Aktuele vertolking van de leer van de erfzonde*
Velen in kerk en theologie hebben resoluut afscheid genomen van alles wat zweemt naar een erfzonde-leer. Zij menen dat het vasthouden aan de historiciteit van Adam op een fataal misverstand berust. Bijbels geloven wordt daarmee naar hun gedachte ten onrechte vereenzelvigd met het tegen alle wetenschappelijke benadering in handhaven van een verouderd wereldbeeld. Mét de historiciteit van Gen. 3 viel ook de erfzonde-leer. Menigeen haalt vanwege die ontwikkleing opgelucht adem., De zonde ligt niet langer als een doem over ons bestaan, maar is teruggebracht tot het niveau van de daad. De daad als ook de som van de losse daden die te vermijden zijn. Zo loont hét tenminste de moeite om' de zonde te bestrijden en met de vereende krachten van alle mensen van goeden wille de zonde de wereld iiit te helpen (zo H. Wiersinga).
We kunnen ons niet langer verschuilen achter het alibi van onze verdorven natuur. We kunnen en we mogen ons niet langer neerleggen bij een onvermijdelijke stand van zaken. De tijd is daar voor een aktief, geëngageerd christendom dat een progressieve voorhoede vormt in de strijd om een betere wereld.
Uiteraard wordt op deze wijze een caricatuur getekend van de klassieke leer aangaande de erfzonde. Bovendien kan men zich niet zo gemakkelijk en lichtvaardig afmaken van essentiële bijbelse gegevens.
Andere theologen die dit beseffen nemen op wat terughoudender en voorzichtiger wijze afstand van het dogma van de oorsprongszonde. Zij willen dit leerstuk niet zomaar los laten, maar trachten het te moderniseren en te aktualiseren. Zo kunnen we bij verscheidene eigentijdse theologen van zowel protestantse als roomskatholieke huize herinterpretaties van de erfzonde-leer aantreffen.
We willen nu iets aanduiden van deze pogingen tot aktuele vertolking van de leer van de erfzonde.
Psychologiserende benadering
Om te beginnen is daar de psychologiserende benadering, die we bijv. bij de amerikaanse theologen Reinhold Niebuhr en P. Tillich aantreffen.
Is er in de menselijke psyche niet een innerlijke tegenspraak, een inherente kloof tussen wat de mens eigenlijk zou moeten zijn en wat hij feitelijk is, tussen zijn essential being' en zijn existence'. De mens moet worden wat hij in wezen is. Maar hier is een frictie te bespeuren. De mens realiseert zijn potenties nooit geheel, er komt nooit voor de volle honderd procent uit wat er in zit. hij reikt niet tot het optimale.
Hoe komt dat? Wel, de mens mag dan in wezen goed zijn, maar hij heeft tegelijkertijd een aanleg tot het kwade. Hier gaapt ergens een kloof, er is van een innerlijke gespletenheid te spreken.
Deze herinterpretatie van het begrip 'erfzonde' houdt in dat wordt erkend dat de aanleiding of aanstoot tot het kwaad bij de mens niet alleen van buiten af komt, maar ook van binnenuit. Aan zonde metterdaad gaat een conditie vooraf die voedingsbodem en aanknopingspunt tot zonde is, zonder zelf nog zonde te zijn. Zonde komt pas echt tot stand door een vrijwillige daad van de mens. waarvoor deze dan ook tenvolle verantwoordelijk kan worden gesteld. Maar de mens is van nature behept met een zekere aanleg tot zondigen, een sluimerende potentie ten kwade.
Zo komt deze opvatting dicht in de buurt van het zogenaamde semi-pelagianisme uit. Het gaat dieper dan het pure pelagianisme. dat het vóórkomen van de zonde louter verklaart uit de invloed van het slechte voorbeeld dat gegeven wordt, dus uit impulsen die de mens van buitenaf bereiken.
Maar de bijbelse diepgang in de tekening van de zonde wordt hier gemist. De mens heeft volgens de Schrift niet slechts een natuurlijke aanleg ten kwade, hij is van nature zondig.
Evolutionistische benadering
Een andere poging is die waarin getracht wordt bepaalde motieven uit de traditionele erfzonde-leer te verbinden met een evolutionistisch wereldbeeld. De mens is onderweg vanuit zijn dierlijk verleden naar , een hogere bestemming. Van afkomst is hij een sociale roofprimaat en allerlei neigingen en driften vanuit dit verleden spoken in hem rond. Die biologische erfenis kan de mens niet als schuld worden aangerekend. Het is echter de vraag hoe de mens daarmee omgaat, hoe hij er op inspeelt, zich er bij neerlegt of er tegenin gaat en er steeds meer bovenuit komt.
De mens is op weg naar redelijkheid, vrijheid, medemenselijkheid, liefde. Hij heeft mogelijkheden in zich om stappen in de goede richting te doen. Maar hij kan ook weigeren dat te doen, hij kan zich vastleggen op een eigenlijk al achterhaald verleden. Dat is dan zijn verkeerde keuze, dat is dan zonde. Niet alle kwaad is zonde. Zonde is een sector van het kwaad. Zonde is het welbewust kiezen voor die duistere kanten aan het menselijk bestaan. Wie de goede keuze maakt met vallen en opstaan, die blijft als mens erfelijk belast door zijn biologisch verleden, die blijft de zuigkracht van vroegere stadia uit de evolutionaire ontwikkeling van het mens-zijn ervaren. Dat is dan het terrein waarop vanouds de kerkelijke leer van de erfzonde doelde. Maar in deze herinterpretatie is de erfzonde geen zonde meer. Het geërfde wordt niet ontkend, maar bestreden wordt dat het geërfde ooit als zonde zou moeten worden erkend.
Het geërfde wordt pas tot zonde door de vrijwillige keus om het te laten prevaleren boven de roep die op de mens afkomt vanuit zijn bestemming.
Deze evolutionistische conceptie kan min of meer christelijk worden aangevuld en ingevuld. Maar het raster, het raamwerk is niet schriftuurlijk, maar aan een geheel andere bron ontleend.
Hoe onschriftuurlijk deze benadering is, blijkt vooral hieruit dat in deze gedachtengang de zonde haar absurditeit verliest. De zonde is met de schepping van de mens gegeven. De zonde is 'ergens' door God gewild, aangezien Hij de mens als onaf wezen, als evolutionerend wezen, als mens-onderweg heeft gewild.
Maar wordt zonde dan niet verklaarbaar en aannemelijk als onvermijdelijk doorgangsstadium, als groeistuip tijdens het evolutieproces?
Wordt hier de ernst van de zonde ook niet miskend, waar deze toch een normaal menselijk verschijnsel blijkt te zijn, verklaarbaar vanuit het verleden? Een remming en een stremming, die echter niet of nauwelijks afbreuk doet aan de carrière van de mens. opklimmend langs de evolutieladder.
Erfzonde als solidariteit in de schuld
We letten op een derde poging tot herinterpretatie en aktualisering, die meer dan de vorige benaderingen aan de bijbelse gegevens recht doet.
Er wordt door theologen als de roomskatholieke P. Schoonenberg of S. Trooster op gewezen dat zonde transsubjectief is. Dat wil zeggen: zonde gaat niet alleen die ene mens die zondigt aan. zonde is niet puur individualistisch.
Naar twee kanten is dat waar.
Enerzijds vanuit het verleden. Geen mens begint in een blanco situatie. Lang voordat wij geboren werden, is er al gezondigd. In de omgeving waarin we geboren en getogen zijn, wordt gezondigd. Er is rondom ons zoiets als een kollektieve zondige druk. 'Men' zondigt. Er wordt gezondigd. Dat is aan de orde van de dag. Binnen die struktuur is onze plaats. Zo zijn we gesitueerd door de zonden van anderen. Zonden van ons voorgeslacht, waardoor wij vandaag geconfronteerd worden, met rassentegenstellingen, met
de schrijnende nood van de derde wereld, met de dreiging tussen de blokken van Oost en West.
Zonden van onze eigentijdse omgeving, waarmee we met allerlei vezels verbonden zijn en waarvoor we vaak medeverantwoordelijk zijn.
Anderzijds is het zo dat het kwaad dat wij persoonlijk doen gevolgen heeft voor anderen. Welke gevolgen heeft het aktuele kwaad van milieuvergiftiging en van een krankzinnige wapenwedloop voor het nageslacht? Wat doe ik met overspel niet alleen mijn echtgenote, maar ook mijn kinderen en wellicht verdere nageslacht aan?
Zonden hebben de neiging tot serieschakeling. Dit is een zuiver bijbels besef: zonden roepen iets op, zetten iets in gang, wat zich vervolgens op noodlottige wijze voltrekt. Zonden worden bezocht tot in het derde en het vierde geslacht, zo zegt het tweede gebod.
Zonde kun je niet ontbinden in losse factoren. Zonde kun je niet atomiserend benaderen als een optelsom van verkeerde daden. Wanneer die daden bij elkaar opgeteld worden, blijkt de som méér te zijn dan de verzameling van de delen.
Zonden vermenigvuldigen zich. Zonden roepen een atmosfeer op. Ze zetten zich vast in structuren. Ze kunnen het nageslacht negatief conditioneren, de toekomst blokkeren, de mensheid duperen. Wijst het aloude dogma van de erfzonde niet in de richting van solidariteit in de schuld? Lettend op de schuld van ons voorgeslacht kunnen we onze handen niet in onschuld wassen. Lettend op onze plaats in de samenleving kunnen we niet onder onze medeverantwoordelijkheid voor onderdrukkende en onrechtvaardige structuren uit. Lettend op ons nageslacht kunnen we het devies 'après nous Ie deluge', 'na ons de zondvloed' niet hanteren.
Zo spreekt één van de intenties van het dogma van de erfzonde de mens weer met nieuwe kracht aan. We mogen niet zeggen: 'wir haben es nicht gewusst', we hebben het niet geweten, de schuld van anderen, van onze politieke leiders of van de publieke opinie gaat ons niet aan... De bovenpersoonlijke dimensies van de zonde willen ontkennen, is zélf zonde, schrijft A. v. d. Beek. Het is de weigering solidair te zijn. 'Zo gezien i§ erkennen van de erfzonde een kwestie van realiteitszin en de belijdenis daarvan een zaak van solidariteit. Ontkenning van de erfzonde is zelf zonde: de zonde niet solidair te zijn met alle andere zondaren.' Waarom? , blz. 143).
Onbevredigend
Zo is inderdaad een wezenlijk element van de leer van de erfzonde in deze eigentijdse vertolking bewaard en geaktualiseerd. De betekenis en waarde van deze herinterpretatie is dat zonneklaar wordt aangetoond en voor de moderne mens inzichtelijk wordt gemaakt, dat het nog niet zo ouderwets en onzinnig is om met de Kerk der eeuwen over zoiets als 'erfzonde' te spreken. We moeten dit resultaat met erkenning en dankbaarheid vermelden. Toch zal ook deze weergave een bijbels en gereformeerd christen niet kunnen bevredigen. Teveel bijbelse kernpunten blijven onderbelicht of zelfs geheel ongenoemd, ja ontkend.
Temeer verheugt het mij te kunnen wijzen op een dezer dagen verschijnend werk van de gereformeerde dogmaticus B. Wentsel, waarin de klassieke erfzondeleer onverkort wordt gehandhaafd: deel 3a van diens gereformeerde dogmatiek. Wentsel wijst op de persoon van Adam die aan het begin van de bijbel niet alleen als persoon van vlees en bloed of als historisch eerste wordt getekend — dat dus uitdrukkelijk ook —, maar tevens als de exclusieve Vertegenwoordiger en als het Verbondshoofd van de mensheid.
Wentsel wijst er terecht op dat in de Heilige Schrift de eigen verantwoordelijkheid van de mens nergens wordt geëlimineerd ten bate van de collectieve verantwoordelijkheid, terwijl het omgekeerde evenmin het geval is: de collectieve verantwoordelijkheid wordt niet in mindering gebracht op de eigen aansprakelijkheid.
Met andere woorden: de bestaande schuldsamenhang met Adam sluit beslist niet uit dat ik ten volle persoonlijk verantwoordelijk en aansprakelijk blijf voor het door mij bedreven kwaad. Maar de schuld mag niet individualistisch verengd worden. Wij delen in de zonden van de vaderen, van de voorgeslachten en van onze eerste voorouders in het paradijs. Het gaat hier om oer-bijbelse noties die niet met een beroep op het eigentijdse levensgevoel mogen worden verloochend.
Wat de genoemde eigentijdse herinterpretaties van de erfzonde-leer gemeenschappelijk kenmerkt, is dat zij geen recht doen aan de eenmaligheid van het diep ingrijpende gebeuren van de zondeval aan het prille begin van de geschiedenis van de mensheid.
Met erkenning van goede elementen in deze benaderingswijzen, naast de fundamentele dwalingen die zij bevatten, moeten we toch concluderen dat zij wezenlijk te kort schieten en het hart uit de belijdenis van de oorsprongszonde wegsnijden. Laten we daartegenover vasthouden aan de kernachtige woorden van de Heidelberger Catechismus in vraag en antwoord 7: 'Vanwaar komt dan zulke verdorven aard van de mens? Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden'.
*lezing uitgesproken voor de E.O. rubriek Theologische Verkenning opp vrijdag 27 februari 1987.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's