De Bijbel en de rechter
Het is allang geen uitzondering meer dat via de media en de literatuur de meest godslasterlijke dingen publiek worden gemaakt. En in enkele gevallen, waarin het tot gerechtelijke procedures kwam, liep de zaak met een sisser af. De meest grove, met name voor christenen kwetsende dingen kunnen worden gezegd zonder dat er van enig ingrijpen door de overheid sprake is, ook niet wanneer het gebeurt via kanalen, waarvoor de overheid directe verantwoordelijkheid draagt. Het is nog erger. Schrijvers, die zich niet ontzien om de Naam van God te lasteren, mogen desalniettemin delen in de subsidiegunsten van de overheid.
Het feit dat de Naam van de Allerhoogste wordt gesmaad moet ons hier intussen zwaarder wegen dan dat wij in onze godsdienstige gevoelens worden gekwetst. Soms komt het echter ook voor dat heel opzettelijk een bepaald volksdeel op smalende wijze wordt bejegend. Jaren geleden gaf de schrijver W. F. Hermans een staaltje daarvan weg toen hij het katholieke volksdeel in één van zijn boeken grof aanpakte. Toen het voor de rechter kwam viel het onder literaire vormgeving. Niet Hermans had het gezegd, maar één van de personen die hij in zijn boek opvoerde. Zo kunnen we ook tal van voorbeelden vinden van uitingen, waarin het rechtzinnig protestantse volksdeel aan vlijmende bejegeningen van schrijvers en journalisten ten prooi valt. Dat mag allemaal in onze samenleving.
Ik zou willen zeggen dat godslastering en ook kwetsing van een volksdeel in diens godsdienstige gevoelens in feite in onze samenleving niet meer bestaat, dat wil dus zeggen niet meer als zodanig wordt aangemerkt. We zullen dat meer en meer weten in een samenleving, die aan God en Zijn Woord ontzonken is. We zullen moeten leren wat het betekent van meerderheid tot minderheid te worden.
Het ergste daarbij is dat het oordeel begint van het huis Gods. Hoe vaak is het immers niet voorgekomen dat theologen, predikanten of anderen, die geacht mogen worden beter te weten, zich in concrete kwesties van godslastering of smalend taalgebruik schaarden in de rij van hen, die zeiden dat er niets aan de hand was. In zulke gevallen is men geneigd de vraag te stellen óf men dan nog wel in God gelooft en zo ja in welke God.
Mensbeeld en Godsgeloof
Laatstgenoemde vraag is ook uiterst actueel nu we het omgekeerde meemaken, namelijk dat zij, die naar normen willen leven zoals God die in Zijn Woord geeft en daaraan publiekelijk uiting geven, voor de rechter worden gedaagd. Uiteraard doelen we hier op de processen, die kardinaal Simonis kreeg aangespannen over zijn uitlatingen inzake het feminisme en inzake homosexualiteit. De bedoeling van dit artikel is niet om de woorden en uitlatingen van de kardinaal te toetsen. Zijn biologische benadering bijvoorbeeld van de man-vrouw verhouding, via eicel en zaadcel, was best ongelukkig te noemen. Bovendien hebben we te bedenken dat Simonis in de traditie wil staan van het oude Rome, waartegen rechtgeaarde protestanten het nodige hebben in te brengen. Maar wat vandaag met Simonis gebeurt staat model voor wat morgen óok met anderen gebeurt in de samenleving. We zijn de fase van de gerechtelijke processen ingetreden.
We hebben de tijd gehad van het spandoek. Maar vandaag wordt het grimmiger. Tekenend is de houding van het Humanistisch Verbond. Men vraagt zélf de kardinaal om deel te nemen aan een radiogesprek en na afloop van het gesprek is men ook zelf partij in het geding, dat tegen de kardinaal wordt aangespannen. Hoe humaan mag dat genoemd worden? En dan gaat het nota bene nog slechts om de vraag of een huiseigenaar de vrijheid heeft zelf te bepalen wie een kamer in zijn huis mag huren en of deze de vraag mag stellen welke praktijken in zijn huis plaats zullen vinden.
Het is duidelijk dat we een fase van onze geschiedenis zijn ingetreden, waarin we als christenen op onze woorden moeten gaan passen. Wat kunnen en mogen we nog zeggen via de media, voor radio en t. v., in krant en boek? We worden op de vingers gekeken door hen, die de nieuwe religie van de gelijkheid aanhangen. Intussen schreef prof. mr. I. A. Diepenhorst in het Centraal Weekblad, dat de staat niet op ieder terrein gelijkheid heeft te stimuleren. Dat is terecht. Hij schreef dat in het kader van 'kerk en vrijheid'. De kerk moet op haar wijze, genormeerd aan het Woord Gods, over gelijkheid en ongelijkheid mogen denken, schrijven en handelen. Maar daar ligt intussen ook al een probleem. Want het zijn niet alleen niet-christenen, die in de huidige processen actief zijn, maar ook mensen, die behoren tot de kerk. Mensen, die behoren tot de kerk van Simonis liepen tegen hem te hoop en schaarden zich aan de zijde van de procesvoerders. En in het algemeen kunnen we zeggen dat ook zich christen noemende lieden van de handtekeningenactie zijn overgestapt naar de demonstratie en van de demonstratie naar de gerechtelijke procedure.
Juist hier duikt dan de kwestie van het geloof in God op. Zeg me hoe u over de mens denkt en ik zal zeggen hoe u in God gelooft. Ik wil me beperken tot de feministische theologie. Op bijna fanate wijze wordt in de feministische 'theologie' (de aanhalingstekens zijn bewust gekozen) de gelijkheid van man en vrouw gedreven. Geen theologie zal overigens het onderscheid dat er tussen man vrouw is, ooit uit kunnen wissen. Maar het gaat dan natuurlijk om gelijke behandeling.
Het behoeft geen betoog dat man en vrouw schepselmatig voor God gelijk zijn en derhalve ook als het gaat om zonde en genade. Maar de Heere heeft in Zijn Woord toch aan man en vrouw ook verschillende plaatsen toegekend, en ook verschillende mogelijkheden gegeven. De consequenties daarvan zijn te vinden in de praktijk van het ambt in de christelijke gemeente, de eeuwen door, hoezeer daarvan ook de afgelopen decennia is afgeweken. Daarom heeft prof. Diepenhorst gelijk dat de staat geen gelijkheid mag afdwingen op alle terreinen. De kerk is hier van eigen rechte, gebonden aan de haar gegeven norm in het geopenbaarde Woord. De staat mag derhalve niet treden in onderscheid dat binnen de kerk gemaakt wordt op grond van wat God in Zijn Woord gebiedt. Dat geldt bijvoorbeeld als het gaat om de benadering van de homosexuele praxis maar ook op allerlei andere terreinen. Het probleem is echter dat ook binnen de kerken soms dezelfde gelijkheidsidee gedreven wordt, die we in de wereld tegenkomen. Dat moet dan wel teruggaan op een zeer bepaald geloof in God.
Het gaat namelijk vandaag niet meer om God, zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart; om God die ons mensen schiep naar Zijn beeld en gelijkenis, een beeld dat wij intussen door onze zondeval zijn kwijt geraakt. Het gaat vandaag om een God, die wij mensen ons scheppen naar ons beeld en onze gelijkenis. Wanneer de mens zichzelf vergoddelijkt wordt God vermenselijkt. De Vaderlijke God moet verdwijnen. Die stamt uit een paternalistisch tijdperk. Vandaag moet het gaan om God als vrouw. Alsof we zo God mogen benaderen. God is de gans Andere, die in het Hoge en het Verhevene woont, rondom wiens troon wolken en donkerheid zijn, de Heilige, de Onzienlijke, de voor ons natuurlijk ook Onvoorstelbare. Desalniettemin heeft het God behaagd Zich aan ons te openbaren. En dan openbaart. Hij zich op vele, vele plaatsen als Vader. Als het Hem behaagt Zich zó te openbaren hebben we daarin God God te laten. Zo openbaart Hij zich ook als de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. In Christus is God ons zeer nabij gekomen, en dan ook heel concreet in de menselijke gestalte van een Man. Ook daarin heeft God souverein gehandeld. Het gaat echter in de bevrijdingstheologie, zoals die ook in de feministische theologie gestalte krijgt, helemaal niet meer om de historische persoon van Jezus, de Zoon des mensen, in wie God de menselijke natuur heeft aangenomen en de mens in alle dingen gelijk geworden is, uitgenomen de zonde. Het gaat veeleer en veel meer om de Messias, en dan nog om de Messiaanse idee. Daarom kon jaren lang gesproken worden over de zwarte Messias. En daarom behoeven we ons niet te verbazen als we vandaag tegenkomen de gedachte van een vrouwelijke messias. Het gaat niet meer om Jezus, zoals die in de geschiedenis onder ons heeft gewoond, het gaat om de messias die zich in elke tijd in ander gewaad vertoont.
In scherpe bewoordingen heeft de rooms katholieke theoloog dr. E. Schillebeeckx zich gekeerd tegen de opvattingen van kardinaal Simonis. Hij verwijt hem, dat hij meent de wil van God te kennen en dat hij intussen namens God mensen kapot maakt (Hervormd Nederland).
Intussen kunnen wij ons niet aan de indruk onttrekken dat in beschouwingen als die van Schillebeeckx God voor de rechtbank van de menselijke rede wordt getrokken en dat zo uiteindelijk het Woord van de God van hemel en aarde voor de aardse rechtbank wordt gebracht. We vragen God rekenschap van wat Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard. In de processen, die momenteel gevoerd worden, komt heel concreet tot uitdrukking hoe de Bijbel zelf voor de rechtbank wordt gedaagd.
Kunnen wij de wil van God kennen? Ja, omdat God geopenbaard heeft wat Hij wil. En ook omdat Hij geopenbaard heeft wie Hij is, door de gestalte van het Woord aan te nemen en zich daarin mensvormig te openbaren. Maar wat Hij wil zint ons mensen van nature niet. Daarom maken we ons een God, die wij manipuleren kunnen. We maken vandaag geen goden meer van hout of steen. Maar we maken ons wel een menselijke god, die beantwoordt aan onze idealen van vrijheid en recht. Het is niet meer de God die het in het menselijke leven voor het zeggen geeft, maar god die wij laten zeggen wat we zelf hebben bedacht. God wordt in de tijd getrokken en binnenwerelds gemaakt.
O mens
De profeet Micha brengt alles wat we hier stellen in een wondermooi woord bijeen. 'Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God?' (Micha 7:8). Deze Schriftplaats snijdt alle onrechtvaardige, discriminerende behandeling van welk schepsel Gods ook bij de wortel af. We hebben recht te doen! Maar we mogen dan ook weten dat God ons bekend gemaakt heeft inzake datgene wat goed is. Dan worden we ook bij onze naam genoemd en op onze plaats gezet: mens. Intussen staat het alles tegen de achtergrond van het ootmoedig wandelen met 'uw God', met 'onze God'.
De vraag mag in alle duidelijkheid gesteld worden of in de processen, die vandaag, mede door of met instemming van theologen of zich christen noemende mensen, gevoerd worden, sprake is van dit ootmoedig wandelen met God. Wie zou niet vrezen voor Zijn majesteit. Wie zou zich niet verwonderen over het feit, dat Hij Zich aan ons bekend gemaakt heeft en ook Zijn wil aan ons bekend gemaakt heeft, ook in de geboden, die de paaltjes langs de weg van het leven zijn om de levensweg begaanbaar te doen zijn, om voor afdwalen en omkomen te behoeden!
Wie ootmoedig wandelt met God zal bevreesd zijn buiten zijn of haar boekje, dus buiten het Boek te gaan. Wie ootmoedig wandelt met God zal ook de laatste zijn om aan processen voor de wereldlijke rechter te beginnen. Dat heeft in ieder geval de rooms katholieke, feministische theologe Catharina Halkes óók begrepen, blijkens het feit dat ze zich heeft gekeerd tegen de processen, zoals die nu gevoerd worden. De Schrift verbiedt ook uitdrukkelijk het uitvechten van geschillen in de gemeente voor de wereldlijke rechter.
Daarom staat naar onze diepste overtuiging in de processen, die gevoerd worden, het Woord van de Schepper van hemel en aarde, die ook Rechter is en Zich als zodanig betonen zal over mens en wereld, voor de aardse rechter. Maar Die in de hemel woont zal lachen (psalm 2). Het benauwende is echter dat de processen gevoerd worden mede door toedoen van hen, die de christennaam dragen en gemene zaak rnaken met organisaties als het COC of een Humanistisch Verbond, waar de humaniteit niet veilig is, omdat ze niet geworteld is in Gods geboden en beloften; in het geloof in God, die ons bekend gemaakt heeft wat goed is.
We staan hierbij wel voor de vraag of we niet de tijd zijn ingegaan, waarvan de Schrift zegt dat ze hierdoor gekenmerkt is dat een christen niet meer kopen of verkopen kan zonder het teken van het beest te dragen (Openb. 13 : 17). Zullen we nog mogen zeggen, publiekelijk, wat God in Zijn Woord zegt? Het gaat snel toe in de ontwikkelingen rondom 'gelijke behandeling'.
Wie ootmoedig wandelt met God mag intussen ook getroost zijn, omdat het Woord belooft dat de Heere, die enerzijds de Hoge en de Verhevene is, zó dicht bij is dat Hij troost zoals een moeder (!) troosten kan (Jes. 66 : 13). Ook wanneer we geroepen worden om tot voor koningen en overheden de Naam te belijden, zal Hij ons in die ure geven te spreken zoals het behoort: niet uitdagend maar volgend; horend naar de stem van Hem, die in Zijn Woord sprak en spreekt en spreken zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's