Prediking en geloof (4)
Wanneer dit onderwerp aan de orde komt, geldt bijna: zoveel hoofden, zoveel zinnen. De discussie daarover is al eeuwenoud en laait telkens weer op. In onze tijd merken we rond dit onderwerp een toenemende polarisatie, waarin de standpunten zich verscherpen. Waar de één waarschuwt voor een ingebeeld geloof en een te gemakkelijk zich toe-eigenen van de beloften van God, wijst de ander op het gevaar van voortdurende twijfel in plaats van het eenvoudige vertrouwen op het Woord van God. In de ene preek krijgt de mens in de diverse stadia van het geestelijk leven alle aandacht, elders wordt het heil in Christus met nadruk verkondigd, maar blijft het toch een vraag, hoe wij aan het geloof komen om daarin te delen.
Deze tegenstellingen werpen wel veel stof op, maar dragen in het algemeen niet bij tot een helder beeld over de plaats, die het geloof in de prediking moet hebben. Soms denk je wel eens, dat we minder woorden zouden moeten gebruiken en de Heere Zelf meer aan het Woord laten. Lezend in de dissertatie van dr. Van Harten over de prediking van de Erskines, trof mij de ernst, waarmee deze grote predikers het evangelie verkondigd hebben. In een kerkelijk gezien bewogen tijd hebben ze het evangelie voluit gepredikt en waren ze echte zieleherders. Daar alleen ligt de kracht van de kerk: in de prediking van het Woord, waarmee de Heilige Geest werken wil.
Twee-eenheid
Met name Calvijn wijst op de twee-eenheid van de prediking en het werk van de Heilige Geest. In de prediking horen we de stem van Christus en 'de Heilige Geest is de band, waardoor Christus ons krachtdadig aan Zich verbindt'. Door het werk van de Heilige Geest krijgt het Woord een plaats in ons hart en de Geest eigent Christus en Zijn heil alleen door de prediking toe. Wie één van deze beide kanten uit het oog verliest of ze van elkaar scheidt, vervalt al snel in eenzijdigheden.
Calvijn noemt het geloof: 'aannemen, wat ons voorgesteld is uit de mond van God, met zulk een eerbied, dat wij daaraan gebonden zijn en dat alle twijfel bij ons wordt uitgesloten'.
Op de vraag, hoe wij tot het geloof komen, geeft Calvijn een tweevoudig antwoord. Enerzijds spreekt hij over het werk van de Heilige Geest. Die als de Magister internus, de inwendige Leermeester, het Woord dat wij horen in onze harten verzegelt. Hij schrijft: 'Want evenals God alleen een voldoende Getuige is aangaande Zichzelf in Zijn Woord, zo zal dit Woord niet eerder geloof vinden in de harten der mensen, dan wanneer het door inwendig getuigenis van de Geest bezegeld wordt'. Tegelijk wijst Calvijn op de scheppende kracht van het Woord zelf. Het is immers door de Heilige Geest ingegeven. We horen er de roeping van God in, die met grote kracht tot ons komt: 'Weliswaar is het geloof een bijzondere gave van de Geest Gods, maar toch, wij moeten niet tegenstreven, wanneer Hij zo vriendelijk tot ons spreekt, ons nodigt en ons niets vraagt, dan dat wij met Hem verenigd worden om te genieten de volheid der weldaden, welke Hij neergelegd heeft in onze Heere Jezus Christus'. Elders vat Calvijn de twee kanten aan Gods werk samen en zegt: 'Christus maakt door het geloof levend, namelijk door Zijn Woord een verborgen kracht in te storten, zodat het tot in onze dode zielen doordringt'.
Duidelijk is, dat Calvijn niet uitgaat van een bepaald schema of scherpe tegenstellingen, maar in het geloof zijn gemeente aanspreekt vanuit de volheid van Gods beloften. Wedergeboorte en geloof, werk van de Heilige Geest en prediking van het Woord worden niet tegen elkaar uitgespeeld, maar in nauw verband met elkaar verkondigd, waarbij telkens op één van beide het hoofdaccent ligt.
Getuigenis van de Heilige Geest
Een bijzondere plaats geeft Calvijn aan het getuigenis van de Heilige Geest. Ik denk, dat juist bij onzekerheid en vragen rond de toe-eigening van het heil de woorden van de reformator ons veel duidelijkheid kunnen geven. We noemden reeds zijn uitdrukking: Inwendige Leermeester. Hij zag daarbij tweeërlei werk van de Heilige Geest: openbaren aan het verstand en verzegelen aan het hart. Dat blijkt ook uit de definitie van het geloof: 'een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, welke gegrond is op de waarheid van Zijn genadige belofte in Christus, door de Heilige Geest aan ons verstand wordt geopenbaard en in ons hart verzegeld'. Waar de Heilige Geest werkt, zien we de waarheid van het Woord, dat ons gepredikt wordt. Het gaat ons aan, in zijn oordeel en vrijspraak. Onze naam wordt genoemd, we worden persoonlijk door de Heere geroepen. We gaan erkennen, dat het waar is, wat de Heere zegt en verlaten ons erop. Het getuigenis van de Heilige Geest is niet de grond, waarop ons geloof rust, maar het middel waardoor wij tot het geloof in de Schrift worden gebracht. Prof Veenhof vat het aldus samen: 'Dit getuigenis is een kracht, een werking van de Geest, waardoor wij ertoe gebracht worden het in zichzelf goddelijke en gezaghebbende Godswoord der Schrift, dat zich, onafhankelijk van de menselijke reacties daarop, als zodanig manifesteert, metterdaad ook als zodanig te leren kennen en gelovig te aanvaarden'. Dat geldt ook voor de inhoudelijke kant van de zaak. Wij worden door dit getuigenis van de Geest 'ook verzekerd van de waarachtigheid van de boodschap van God, het evangelie van Jezus Christus, zoals die ons door de Schrift op de ziel worden gebonden.
En dan zó, dat wij zeker zijn, dat die ook ons geldt, dat wij daarin zaligmakend betrokken worden... Of anders gezegd: het getuigenis van de Heilige Geest bewerkt in ons niet alleen de zekerheid omtrent de z.g. 'objectieve waarheid' van de belofte van het Evangelie, maar evenzo en niet minder en in onlosmakelijk verband daarmee ook de zekerheid omtrent onze 'subjectieve' gemeenschap, ons deelhebben aan de inhoud van de belofte. Dat wil zeggen: 'aan Christus en het heil in Hem'.
We moeten er in dit verband goed op letten, dat de Heilige Geest altijd overtuigt van de vastheid van het Woord. Hij leert ons de Heere als de belovende God geloven. In Hem ligt onze zekerheid. De geloofszekerheid is niet, dat ik zeker weet het geloof te hebben, maar dat ik zeker weet, dat God Zijn Woord ook voor en aan mij zal waarmaken. Het getuigenis van de Geest is dus niet een bijzondere stem, een wonderlijke openbaring, maar de innerlijke overtuiging, dat het Woord waar is en dat het ook voor mij waar is. Dat gaat niet buiten ons om. Waar we aan de ene kant hebben te waken voor het bijzondere, mystieke spreken over openbaringen buiten het Woord om, moeten we anderzijds ook oppassen voor een uitsluitend verstandelijk toestemmen van het evangelie. Niet voor niets spreekt Calvijn ook over de noodzaak, dat wij arm voor God worden. We kunnen het evangelie niet als een ongebroken mens ontvangen. Wie zich in waanwijsheid hoog acht, moet van de troon af om het Woord echt te leren verstaan. Calvijn schrijft: 'Het is dus nodig, dat God ons geheel teneergeslagen heeft, opdat wij door Zijn hand opgericht worden... Wij moeten komen met een verslagen hart... Ziet dan, hoe de gelovigen zich niet kunnen verheugen in God en in de genade, die hun gegeven wordt door onze Heere Jezus Christus, tenzij zij eerst door vreze ontroerd zijn geworden'.
Zou het Woord van dé prediking ons soms daarom zo weinig nut doen, omdat we die vernedering vanuit onszelf altijd ontvluchten? Veel onzekerheid kan voortkomen uit zelfhandhaving, omdat we niet echt arm voor God willenworden en niet luisteren naar Zijn stem. Over de zekerheid en het komen daartoe willen we het een volgende keer hebben.
A. W. van der Plas
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's