons niet te verbazen, dat ds. R. Kok in zijn boekje 'Het aanbod van Gods genade', zich uitdrukkelijk op uitspraken van de Erskines en andere Schotten heeft beroepen. Ook de Utrechtse kerkhistoricus prof. dr. S. v. d. Linde laat zich opmerkelijk positief uit over de Erskines. Tegenover allen die de beloftenprediking willen insnoeren, stellen zij, zo meent deze hoogleraar, dat 'de kabinetten der evangelische beloften voor allen zeer wijd behoren te worden geopend'. En hij voegt er in één adem aan toe: 'Zelden is de belofte van het Evangelie zo nodigend en verplichtend gepreekt' (Chr. Encyclopedie II. 631). Het valt te betreuren dat Harinck de evangelisch-reformatorische lijn in de Schotse theologie niet meer heeft gehonoreerd. Het zou een heel wat genuanceerder beeld van de Schotse verbondsleer hebben opgeleverd. Anderzijds zou het de schrijver dan wel moeilijk gevallen zijn om zijn stelling te handhaven, dat de theologie der Gereformeerde Gemeenten zich geheel en al beweegt in de lijn van de Schotse en vroeg-reformatorische traditie. Ik voor mij kom tot de tegenovergestelde conclusie: Harinck heeft noch de Schotse noch de vroeg-reformatorische theologen tot hun recht laten komen, omdat hij hen gelezen heeft door de bril van zijn eigen theologie. De inperking van de verbondsbeloften alleen voor de uitverkorenen is niet reformatorisch en ook niet Bijbels. Met wijlen ds. R. Kok kan gezegd worden: 'Wanneer het aanbod van Gods genade niet gepredikt wordt, dan plegen wij "verzuim"; wordt het geloochend, dan plegen wij verzet tegen Gods Woord en onze belijdenis'.

Ontboezeming

De bespreking van de Schotse Verbondsleer is uitvoeriger geworden dan aanvankelijk de bedoeling was. Nu de afronding nadert, bekruipt me, om eerlijk te zijn, een vervelende vraag: wat is de zin van dit soort geschrijf? Is het niet weer een bijdrage aan de toch al verlammende polarisatie in refor­matorische kring? Hoewel niet zo bedoeld, zullen sommigen ongetwijfeld mijn kritische opmerkingen op deze wijze verstaan. Zou collega Harinck, zou één van zijn geestverwanten, mijn argumenten werkelijk serieus nemen? Of zijn onze standpunten, over en weer, zo verhard en verstard, dat er geen beweging meer in te krijgen is? Erg veel illusies heb ik in dit opzicht niet meer. De gereformeerde gezindte heeft langzamerhand veel weg van een eilanden-archipel. Op ieder eiland leeft men zijn eigen reformatorische leventje. Ieder bewaakt er zorgvuldig de eigen identiteit en koestert er zijn eigen oud-vaders, waarop men zich al of niet terecht beroept. Vragen die vanaf andere oevers worden toegeroepen, worden niet of nauwelijks opgevangen. Daarvoor is de afstand te groot. En tot een echte ontmoeting komt het niet, omdat het water te diep blijkt. Wat hebben wij weinig meer van Calvijn, die ooit schreef wel tien zeeën te willen oversteken, als hij daarmee de eenheid onder de reformatorische kerken kon bevorderen. Ik ben me ervan bewust dat deze ontboezeming eigenlijk niet past in het kader van een boekbespreking. Ik wil hem echter toch kwijt en ik verbind er de wens aan, dat de Geest van God vaardig over ons zal worden. Opdat wij ons verootmoedigen over de hopeloze verdeeldheid onder allen die zich reformatorisch noemen en komen tot een herijking van onze theologie, niet slechts aan de bronnen van onze traditie, maar voor alles aan de Bron, die ons in de Schrift zelf gegeven is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Schotse verbondsleer (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's