Globaal bekeken
Prof. dr. G. D. J. Schotel schreef een hoogst interessant boek, getiteld 'Het oud-hollandse huisgezin der zeventiende eeuw'. Het verscheen in 1903 en kreeg 35 jaar later een herdruk met een voorwoord van prof. dr. H. C. Rogge (uitgave Strengholt, Amsterdam). Uit dit boek de volgende curieuze passages.
Over 'de schoolordonnantie'
'(...) behelzende de voorschriften hoe zich de leerlingen op straat en in de kerk hadden te gedragen, hoe zij moesten zitten, opstaan, buigen, nijgen; verboden om te schoffelen met de voeten, zich te krabben, luizen te vangen, hard te snoffen en te snuiten, te proesten, snappen, elkander te slaan, schoppen, steken en schenden. Kwamen de kinderen in de school, dan moesten zij volgens sommige ordonnantiën "reverentie bewijsen", voor den meester "buigen en nijgen met manieren"; wannneer hij niesde zeggen: "goed bedoelt"; opstaan en hunne reverentie maken, als de meester binnenkwam of hen aansprak. Dirk Adriaensz Valcooch 3), schoolmeester tot Barsigherhorn, hing het volgende verbodschrift in zijne school:
Die zijn muts niet afneemt voor een man van eeren,
Die daer loopen crijten, vloecken ende sweeren,
Die wildt end' onsedich loopen lancx der straten,
Die spelen om gheldt, boecken, oft loghenen praten,
Die der luyden eenden smijten en beesten jaghen,
Die niet en doen dat haer ouderen behaghen,
Die met messen poghen, in 't hayr plooken,
Die in 't velt loopen, door 't hoy springhen met stocken,
Die buyten meesters of ouders raet t' huys blyven,
Die gheldt, boecken, pennen nemen als dyven,
Die naeckent baden, in erten en wortelen loopen,
Die in de kerck rabbauwen of snoobbern coopen,
Die zijn benedictie niet over tafel en lesen,
Noch 's morghens noch avonts niet bidt ghepresen,
Die 't boeck scheurt, of verabbelt zijn papier
En malcanderen gheven toenamen hier,
Die zijn eten werpt voor catten ende honden,
Die niet willen weergheven dat zy in de school vonden,
Die in 's anders drincken spout oft op zijn eten treet,
Die uyt de school slipt, en niet en heelt 't secreet,
Die speeksel wten neuse oft den mont
Met den voeten niet uyt en treden terstont,
Die op de wallen loopen als men gaet na huys,
Die malcander beworpen met snot, vloijen en luys,
Die niet sedich loopen na de kerck of daer van,
Die malcanderen smyten stucken, korf of kan,
Wat scholiers dees poincten voorsz. niet en onderhouwen,
Sellen twee placken hebben, oft hem met roeden clouwen.'
***
Over de godsdienstige opvoeding
'Hadden de kinderen verstandige ouders, die met wijsheid aan hunne godsdienstige vorming arbeiden, toonden die ouders dat de godsdienst hun waarlijk ernst was en gingen zij hun kroost in alles wat goed was voor, dan kon het niet anders of hun voorbeeld moet weldadig op hun kroost gewerkt hebben. Er was dan ook geen tijdperk, waarin meer van oprechte godsvrucht, van vroeg bekeerde kinderen, van 'godzoekende zieltjes' gesproken werd, en Anna Maria à Schurman zal de eenige niet zijn geweest, die op driejarigen leeftijd den Catechismus van buiten kende. Menig vader zal zijn kind, gelijk Trigland zijn leerling prins Willem III, vóór zijn legerstede op de knieën in het gebed verzonken, hebben verrast.
Kerk en staat ging in de 17e eeuw dus niets meer ter harte dan de godsdienstige opvoeding der jeugd. Aan alle rectoren, meesters en matressen werd ten strengste bevolen, de kinderen en jongelieden godsdienstig onderwijs te geven. Op vele scholen werd niet slechts de woensdag-namiddag en zaterdagmorgen aan dat onderwijs gewijd, maar voor de groote feesten moesten de feestteksten van buiten worden opgezegd. Dagelijks werd er vóór elken schooltijd uit den Bijbel gelezen, gebeden en gezongen, en des zondagsmorgens moesten, zoowel des voor- als namiddags, alle kinderen op de school komen, zich onder leiding van den meester of de matres naar de kerk begeven, en van daar teruggekeerd, bewijzen geven dat zij aandachtig hadden geluisterd.
Als de kinders onser scholen na de kerck gaen,
Bij tweën sullen se te loopen bestaen.
In de kerck comende sullen se gaen sitten terstont,
Na den preeckstoel keerende aensicht, oogen en mont,
Met blooten hoofde sitten, soo lang die predicatie duert,
Nederknielende als men Godt aenbit, ende om zijn zonden truert.
De Psalmen sullen sy singen met heldere keelen,
De singhers sullen naest den meester hen deelen,
Opdat sy metten meesters houden goet accoort.
Dan voort sullen se neerstich letten op 't woort
Dat van de predicant aldaer wort uytgesproken.
Als nu ten eynde de predicatie is ghebroken,
Sullen se beleeft opstaen, maer toeven so langhen
Als meeste voick uiter kercken is ghegangen.
Dan sullen se eerst rijsen bij 's meesters belyven
Sedich by paren naer school gaen sender kyven,
Dan, int school comende, sal die meester sonder verbeyt,
Hen afvragen wat den predicant heeft geseyt;
Wat den text was, wat godlicx hij heeft gepreeckt.
Die dan swijght ende int vertellen yet ghebreekt.
En heeft niet sedich geweest in al sijn doene.
Correctie sal hij terstont hebben also coene,
Dus elck meester volge mijnen regel hier inne,
Die een goet end wil sien, moet eerst hebben een goet beginne.
Aldus meester Valcooch.'
***
Over catechisatieboekjes
'In het meest geachte en algemeen In Holland gebruikte catechisatieboek van den Leidschen predikant Petrus de Witte wordt gevraagd: of Eva in een appel of een peer beet? of het een groot kwaad is in een vrucht te bijten? of het rijk van Satan uitgebreider is dan dat van Christus? of de Satan zich immediatelyck of mediatelijck in het verstand en in den wil der menschen werkt? of men wel een troyken en santée mag drinken? — Hielden sommige predikanten hunne leerlingen met dergelijke beuzelingen en haarkloverijen bezig, andere daarentegen hadden hun onderwijs op een schoolsche leest geschoeid, en vulden hunne leerboeken met de diepzinnigste scholastieke vragen en antwoorden. Zoo vroeg men o.a. "Wat is een persoon? Antw. Een persoon is een zaak of een ding dat van zelf bestaat, dat éénig, levend en verstandig is, dat aan een ander niet is medegedeeld, noch van een ander onderhouden wordt, noch een deel daarvan is." — "Wat is een goddelijk persoon? Antw. Eene onderscheidene zelfstandigheid, hebbende de geheele Godheid in zich." —"Zijn de werken van God onderscheiden van God? Ja! ten aanzien van hunne effecten en objecten, maar niet zoo veel zij in God zijn..." Doch genoeg tot eene proeve van onderwijs, die wij met anderen, geheel tot het ongerijmde en aanstootelijke overslaande, zouden kunnen vermeerderen. Allengskens werden soortgelijke boekjes vervangen door die van Jacobus Borstius en David Knibbe, waarvan het eerste ontelbare uitgaven beleefde, het laatste in 1753 voor de 22e maal herdrukt werd. Ook begon men hier en daar uit den "History-catechismus" van den Haagschen predikant Caspar Streso de bijbelsche en kerkelijke geschiedenis te onderwijzen. D'Outrein, Bekker en Hellenbroek hebben zich ten opzichte van het verbeterde onderwijs in den christelijken godsdienst zeer verdienstelijk gemaakt; de beide laatsten door hunne leerboekjes, d'Outrien door het oprichten eener bijzondere catechisatie en het invoeren eener algemeene catechetische oefening in de kerk. Van de catechiseermeesters en catechiseervrouwen, die gelijk de kloppen en kwezels alleen onderwijs in den catechismus gaven, vond ik in onze eeuw nog geen gewag gemaakt.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's