De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Constantijn Huygens

Op 10 maart verscheen er een postzegel met de afbeelding van de zeventiende eeuwse dichter Constantijn Huygens. Naast deze filateliatische belangstelling zal in deze en de komende maand op allerlei wijze aandacht geschonken worden aan Constantijn Huygens en zijn werk. In Koers van 6 maart wijdde prof. dr. L. Strengholt een artikel aan deze boeiende figuur uit de zeventiende eeuw, die een zo belangrijke plaats inneemt in de cultuurgeschiedenis van ons land. Huygens groeide op in de hervormde leer. Zijn ouders waren vurige aanhangers van de reformatie en innig verbonden met de Oranjes. Van jongs af is Huygens vertrouwd geweest met de bijbel en kerk. Hoewel hij connecties had onder de Remonstranten koos hij in het geding met de Contra-remonstranten de zijde van de laatsten. Huygens heeft zich nogal eens uitgelaten over de predikanten. Strengholt spits daarop zijn artikel toe.

'De volle maat van zijn vernuftig dichterschap geeft Huygens in 1623 in het genre van de zogenaamde characteres, in zijn vertaling: de printen of zede-printen, gedichten waarin een type mens of een beroep wordt gekarakteriseerd in geestige bewoordingen en flitsende beelden. Zo is er ook een print (of 'prent') van een goede predikant. Die begint ook zo:

Hij is een Makelaer in ongesiene waren.

Die oore noyt en hoord', in 'therte noyt en waren;

Een Kock van Hemel-kost; een koren Wereltsout;

Een Christelick Levijt; een 'handgeleid' in 't Woud;

Een' Trommel van genaed; een Afgesant van boven;

Een Wachter op de poort; een Stootsteen inde Hoven;

Een' schave vande Ziel; een' geessel vande Sond;

Een Segger met gesagh; een Visscher met den mond;

Een Tafel-waerd in 't Kruijs; een' Fackel uyt de wolcken;

Een Engel in gebeent; een Voor-hooft aller Tolcken

Een wecker daermen ronckt; een scheider daermen schermt;

Een dreiger daermen lacht; een trooster daermen kermt;

In het vervolg laat de dichter duidelijk weten hoe hij vindt dat een goed predikant moet zijn. Hij laat zich niet verleiden tot fraaie rhetorische woordenpraal. Het enige richtsnoer van zijn spreken en doen is de Heilige Schrift. Veinzen zou hem moeite kosten. Hij veracht de wereld en beschouwt alle vreugde als verdriet wanneer die van elders dan van God komt. Zijn nederigheid is niet gemaakt, maar behoort tot zijn wezen. Met de politiek laat hij zich niet in, tenzij het beleid van een vorst tot de ondergang van de godsdienst zou leiden en de waarheid Gods zou aantasten. Van geschillen tussen de mensen wil hij niets weten. Hij bemint de waarheid en de vrede, net als zijn Meester.

Huygens sluit zijn portret van deze ideale predikant af met een gebed:

Groot Herder Israëls, laet dijn' verkoren kudden,

De vruchten dijns verbonds van sulcke tacken schudden,

Sendt knechten inden Oogst van dese' en beter stoff,

Ons wel-zijn hangter aen, en daer aen dijne loff

Het spreekt vanzelf dat niet alle predikanten helemaal aan dit ideaal beantwoorden. De dichter heeft dat heel goed beseft en er zit stellig een licht satirisch element in de spiegel die hij hier aan de dominees voorhoudt. Maar dat het hem ernst was blijkt wel uit de geciteerde slotregels.

Kritiek op gemaaktheid

Deze dubbele houding van kritische verbondenheid komen we in Huygens poëzie vaker tegen. De boodschap van de preek hoort hij nederig aan. Maar dat betekent niet dat hij niet uiterst scherp de gebreken van de boodschapper opmerkt. Het uitvoerigst behandelt hij enige bezwaren tegen de preektrant van sommige dominees in een gedicht dat hij op zeventigjarige leeftijd, in 1666, maakte, Aen sommighepredikers. Ik heb nu zo veel jaren uw 'soet bericht' aangehoord, zegt hij daar tot de 'gezanten van omhoog', de 'bazuinen van Gods Woord', dat ik daar nu voor danken wil door middel van een paar kleine opmerkingen. Twee punten komen aan de orde: een onnatuurlijk gebruik van de stem en onnatuurlijke gebaren. Let eens op de ongeleerde vrouwen op de markt, zegt de dichter; ze hebben geen benul van de regels der rhetorica, en toch weten ze precies het goede geluid te vinden voor wat ze te zeggen hebben. En wat de handen betreft, al die aangeleerde gemaakte gebaren hebben niets met echte welsprekendheid te maken. Alle geaffecteerdheid is op de preekstoel uit den boze. Dat is Huygens' eigenlijke bezwaar: er is zoveel gemaaktheid in de voordracht van de gekritiseerde voorgangers. En die past toch niet bij de hemelse waarheid?

Huygens had toen hij zich aldus tot de predikanten richtte net een lange periode in Frankrijk achter de rug. Hij had bij Lodewijk XIV moeten pleiten voor teruggave van het prinsdom Orange aan de rechtmatige eigenaars. Daarom kan hij verwijzen naar zijn eigen ervaring als diplomaat. Een gezant zal het ten overstaan van een vorst wel laten, op een gezochte, uit de leerschool van de rhetorica gehaalde manier het woord te voeren. Het gaat immers om het bereiken van een doel, het overbrengen van een boodschap, en wel zo dat het resultaten oplevert. Dat geef ik de natuur te redden en niet de school, zo vat de dichter zijn opvatting samen. Liever een stamelaar die met zijn hart spreekt dan ijdele pronkerige gemaaktheid op de stoel van Gods waarheid.'

Strengholt typeert Huygens houding als een van kritische verbondenheid. De verbondenheid is er ten aanzien van de reformatorische prediking. De kritiek richt zich op de zwakheden van de boodschapper. Huygens kende zijn mensen, ook hun smalle kanten, en hij heeft ze niet verbloemd. Scherp kon hij zich uitlaten over te lange preken, over ijdele woordenkraam in het gebed, over de kloof tussen leer en leven. Toch is Huygens, zegt Stengholt, geen zure kritikaster geweest. Hij geeft meermalen blijk van waardering voor de prediking, is bovendien ook kritisch naar zichzelf toe. Maar waar hij nadruk op legt is de zgn praxis pietatis, de 'praktijk van de vroomheid in het dagelijks leven.

'Men zou zich kunnen afvragen of Huygens van predikanten vergt dat ze alle gebreken hebben afgelegd alvorens de preekstoel op te gaan. Aanvaardt hij de boodschap die op de kansel wordt gebracht alleen als de boodschapper een man zonder vlek of rimpel is?

Zo liggen de zaken toch niet voor hem. Wel springen de zwakheden makkelijker in het oog als ze zich bij de gezanten van omhoog voordoen. Maar de dichter is er zich goed van bewust, dat de spits van Gods Woord op hem gericht is en dat hij zich niet van de klem van de boodschap kan afmaken door te verwijzen naar de gebrekkigheid van de prediker en de prediking. Dat komt op een treffende wijze tot uitdrukking in een gedicht dat Borstel heet.

De borstelharen waarmee ik mijn kleren schoon veeg zijn van een varken afkomstig. Maar wat doet dat ertoe? Als ze maar effectief zijn. Zo ook deman op de stoel die mijn 'leemten' aanpakt met scherpe middelen. Hij is een mens van deze wereld, net als degenen die hij met zijn tong tuchtigt. Maar neem eens aan, dat hij een 'varken' (dat is in zeventiende eeuws taalgebruik: een slecht mens) is, zou ik daarom niet verdragen dat hij mijn vuil wegborstelt? Het gedicht leert ons, dat Huygens begreep waar het op aankwam bij het aanhoren van een ontdekkende prediking:

'k Hebb dese Borstelen een stinckend beest sien dragen:

Maer, nu se dienstigh zijn, hebb ick daer na te vragen?

Daer staet een Mensch op stoel mijn' leemten aen en tast

Met Peper en Azijn: maer 'tis een wereldsch gast.

Soo menschelick als ick, en emmers soo voll schulden

Als die zijn' Tonghe tucht: soud ick daerom niet dulden.

Dat hij mijn' vuijlen kuijsch'? neemt, hij een Vercken zij.

Dat raeckt hem: maer hij veeght scherp en schoon: dat roert mij.

Om het wijze inzicht, waarvan dit gedicht getuigt, en om nog veel meer, blijft het de moeite waard de poëzie van Constantijn Huygens te leren kennen.'

 

Christusprediking in de lijdenstijd

We bevinden ons weer in de zogenoemde lijdensweken, op weg naar Pasen. In de prediking mogen we het geheim van de verzoening vertolken, de zegens van het offer van Christus eens en vooral gebracht. Drs. J. J. C. Dee vraagt in een artikel in het Hervormd Weekblad van 5 maart aandacht voor de wijze waarop Prof. dr. K. Schilder in zijn trilogie 'Christus in Zijn lijden' het lijdensevangelie, geplaatst in het verband van heel de heilsgeschiedenis, breed en diep heeft vertolkt.

In 1930 schreef Schilder drie artikelen over het gereformeerd karakter van de lijdensprediking. Schilder had oog voor het gevaar, dat in de lijdensprediking meer aandacht gegeven zou worden aan de mensen rondom het kruis, dan aan de gekruisigde Christus, aan het handelen van God die door het doen en laten van mensen Zijn raad volvoert.

'Alles is volgens Schilder ondergeschikt aan het ene thema van de lijdende en stervende Zoon des mensen. Daarom is het, zo zegt hij, de grote vraag in de lijdensprediking, 'of heel de prediking is opgebouwd naar het beginsel, dat de inhoud der transcendente Godsopenbaring heerschappij voert in en zijn zuivere verkondiging ontvangt in de prediking van de Man van Smarten'.

In de prediking van de lijdende Christus heeft Schilder ervoor gewaakt op alle teksten het dogma van de borgtochtelijke betekenis van Christus' zoendood te leggen; want de historische bijzonderheden van Christus' eigen lijden mogen niet verdwijnen. De Eerste Auteur van de Schrift, de Heilige Geest, geeft in het openbaringsverhaal van Christus al die bijzonderheden. Daarom getuigt het, naar Schilders inzicht, van een al te gemakkelijk begrippen-schema om overal de leer en de idee der satisfactie — voldoening door verzoening — aan te brengen. De afzonderlijke momenten in Christus' lijden aan de ene kant en heel de gang der profetie en der Schriften der heilshistorie aan de andere kant moeten op elkaar inwerken. Dan krijgt men, zo betuigt Schilder, oog 'voor de geheelheid van Christus smarten, voor de ene arbeid van zijn ongebroken, onverdeelde ziel' en zal men gaan zien 'in alles wat de Christus doet en lijdt, de ganse Christus, en héél Gods recht, en héél de worsteling van Christus' ondeelbare ziel tot onze verlossing, en tot de overwinning van Zijn God'.

De gereformeerde prediking over de lijdende Christus zal steeds toch God — zo betoogt Schilder in genoemde artikelen — tot het enige onderwerp hebben. God Die Zich in en door Christus openbaart. Tot het lijden van de Christus dringt men alleen door, wanneer men het geheim bewaart van de eenheid van de menselijke en goddelijke natuur in Christus: Hij is zuiver en rechtvaardig mens èn waarachtig God. Dat is het diepste mysterie waarover de kerk ooit heeft nagedacht: 'de eenheid van de ganse Christus in al Zijn werk.' Die eenheid komt volgens Schilder naar voren in het feit dat alle handelingen van Christus één lijn vormen. Hij heeft één arbeid op aarde en in de hemel.

Hij hééft gewerkt en werkt nóg. In Zijn werk treden zowel Zijn lijdelijke als Zijn dadelijke gehoorzaamheid naar voren; en Zijn werk bestaat uit woorden en daden, uit handelen en zwijgen. Daarom moet ook niet het bloed van Christus alle nadruk krijgen, maar ook Zijn geweldige geest en Zijn geweldige geest en Zijn werkzame ziel.

De héle Christus is bezig; Hij is immers Priester èn offer tegelijkertijd. Schilder waarschuwt er voor om parallellen te zoeken tussen Christus' menselijk lijden en ons menselijk lijden. Want Christus is niet 'een' mens, niet een 'individu'. 'Hij is Borg en Middelaar, die in Zijn lijden de vloek van allen draagt, en uit ons lijden de vloek wegneemt.' Elke parallellie tussen Christus' smarten en de onze, miskent Hem als verbondshoofd, als Tweede Adam, als Borg. Bovendien is Christus Rechter van de wereld en is Zijn lijden onlosmakelijk verbonden met Zijn wederkomst. Naast al deze goddelijke factoren in het lijden van Christus moeten we, zegt Schilder, de ogen niet sluiten voor het echt-menselijke van Jezus' lijden; anders lopen we over het lijden als lijden heen. 'Het lijden van Christus is nu eenmaal geweest een lijden in de menselijke natuur. De goddelijke natuur, de Persoon van de Zoon, werkt daarin wel, geweldig en krachtig, maar het lijden blijf toch menselijk'. Niet dat we dan Christus' lijden moeten gaan beschrijven met behulp van psychologische begrippen. Daaruit is Christus, niet te verstaan, doch alleen uit de openbaringsgegevens. 'Men heeft te vragen naar het plan van God, de ambtsdienst van Christus, de worsteling van recht en genade, de eenheid van de Schriften, de samenhang van tijd en eeuwigheid, de positie van de tweede Adam ten aanzien van de eerste.' Christus is ambtsdrager en staat in dienst van Zijn ambtsroeping. En als ambtsdrager heeft Hij in Zijn lijden vastgehouden Zijn God en Zijn volk, in sterk messiaans zelfbewustzijn, en zo de Schrift vervuld.'

Dee is duidelijk gepakt door het werk van Schilder. Hij wijst op de uitlegkundige betekenis van de drie delen over het lijden van Christus, op de stijl, de pakkende beelden, de contrasten en associaties, en vooral op het doorlopend thema: het Middelaarswerk van Christus, de Kruiskoning in zijn schoonheid.

In de vijftiger jaren werd het werk van Schilder ook onder ons veel gebruikt bij de voorbereiding van de prediking. Ik heb de indruk dat dat nu veel en veel minder het geval is. Er zijn ook wel oorzaken aan te wijzen. De voor ons gevoel barokke stijl nodigt niet altijd tot lezen. De lijnen, die Schilder trekt en de beschouwingen, die hij soms aan een enkel detail op hangt, zijn niet altijd vrij te pleiten van speculatie, het werk ademt voorts toch wel de geest van de discussies die met name in vrijgemaakte kring gevoerd zijn rondom het karakter van de prediking, waarbij het heilshistorische zo eenzijdig naar voren werd gebracht dat er voor andere momenten, zoals b.v. het exemplarische van de figuren rondom het Kruis, geen enkele ruimte over bleef.

Toch is het nog altijd de moeite waard van Schilder kennis te nemen. Schilder heeft zich verzet tegen een prediking, waarbij Jezus gemaakt werd tot exponent van menselijk lijden, de verpersoonlijking van de liefde, het voorbeeld van menselijkheid. Wat zien we nu in deze jaren? Dat juist datgene waar Schilder tegen gewaar­schuwd heeft in veler prediking op de voorgrond staat. Het is natuurlijk niet geheel te ontkennen dat Jezus Christus onze menselijke smarten gedragen heeft, solidair is met de pijn der mensheid. Maar als dat het enige is, wat gezegd wordt, snijdt men het hart uit de bijbelse prediking. Want in het lijden van Christus gaat het om het wonder van de plaatsvervanging, het geheimenis van de verzoening door voldoening. Daarom blijft de waarschuwing van Schilder aktueel. Juist nu. En wie de moeite neemt zich te verdiepen in dit werk en zich niet laat ophouden door de overdadigheid van de stijl of door voor ons gevoel te spitsvondige redeneringen, stuit telkens weer op de passages van een grote rijkdom, die op indrukwekkende wijze de betekenis van het kruisevangelie vertolken. In die zin blijft dit werk van waarde voor de bezinning en de meditatie in de lijdenstijd ter voorbereiding van de prediking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's