Belijdenis als verwondering
De trouw van God
De tijd dat belijdenis doen in het midden der gemeente als iets traditioneels en vanzelfsprekends gezien werd is grotendeels voorbij. Velen zijn geneigd dit toe te juichen. Er zit aan dit (tijds) verschijnsel minstens een positieve kant. Men wil ten aanzien van het afleggen van openbare belijdenis zich al langer hoe minder laten leiden door een bepaalde kerkelijke gewoonte, die een geestelijk uithollingsproces onder de leden van de gemeente van Christus slechts in de hand werkt. Mij dunkt daar is niets op tegen en alles voor. We kunnen er alleen maar dankbaar voor zijn als iemand ten opzichte van een zo belangrijke geestelijke beslissing verantwoord wil handelen. Niet alleen omdat de gemeente, of de kerkeraad u eventueel op uw afgelegde geloofsbelijdenis later kan aanspreken, maar vooral omdat God er zeker op terugkomt.
Toch heeft het loslaten van christelijke en kerkelijke gebruiken een bepaald niet ongevaarlijke kant. Het wordt vaak immers heel gewoon er maar helemaal niet meer aan te beginnen. De weg van de minste weerstand te kiezen. Je bergt dan je verantwoordelijkheid voor je eigen gevoel veilig op achter de zogenaamde 'eerlijkheid', dat je beter geen belijdenis kunt doen dan het op de Verkeerde manier te doen. Want als ik kijk naar die en degene die ook belijdenis gedaan hebben, en wat zij ervan terechtbrengen, dan hoeft het voor mij niet eens. Op die manier ontsla je je zelf van elke verplichting, jegens God en Zijn gemeente. De band met de kerk wordt gaandeweg losser, en je beseft niet meer dat niet kiezen ook kiezen is. Het hoeft geen betoog dat zo'n levenshouding de kerk grote zorg baart. Met de verantwoordelijkheid verdwijnt ook de belangstelling, en het aantal kerkverlaters groeit onrustbarend. We gaan weer de tijd beleven dat de Kerk klein geworden is en bijna tot niet gekomen schijnt.
In dit kleine woordje 'bijna' ligt evenwel een krachtige belijdenis opgesloten. Het geloof belijdt hiermee dat de poorten der hel de gemeente niet zullen overweldigen. God is er! Nee, niet ook nog, als een laatste strohalm die vandaag of morgen toch afknapt, maar als de rostvaste grond van onveranderlijke Verbondstrouw. En daarom is de morgen waarop nieuwe lidmaten nog steeds komen, afgezien van de steeds kleiner wordende aantallen, vol van verwondering. Een klaar bewijs dat de Heere Zijn gemeente nog niet in de steek laat, getuigenis van Zijn doorgaande verkiezing. Ontmoedigde Elia's van alle tijden mogen hier vernemen: 'Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden naar de verkiezing der genade'. De belijdeniszondag is een dag die overloopt van Gods trouw.
De trouw van God in je persoonlijk leven
Uitzonderingen daargelaten kan van de meeste nieuwe lidmaten gezegd worden: je bent in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen' (H. Cat. antw. 74). Het erf des verbonds, waarop je geboren bent is het terrein waar God Zijn bijzondere genade in Zijn lieve Zoon Jezus Christus openbaart. In deze openbaring krijgt Gods verkiezende liefde gestalte. Het gehalte, de inhoud daarvan ligt verankerd in het woord: komt de belofte toe en uw kinderen (Hand. 2 : 39). Zo ben je in relatie gezet van de realiteit met de verbondsweldaden van de Verbondsgod. Je verkeert onder de bijzondere belofte en aanbieding van het heil in Jezus Christus. Je staat van je prilste levensbegin onder de zeer bijzondere zorg van dat verbond, en de God des verbonds eist je leven en je hart voor Hem en zijn schone dienst helemaal op. Je kunt nooit meer zeggen dat je een blanco verleden hebt, nu God Zelf in het teken en zegel van de Doop Zijn hand op je gelegd heeft. De Heere heeft maar niet je levenspad even vluchtig gekruist, en je uit de verte gegroet. Hij is op je afgelopen en komt nog steeds op je af, vele dagen en vele jaren lang. Op de dag van je belijdenis mag je je daarover wel allermeest verwonderen. God heeft het met jou en ons allemaal volgehouden. 'Gij hebt mij van mijn kindse dagen, geleid en onderricht' zingt de psalmist. Van jou geldt ook wat Paulus eens aan Timotheüs schreef: 'Gij hebt van kindsbeen af de Heilige Schriften geweten, die u wijs kunnen maken tot zaligheid' (2 Tim 3 : 15).
Een aangrijpend heerlijke gedachte, dat Hij u (lang voor het tot uw bewustzijn doordrong) reeds omringt heeft met het Woord- U in Zijn genadebemoeienissen betrokken heeft. In uw geboorte uit gelovige ouders – in uw doop- in het gebed van vrome ouders en grootouders- in uw Christelijke opvoeding- of ook in uw levensleidingen, die Hij later met u gehouden heeft. Hij opende voor u de kostelijke schrijn van Gods heilige woorden. Hij heeft u daarin al de heilssieraden, de verbondsweldaden getoond. Door de genadige beschikking Gods ben je reeds in de kerk ingelijfd en in je belijdenis wordt je opgeroepen om dat te gelóven, te erkennen, je daarop te bezinnen en je daarover te verwonderen. En achter je is de stem om niet af te wijken ter rechter of ter linkerhand en die stem zegt: 'Dit is de weg, wandel in dezelve'. Laat er iets van deze verwondering in je hart zijn, het zal je aansporen tot het gebed om te mogen luisteren naar Gods Woord, er voor te mogen vallen. Daar ligt het begin van het onwederstandelijk werk van de Heilige Geest, en beken dat God je al deze weldaden onverplicht heeft willen schenken. Uit die verwondering over Gods trouw in je persoonlijk leven wordt het stil gebed geboren, waarbij Gods beloften in je doop verzegeld en in de Schrift verankerd, je voor ogen staan. Of er dan niet méér nodig is dan alleen delen in de voorrechten van het verbond? Ongetwijfeld! Waarin bestaat dit meerdere? Dát de Heilige Geest, Die ook bij de doop je is toegezegd, toeëigent hetgeen wij in Christus hebben. In de worsteling om die Geest komt het tot een keus, klemt in elk geval de persoonlijke verantwoordelijkheid.
Belijden is kiezen
Onder de klem van je verantwoordelijkheid en in het besef van je onmogelijkheid om uit jezelf op Gods verbondsweldaden positief in te gaan, heb je de Heere en Zijn Geest te meer nodig. Dat is op zichzelf al een keus. Zij uit zich in het gebed: 'Heere tot Wien zullen wij anders heengaan. Gij hebt de woorden van het eeuwige leven'. Je beseft dan tegelijk de vreselijke mogelijkheid om onder welk voorwendsel ook de uitgestoken hand van de Heere af te slaan. Er zijn ook kinderen des Koninkrijks die buitengeworpen worden. Moet ik, zo denkt iemand, belijdenis doen? Ik heb er toch niets van terecht gebracht, en ik weet zeker dat ik er ook in de toekomst niets van terechtbrengen zal. Goed een verbondskind, maar ik weet dat God op antwoord wacht. Hij zegt: Mijn zoon, mijn dochter geef Mij uw hart. Niemand heeft zijn eigen hart er in mee, ook onze jonge en oudere belijders niet. Dat werpt je in de strijd. Dat moge je op de knieën brengen. Dat is de beste plaats om het uit te vechten. Ik noem het een grote genade als je dáár beginnen mag. Al moet je dan ook je belijdenis tegemoet met veel strijd, dat toch liever dan onder de klem vandaan en je terug te trekken in de zogenaamde veilige zône, waar het overigens lang niet veilig is. Het is de dode hoek, waar Satan zijn tienduizenden verslaat. Misschien ben je al veel eerder met die keus in de nood gebracht, al vóór je belijdenis hebt gedaan. En nu je op het punt staat toch, ondanks tegenvallers en teleurstellingen in jezelf. Zijn Naam te belijden, mag je in de vreze des Heeren, met een bevend hart wellicht, maar ook met stille verheuging niet verbergen dat je alle kracht en hulp alléén van Hem verwacht. Zo kies je de welgebaande wegen.
Het is naar het Woord als we de ure van onze belijdenis kenschetsen met het woord kiezen. Ik bedoel dat niet in de oppervlakkige zin, waarin we het vandaag zo vaak vernemen. Maar toch is de prediking, die een krachtig appèl inhoudt bitter noodzakelijk. Opdat we de zaak van het Koninkrijk Gods niet op zijn beloop laten, waartoe we uit onszelf al te zeer geneigd zijn. De oproep tot de keus komt van die God, Die Zijn verkiezing laat stromen door de bedding van het Verbond.
Is dan de keus des harten geen genade? Nou en of, helemaal! Te denken valt aan het samen zijn van Jezus met Zijn discipelen in de laatse nacht van zijn leven, die zo veelbetekenend genoemd wordt: 'de nacht in welke Hij verraden werd'. Die ons de werkelijkheid laat zien van één der twaalven die door zijn aanvankelijke keus een streep haalde en definitief een punt zette achter de omgang met Jezus. Kiezen is niet op jezelf vertrouwen. De andere jongeren geven er ook blijk van. Ben ik het Heere? Was hun verlegen vraag, toen Jezus sprak: 'één van u zal Mij verraden.' Maar er gebeurt meer. Jezus zegt tot de anderen: 'Ik heet u niet meer dienstknechten, maar ik heb u vrienden genoemd'. Daarmee roept Hij het begin in hun herinnering. Weet u het nog? Er was een tijd dat het woord tot u doordrong 'Volg Mij'. En er gebeurde metterdaad iets. Samengevat gold van ieder: Wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd. Was dat niet het wonder van verkiezende liefde, die bracht tot de keus? Was dat niet het wonder van het kiezen? Kwam dat kiezen uit hen voort? Des te schijnender is de vrees die in de laatste dagen op hen afkomt. Des te rijker ook Gods wonderbare trouw die zich over hen welft Jezus ontvouwt het geheim van hun keus.
Dit geheim is:
Verkiezende liefde
Als we bij onze belijdenis alleen maar nadruk leggen op òns kiezen, dan doen wij geen recht aan de volheid van de evangelische boodschap. Niet ù hebt gekozen. Dat is even ontdekkend, mensvemederend, en tegelijk Godverheerlijkend. De eigenlijke inhoud van het evangelie zegt Christus is deze: Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren'. De vraag is hier, bedoelt Jezus dit zuiver ambtelijk, dus dat ze verkoren zijn tot de verkondiging van het evangelie? Calvijn en velen met hem geven hieraan de voorrang. Dan zou deze verkiezing dus niet direct alle gelovigen gelden. We erkennen dit graag. Niettemin erkent Calvijn 'dat Christus Zijn genade hier zó verheft, dat zij wel tot Apostelen verkoren waren, maar dat Hij meteen de eerste genade, waardoor zij in Zijn lichaam ingelijfd waren daarbij voegt'. De woorden uit John 15 : 16, zijn niet los te maken van vers 19, waar Jezus zegt 'Ik heb u uit de wereld uitverkoren'.
Welnu met dit woord mogen we ook naar het uur van onze belijdenis toe. Geldt dan die bijzondere verkiezing tot zaligheid alle belijders zonder meer? We zullen er mee te rekenen hebben dat ook hier niet alles Israël is wat Israël heet. Maar het geldt voorzeker als je in het besef van eigen verlorenheid, onwaardigheid en schuld, voor Gods aangezicht verschijnt, en in het door de Heilige Geest en het Woord gewerkte geloof met Christus in aanraking komt. Je neerbuigt aan Zijn voeten. Geen andere kant meer uit kunt, omdat Geest en Woord je dringen Hem in Zijn zoen- en kruisverdiensten te omhelzen en door de kracht van Zijn opstanding in Hem te gelóven. Waarbij – het zij met nadruk gezegd – niet de mate, maar wel de echtheid van je geloof doorslaggevend is. Alleen in bekering en geloof kunnen Christus heilsgoederen werkelijk je deel worden, zodat je in je armoede van deze rijke troost mag leven: Het bloed en de Geest van mijn dierbare Zaligmaker reinigen mij van al mijn zonden. Bekering en geloof, hoe kom ik er aan? Vraag naar de Heere en Zijn sterkte… En dan zal God je geven met het hart te geloven tot rechtvaardigheid en met de mond te belijden tot zaligheid. Daarop klinkt dan de verzegeling van Christus' wege en tevens de bezegeling van je belijdenis: 'Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb U uitverkoren'. Jezus heeft gekozen. Gekozen met een vrije keus naar vrijmachtig welbehagen. En als onze 'nieuwe lidmaten'(-de keuze hebben gedaan, hopelijk wéten zij dat ook, dan is de openbare belijdenis een bewuste beslissing. Ze kan niet bewust en belist genoeg worden afgelegd. Het is een bevmste verloochening van jezelf. Maar het is en blijft altijd een beslissing van Gods verkiezende genade. Het oprecht geloof werpt je op de beslissing, op de verkiezing Gods terug. Dan is belijdenis een zaak van diepe verwondering en aanbidding van de vrije en vrijmachtige liefde Gods in Christus. Ik hoop dat in de weg van geloof en bekering u mag komen en belijden: Niet wij hèbben gekozen, maar we zijn gekozen. Het een en ander zal blijken uit de vrucht, uit de wandel in een nieuw en godzalig leven. Heere U hebt de laatste verantwoording voor mijn 'ja'. De laatste verantwoording voor mijn 'nee' blijft te mijner verantwoording. Maar geloven en belijden is voor Christus' verantwoording te leven en te sterven. De laatste verwondering zal zijn: 'En onder de miljoenen, heeft Hij ook mij in het oog. Leer zó belijden uzelf als zondaren en Hem als onze Gerechtigheid. Kiezen niet op grond van onze vrije keuze, maar op grond van vrije genade enz. tot roem van Zijn genade. Belijdenis'als verwondering, en belijdenis in verwondering dat het zó is en niet anders.
H. Visser, Katwijk aan Zee
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's