De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Hongaars pleidooi voor Transsylvanië

De verhoudingen binnen de landen van het Oostblok zijn voor ons vaak zeer ondoorzichtig. De geschiedenis van de Balkan-landen en allerlei ontwikkelingen die daarin plaats vonden, vormen voor de verklaring van die verhoudingen een waardevolle bron. Tegenstellingen tussen de verschillende volksgroepen en nationaliteiten zorgden voor vele conflicten en oorlogen. Een van de problemen in onze tijd is de positie van de twee tot drie millioen Hongaren in het Roemeese gewest Transsylvanië of, zoals het wellicht beter bekend is: Zevenburgen. Zevenburgen is een gebied, dat zoals ik in de Chr. Encyclopedie las in de 17e eeuw een zelfstandig vorstendom was, waar het Calvinisme een grote bloeitijd beleefde. Calvinistische vorsten voerden in de 17e en 18e eeuw een zware strijd voor geloofsvrijheid en zelfstandigheid. Toen de Jezuïeten en Oostenrijk er de vrije hand kregen brak voor de Protestanten een tijd van vervolging aan.

Thans behoort dit gebied tot Roemenië. Maar er leven, zoals gezegd nog veel Hongaren. Hun positie is moeilijk. In Kerknieuws van 27 februari las ik daarover het volgende:

'In het Roemeense gewest Transsylvanië wonen twee tot drie miljoen Hongaren. Deze nationale en religieuze minderheid zucht onder allerlei beperkende maatregelen en zelfs onder rechtstreekse politieterreur. Dit schrijft het in Boedapest (Hongarije) gevestigde 'Comité voor Verzoening' in een document getiteld 'Een oproep voor verzoening aan de bezorgde mensen van Hongarije en Roemenië'. Het Comité voor Verzoening is een onofficiële oecumenische instelling die bestaat uit leden van Hongarijes belangrijkste kerkgenootschappen.

Het genoemde document is gericht aan de paus, de Wereldraad van Kerken, de Sowjet-Unie en westerse mensenrechtenorganisaties. In het document wordt gesteld dat er 'steeds minder Hongaarse boeken worden uitgegeven'. Hongaarse intellectuelen, dokters, onderwijzers, priesters en pastors staan onder een voortdurende druk van de geheime politie om verklikker te worden van hun eigen volk. De toelatingseisen voor de seminaries van de Hongaarse rooms-katholieke en hervormde kerken zijn zo verzwaard, dat de kerken spoedig geheel verlamd zullen zijn. TV-uitzendingen in de Hongaarse taal zijn gestopt en radioprogramma's zijn teruggebracht tot het minimum.

Het belangrijkste middel om de Hongaarse minderheid te onderdrukken is het gebruik van politieterreur. Steeds vaker hoort men van arrestaties, martelingen en brutaal geweld tegen hen die in stilte klagen. Er zijn ook al martelaren. De priester Geza Palfi is dood geslagen en de acteur Arpad Viski is de dood ingedreven. Om te intimideren worden er dagelijks huiszoekingen verricht om Hongaarse lectuur in beslag te nemen. Hongaarse bijbels worden tot toiletpapier verwerkt, het gebruik van de Hongaarse taal in openbare toespraken is verboden en Hongaarse lectuur wordt aan de grens in beslag genomen.

Het comité gelooft dat de kerken een belangrijke rol kunnen spelen bij het bevorderen van een nationale verzoening: 'Op het terrein van het kerkelijk leven kunnen wij een unieke oecumenische beweging vormen. In het verleden zijn onze kerken vaak gebruikt voor het uitbroeden van extreem nationalisme en rassenhaat. Niettemin worden wij door onze gemeenschappelijke christelijke erfenis samengebonden. Transsylvanië kan het toneel zijn van orthodoxe, rooms-katholieke, hervormde, lutherse en baptistische broederschap. De orthodoxe spiritualiteit zou onze Hongaarse kerken kunnen verrijken, evenals het hartverwarmende enthousiasme van onze Roemeense baptistische broeders en zusters. En onze voorgangers zouden de herders kunnen zijn, die onze volken dichter naar elkaar toeleiden'.

Het document besluit met een oproep aan de Hongaren om zich te onthouden van haat, spot en gevoelens van Hongaarse superioriteit, en aan allen in Transsylvanië, om de gedachten en praktijk van Jezus, Tolstoi, Ghandi en Martin Luther King toe te passen.

Het gaat me nu niet om de laatste zinsnede, waar voor mijn gevoel Jezus ingepast wordt in een reeks 'groten uit de geschiedenis' die gestreden hebben voor recht en menselijkheid. Een inpassing die m.i. tekort doet aan het unieke van Jezus' weg en werk. Het gaat me er om te laten zien hoe weinig deze discriminatie van een volksgroep doordringt in de media. Krant en TV schenken veel aandacht aan discriminatie van zwarten in Zuid-Afrika. De zorg, verontrusting en verontwaardiging daarover zijn terecht. Maar vreemd is wel dat men in deze verontwaardiging vaak zeer selectief te werk gaat. Daarom meen ik, dat het goed is om uw aandacht te vragen voor het trieste lot van deze Hongaren in dit gebied.

Kerk en staat in Indonesië

In het Centraal Weekblad van 20 februari schrijft prof. dr. J. Verkuyl over de verhouding tussen de kerken in Indonesië en de staat. Hij wijst er op dat bij de oprichting van de Indonesische Republiek de vraag acuut werd hoe men de verschillende godsdienstige stromingen kon inschakelen bij de opbouw van de staat, zonder dat ieders identiteit geweld werd aangedaan.

'In de grondwet van 1945 werd onder meer de vrijheid van godsdienst gegarandeerd. Maar daarnaast heeft men een aantal grondbeginselen van staatsopbouw geformuleerd, waarin het accoord tussen de verschillende stromingen werd uitgedrukt. Dat is de zgn Pancasila. Panca is het getal 5. Sila betekent: zuil, richtsnoer, basis. Deze vijf zijn nationalisme, democratie, sociale rechtvaardigheid, menselijkheid en erkenning van de Al- ene. De laatstgenoemde eigenlijk de eerste sila — is de basis, die de religieuze dimensie van de samenleving aangeeft. Enerzijds wordt binding van de staat aan een bepaalde religie afgewezen. Anders dan in Pakistan b.v. is Indonesië geen Moslim-staat, anderzijds wees men de idee van de seculiere, wereldlijke staat af. De Indonesische staat wilde in deze eerste sila uitspreken dat ook staten verantwoording moeten afleggen aan een bovenaardse, transcendente werkelijkheid. Maar hoe men zich die werkelijkheid denkt is overgelaten aan ieders geloofsovertuiging. Christenen hebben deze staatsbeschouwing van meetaf gesteund.

Deze staatsideologie was en is dus niet bedoeld als een quasi-religie, zoals dat met zovele staatsideologieën het geval is, die een eigen voorwerp van verering creëren, een eigen openbaringsbron, een eigen liturgie, een eigen dogmatiek en ethiek.

De Pancasila is nooit bedoeld als een quasireligie, maar als een simpel accoord om heel verschillende groepen tot samenwerking te bewegen.

Dat is ook de reden dat de christelijke kerken vanaf het begin de Pancasila hebben gesteund. Ze beseffen dat in Indonesië altijd de kans bestaat dat de staat wordt omgebouwd tot een moslimse staat of tot een communistische staat.

Toen ze samen met moslims en andere groeperingen de woning van de Indonesische staat opbouwden, voelden ze zich veilig bij deze staatsideologie, omdat daarin hun vrijheid en hun medeverantwoordelijkheid werden aanvaard. En nog steeds staan ze gezamenlijk achter deze Pancasila. Maar dat wil niet zeggen dat ze de Pancasila als een soort eerste of tweede openbaringsbron beschouwen. Hoe verschillend de Indonesische kerken ook zijn, hierin zijn ze één dat ze een gemeenschap willen vormen waarin Jezus Christus als de enige en de levende Heer wordt beleden.

Deze kerken leven uit de overtuiging dat hun hoeksteen, hun grondslag en daarom hun belijdenis wordt gevormd en gevoed door beloften en eisen die niet van mensen stammen, maar die van God stammen. Ze weten zich deel van het oecumenische lichaam van Christus, samengesteld uit degenen die met Christus verenigd zijn in levend geloof en actief discipelschap. Anderzijds zijn ook deze kerken, organisaties, georganiseerd tot het doel de eredienst te onderhouden, de sacramenten te bedienen en missionair en diakonaal bezig te zijn. Ze hebben als organisaties een geheel eigen identiteit. Ze zijn niet van het volk; ze fungeren in het volk en staan en werken ten dienste van het volk.

Ook gedurende en na de besprekingen van 2 en 3 december 1986 was en is er geen sprake van dat het belijdende karakter van de kerken is prijsgegeven, zoals in sommige berichten in de pers is gesuggereerd. Er is geen sprake van, dat de kerken in hun samensprekingen de Pancasila als vervangende of zelfs als tweede openbaringsbron hebben aanvaard. Ze hebben de belijdenis van Matthéus 16 of van 1 Corinthiërs 3:11 niet losgelaten of ingeruild.'

We zien hier voor ons de worsteling van een kerk die enerzijds belijdend zich gebonden weet aan Jezus Christus en zijn evangelie en anderzijds zich verantwoor­delijk weet voor een gemenebest waarin vrijheid van godsdienst gegarandeerd wordt. Maar behoedzaamheid blijft geboden. Immers de geschiedenis van de Indonesische Republiek heeft geleerd dat regelmatig toch weer stemmen opkomen om deze Pancasila tot een soort quasigodsdienst te maken. U begrijpt: dat zou de kerken en de christenen voor een ingrijpende uitdaging stellen. Want een godsdienst legt een claim op zijn vereerders. Een staatsgodsdienst is snel geneigd totale aanspraken te laten gelden. Verkuyl spreekt van een zekere pressie waaronder de kerken staan.

'Toch is het een feit dat de kerken onder een zekere pressie staan. Telkens in de geschiedenis van de Indonesische Republiek zijn er fasen geweest waarin toch werd getracht van de Pancasila, die slechts een simpel accoord van samenwerking is, een soort quasi-religie te maken. Dat was bijvoorbeeld zeer sterk het geval in de laatste periode van het regiem van Soekarno en dat is toen volstrekt mislukt. Wordt datzelfde nu weer geprobeerd? Ik heb niet de indruk.

Nu de Indonesische Raad van Kerken in Irian vergadert over de verklaring die op 2 en 3 december 1986 werd opgesteld, is het te hopen dat de lidkerken geen duimbreed wijken van hun confessie dat Jezus Christus Heer is en dat er geen eerste of tweede openbaringsbron is naast of in plaats van het evangelie. Maar tevens is te hopen dat ze duidelijk maken dat ze de Pancasila waarderen als een accoord en bereid zijn en blijven om alle vijf sila's te concretiseren, te belichten en te interpreteren vanuit hun geloof. En het is tevens te hopen dat wij hier in Nederland de betekenis van de Pancasila als accoord voor samenleven onder één dak van Sabang tot Merauke waarderen en verstaan.

Als ik denk aan de situatie in de Libanon, in de Filippijnen, in India, in Sri Lanka, dan denk ik: waarom wordt in zulke landen niet gestreefd naar zo'n accoord in de geest van de Pancasila?

Ik hoop dat de kerken in Indonesië worden bewaard voor de verzoeking om hun staatsideologie te bekleden met de autoriteit Gods en dat ze tevens bereid zullen blijven de Pancasila als een bruikbaar en goed instrument voor vreedzaam samenleven te gebruiken en te waarderen. Dan zal er geen reden zijn om te spreken van de 'knieval van de kerken'.

Laten we veel voor de kerken in Indonesië bidden en vragen voor hen om wijsheid, om in vrijheid en verantwoordelijkheid te blijven leven en werken in de Pancasilastaat: Indonesië.'

Wij zijn op verre afstand getuige van deze worsteling van de kerken in Indonesië. En we zijn daar ook bij betrokken vanwege de banden met de Toradjakerk, en met Ambon. We weten vanuit onze westerse kerkgeschiedenis hoe groot het gevaar is als er naast het Evangelie een andere openbaringsbron wordt erkend. Men denke aan de strijd van de belijdende kerk in Duitsland in de dertiger jaren. Daarnaast is er het grote goed van de vrijheid van godsdienst en de verdraagzaamheid die het samenleven van burgers in een staat met verschillende godsdiensten en levensvisies mogelijk maakt. Deze burgerlijke vrijheid is voor de christen nooit het hoogste goed. Een belijdende kerk onder het kruis kan groeien in de verdrukking. De belofte van Christus staat garant voor de bewaring van zijn gemeente.

Maar we mogen de burgerlijke vrijheid, die ruimte biedt voor kerkewerk, voor de voortgang van de evangelieverkondiging, voor sociale arbeid in dienst van barmhartigheid en gerechtigheid ook niet geringschatten. Wij mogen deze dankbaar benutten als een goede gave van God. Terecht wijst Verkuyl op de trieste situatie in landen waar godsdiensttwisten het vuur van oorlog en strijd hoog doen oplaaien met als gevolg: een zee van ellende. Wie wordt niet aangegrepen door de nood van de slachtoffers in een land als Libanon!

Juist de christen, die weet dat God kaf en koren op de akker der wereld laat opgroeien tot de oogst, zal vanuit de belijdenis van Gods lankmoedigheid op de bres staan voor de verdraagzaamheid in de samenleving. Moge het de kerken in Indonesië gegeven worden met wijsheid en inzicht de weg te gaan van het Evangelie en te kunnen arbeiden tot zegen van de volken van Indonesië.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's