Boekbespreking
Drs. A. Keizer, Wetenschap in Bijbels licht, Buijten en Schipperheijn B.V., Amsterdam, 396 blz., ƒ 49, 50.
Dit boek biedt een studie van de grondslagen van wijsbegeerte en vakwetenschap in de geest van wijlen prof. dr. H. Dooyeweerd, één van de grondleggers van de Wijsbegeerte der Wetsidee die vooral na de tweede wereldoorlog grote opgang gemaakt heeft. Het is een poging om vanuit hetgeen de schrijver als bijbelgetrouwe wetenschapsbeoefening voor ogen staat de geschiedenis van het wetenschappelijk en filosofisch denken te doorlichten. Als zodanig is het tevens een pleidooi voor Reformatorische Wijsbegeerte.
Het eerste gedeelte geeft een overzicht van de diverse westerse wijsgerige stromingen, te beginnen met de Griekse filosofie en eindigend met de Frankforter Schule. De toetsing van deze ontwikkelingen wordt voorafgegaan door een aantal grondslagleggende hoofdstukken waarin de schrijver zich uitspreekt over wat hij als grondslag voor alle wetenschappelijk denken ziet: de Schrift. Als uitgangspunt van moderne wetenschap is de Schrift dit tevens van vakwetenschappen als biologie, geologie, rechtswetenschap en economie.
De tweede helft van dit boek haakt op het begin in. De belangrijkste thema's van hetgeen de schrijver als reformatorische wijsbegeerte voor ogen staat worden hierin uitgewerkt. In dit stuk van het boek is de aansluiting aan Dooyeweerd heel duidelijk merkbaar. Dit laatst blijkt vooral in de uiteenzettingen van de schrijver over het bijbels mensbeeld en de grondslagen van een bijbelse kenleer. Op kleine correcties na wordt Dooyeweerd hier gevolgd.
Allereerst nu datgene waarin naar mijn oordeel het waardevolle van dit boek ligt. Het eerste wat zich dan meldt is de vaak rake wijze waarop de vele stromingen van het, ook recente, verleden kort worden weergegeven en naar hun inhoud doorlicht, en teruggebracht tot hun diepste motieven. Wanneer namen vallen als die van Weber, Husserl, en na de behandeling van de fenomenologie die van Van den Berg ('Metabletica') is dit boek uitzonderlijk verhelderend. Ook uitvoerig. Kennelijk heeft de schrijver ook vroegere studies van zijn hand in dit boek verwerkt. Helder is ook het stuk over het bankroet van het humanistisch wetenschapsideaal bij het ontstaan van het logisch positivisme: Popper, Storing, Kuhn. Alles wat naar vaste waarden ruikt is dan in de mens komen te liggen en daarmee ontkend. Na Wolterstorff volgt dan — helaas alleen nog — de Frankforter Schulde — Weil, Marcuse, Adorno, Horkheimer — waarna het boek ertoe overgaat de grondslagleggende betekenis van de religieuze grondhouding voor alle denken en vakwetenschappelijk onderzoek nader uit te werken.
Het is de in dit boek doorlopende stelling dat deze religieuze grondhouding onontbeerlijk is. In lijnrechte tegenstelling tot Kant geeft de schrijver geen enkele voet aan de twijfel of onkenbaarheid ten aanzien van wat boven de zichtbare wereld der verschijnselen uitgaat. Dat de werkelijkheid kenbaar is, en via ervaring op betrouwbare wijze kan worden verwerkt, is een religieuze vooronderstelling die gefundeerd is op het allesomvattende van Gods (schrift)openbaring. Aan deze openbaring kan niemand zich onttrekken, om het even of men zijn dagelijkse en wetenschappelijke ervaring laadt met een positieve dan wel negatieve houding ten opzichte van de God van de openbaring. Uiteraard pleit de schrijver voor het eerste.
Hoewel in hoofdzaak instemmend met de grondlijn houd ik toch een aantal vragen over. Kunnen we Dooyeweerd nog repeteren op de wijze waarop de schrijver dit doet? Waarom niet ingegaan op het religieuze klimaat van de fundamentele twijfel van heden? Tenslotte is de invloed van de Frankforter Schule al weer tanende en zijn er nieuwe varianten met deze zelfde twijfel als achtergrond voorhanden. Het ingaan hierop zou het boek iets meer 'up to date' hebben gemaakt. Voorts: mij is niet ontgaan dat de schrijver Dooyeweerd bij herhaling corrigeert, en altijd met dezelfde bedoeling, namelijk om duidelijk uit te laten komen dat het de wijsbegeerte niet gegeven is tot het diepste geheim van de mens, of van de kerk, of van het geloof, door te dringen. De geheimen daarvan stammen uit openbaring. Maar het hameren op dit thema heeft toch een aantal risico's. Het eerste is dat men te veel wil gaan afleiden uit de HeiUge Schrift, met voorbijgaan aan de grondgedachte dat het de Kerk is die in de eerste plaats de Schriften leest. Dat de schrijver dit risico niet onderkend heeft blijkt dan m.i. duidelijk uit het feit dat hij de theologie geen wetenschap acht. Dat ligt dan ook geheel in de lijn: wie één grondslag voor zowel wijsbegeerte als vakwetenschap bepleit zal zichzelf gedwongen zien de theologie bij de vakdisciplines onder te brengen, geschraagd als zij moét worden door de kenleer, die alles omvat. Onontwijkbaar dreigt dan een omgang met de bijbel te ontstaan waar de theoloog zich niet thuis bij voelt, en die soms wankelt op de grens van het fundamentalisme. Het tweede risico is dan dat men een leer aangaande de mens gaat opbouwen, in dit geval in sterke aansluiting aan Dooyeweerd, die zijn gevolgen voor de Godsleer theologisch niet missen kan, want hoe men over de mens denkt hangt altijd samen met de wijze waarop men over God denkt. En daarmee betreedt men dan via de de psychologie het terrein van de theologie, maar wel van de mens uit in plaats van God uit.
Voorshands houd ik het er op dat de m.i. onweersprekenlijke stelling dat zowel de kenbaarheid van de buitenwereld als ons kennen zelf gefundeerd zijn in Gods éne openbaring als graniet 15, en dat deze stelling bovenal waarde heeft vanwege zijn polemische kracht. Moderne psychologie komt niet verder dan het ontwerpen van mensbeelden vanuit het eigen gevoelsleven. Om het even of men dit op materialistische wijze doet, waarbij de mens gezien wordt als een soort machine die van een diep driftleven is voorzien en zichzelf evolueert, dan wel dat men het doet vanuit het centraal-stellen van de geestes van de mens met alle nadruk op zijn persoonlijkheidsvorming. Zowel 'de mens als machine' als 'de mens als zelfbelever' zowel natuurwetenschappelijk denken over de mens als geesteswetenschappelijk denken, hebben de centrale plaats van het gevoels- of driftleven gemeen, om het even of dit nu uit de 'natuur' stamt dan wel uit de 'geest'.
Deze scherpe en ontdekkende analyse, waarvan dit boek doortrokken is, hoeft echter m.i. niet tegen de achtergrond van een christelijke filosofie te geschieden. Daarin onderscheid ik mij dan ook van de schrijver. Eerder is het zo dat de filosofie de theologie het materiaal aanreikt om mee te werken en zo rondom de theologie heen staat. Zelfs de theologie binnenkruipt, niet het minst op die punten waar zij zich te verantwoorden heeft in de wereld waarin ze staat. Maar dan in dienstverband, niet in een sleutelfunctie. Daarom vind ik in dit goede boek waarin zoveel goeds staat toch te veel pretentie, en deze ligt uitgedrukt in de titel en de ondertitel. 'Wetenschap in bijbels licht' klinkt al wat pretentieus, maar 'Handleiding voor de grondslagen van wijsbegeerte en vakwetenschap' helemaal. Het zijn titels die het dienstkarakter van de filosofie overbelasten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's