Globaal bekeken
Ik kwam dezer dagen het volgende gedicht van Busken Huet (1827-1895) tegen, die ook predikant was in Zuid-Afrika. De inhoud spreekt voor zichzelf.
'Aan de voet van Christus' kruis
staat een bank om aan te zitten,
de enige weg naar 's vaders huis
is voor zwarten als voor witten
daar geldt schoonheid, goud noch eer,
daar geen onderscheid van kleuren,
Jezus ziet op allen neer,
die hun zonden daar betreuren,
daar geen onderscheid van kleuren,
hier dan wel, hier dan nog.'
***
In De Kerkvoogdij, maandblad van de vereniging van kerkvoogdijen in de Ned. Herv. Kerk stonden twee stukjes, die we hier overnemen.
• 'Kanselbijbel gestolen
In december is weer een aantal oude kanselbijbels uit kerkgebouwen gestolen. Wij noteerden: Harmelen, Vianen, Opheusden, Ophemert, Beusichem en Tricht In een aantal gevallen zijn sporen van braak gevonden, een enkele keer ontbraken ze, zodat de gedachte opkwam dat de dader zich had laten insluiten.
De oude vraag uit leerstellige conflicten "Is het Woord nog wel veilig op de kansel?", krijgt door deze berichten een andere spits.
Is het verstandig zo'n kostbaar boekwerk uit de zeventiende of achttiende eeuw open en bloot op zijn zondagse plek te laten?'
• 'Stoelbroederschap in Doesburg
Zo kent Doesburg een stoelbroederschap. Reeds in de 17e eeuw kende men in deze stad zulke broederschappen. Dat waren kleine verenigingen die gezamenlijk een bank of gestoelte in de Grote kerk beheerden.
In die tijd waren er voor de meeste kerkgangers geen vaste zetels. Men stond tijdens de dienst. Voor dragers van een kerkelijk of wereldlijk ambt waren er wel een paar gestoelten. Banken die er verder nog waren, waren dus in handen van die stoelbroederschappen.
Deze zullen wel verdwenen zijn, toen ook in Doesburg de bekende banken-vakken werden ingevoerd, zo omstreeks 1800. Die nieuwe banken deden dienst, totdat ze door oorlogshandelingen onherstelbaar werden vernield.
In de wederopbouwperiode lieten kerkvoogden wéér banken aanbrengen. Maar die voldeden niet zo erg en bleken bovendien niet geweldig duurzaam. In de jaren zeventig ontstond het plan die nieuwste banken te vervangen door stoelen.
Die zouden veel beter in het interieur passen en waarschijnlijk wel wat prettiger zitten. De kosten van de nieuwe stoelen gingen de middelen van de kerkvoogden te boven. En toen kwam iemand de oude term stoelbroederschap tegen en ontstond het idee. In april 1977 werd opgericht de vereniging stoelbroederschap Grote of Martinikerk te Doesburg. Het doel was natuurlijk allereerst de aanschaf van nieuwe stoelen, maar strekt zich uit tot de hele aankleding van het interieur van de kerk (...)
Jaarlijks houdt de broederschap een "teerdag" waarop naar oud gebruik roemers "rinsche wijn" worden geschonken. Bij die gelegenheid wordt de gezamenlijke stoelbroeders een lezing of muziek-uitvoering aangeboden.'
***
Uit het boekje over onparlementair taalgebruik in de Tweede Kamer (zie de Waarheidsvriend van vorige week) nog de volgende passage.
'Tot tweemaal toe — zo blijkt uit de Handelingen — is er sprake van een woord-incident, waarbij de latere Premier dr. H. Colijn is betrokken. Op woensdag 20 april 1932 bespreekt de Kamer twee moties, waarin aangedrongen wordt enerzijds op verlaging van de kosten van levensonderhoud en anderzijds op meer invloed van de Overheid op het bedrijfsleven. Dr Colijn bezigt de uitdrukking 'pure demagogie' en wordt door Kamervoorzitter mr. J. R. H. van Schalk tot de orde geroepen: ''Dat is toch wel een heel sterk woord dat U daar bezigt''. Een tweede maal wordt dr Colijn "op de vingers getikt" als hij ongewoon fel uithaalt naar collega-Kamerlid H. G. Kersten, de fractievoorzitter van de Staatkundig Gereformeerde partij (SGP). Colijn verwijt zijn collega de werkelijkheid te verdraaien en vraagt zich o.m. af waar Kersten "het recht toekomt om voor zich het monopolie op te eischen van belangstelling voor onze landbouw?". Colijn geeft zelf het antwoord: "Vanwaar anders dan uit de troebele bron van eigen gerechtigheid, van zelfverheffing, van zelfoverschatting, die geen oog meer hebben kan voor wat anderen deden — en ik mag er aan toevoegen: beter dan hij", zo vaart dr. Colijn uit. Nog is hij niet uitgesproken: "Voor mij zijn er weinig dingen duidelijker dan deze zaak, dat hij (bedoeld is de heer Kersten) in opruiend vermogen de heer De Visser nabij komt, indien hij hem niet overtreft". Dr. Colijn doelt op het communistisch kamerlid L H. H. de Visser (...)
Kamervoorzitter Van Schalk en de SGP-voorman lijken verbluft. Van eerstgenoemde ontvangt Colijn een terechtwijzing: "Dat had U achterwege moeten laten". In zijn weerwoord zegt dr. Colijn, dat hij "vruchteloos'' gezocht heeft naar een woord, dat de uitdrukking demagogie zou kunnen vervangen en tegelijk den zin ervan zou kunnen weergeven. ''Ik ben daarin niet geslaagd en dus maak ik voor dat woord amende honorable en neem ik het terug", zo merkt hij op. De ''beschuldigde'' zelf is meer uitvoerig in zijn antwoord. Hij constateert, dat men van anti-revolutionalre zijde niet alleen behoefte heeft om "met sterke uitdrukkingen en groote woorden" zijn standpunt te verdedigen, maar in de bestrijding van de tegenstander "niet voor een kleinigheid vervaard is". Ofschoon Colijn — later in het debat — zal toegeven, dat "de bewoordingen (aan het adres van Kersten) misschien wel iets verzacht hadden kunnen worden" is het incident nog niet gesloten. Bij de dat jaar gehouden Algemene Politieke Beschouwingen — het jaarlijks terugkerend debat over de Rijksbegroting — komt Kersten andermaal op de zaak terug. Op vrijdag 11 november 1932 noemt hij de Colijn-rede "laakbaar".
"De heer Colijn", zo vervolgt hij, "toonde zich toen niet de sterke man, die over zijn geest heerscht". "Aan het einde van zijn rede gaf dr. Colijn bewijs, dat hij het stuur geheel kwijt was in zijn opwindende liefde voor de verzekering, die door mij werd bestreden. Toen sprak de AR-leider van eigen gerechtigheid, zelfverheffing en zelfoverschatting. Mijnheer de Voorzitter is dat anti-revolutionaire taal. Het is de schimptaal der oude liberalen. Die taal bewijst zeer klaar, dat de verzekeringsdwang een afgod der antirevolutionairen is. Zelfs dr. Colijn liet zich tot uitdrukkingen verleiden, die elk anti-revolutionair onwaardig moesten zijn".'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's