Globaal bekeken
Via een schrijven, gedateerd 31 maart 1887, richtte het classicaal bestuur van de hervormde classis Rotterdam, zich tot de gemeenten in de classis in verband met de onrust, die ontstaan was door de Doleantie. Tevens werden brieven uitgegeven waarop men kon aangeven dat men niet (!) van de Hervormde Kerk wenste af te scheiden. Uit genoemde brief het volgende:
'(…) dat voorzeker in menig opzicht verandering, verbetering, herstelling noodig is, en dat niemand zich ontslagen zal mogen achten van de roeping, om mede te werken tot het verkrijgen van een beteren toestand van zaken in onze Ned. Herv. Kerk, maar dat ook niemand de gelijkenissen mag vergeten van "het onkruid onder de tarwe" en "het vischnet", en ieder bedenken moet dat eene volmaakte Kerk hier op aarde niet gevonden wordt, terwijl naar het woord des Heeren: "Mijn Koninkrijk komt niet met uiterlijk gelaat en is niet van deze wereld", men ook nimmer zal kunnen zeggen: "ziet hier of daar is het". Er is daarom geen kerkorde te denken, die geene verkeerdheden en gebreken omvat, terwijl wij immers nog leven in de strijdende Kerk en worstelen moeten om de overwinning;
dat de wet zelf gelegenheid geeft tot wegneming van verkeerdheden, en dus de weg der revolutie niet ingeslagen behoeft te worden, te minder omdat het voorbeeld van onzen Heiland tegenover de Joodsche Kerk waarlijk geen recht daartoe geeft;
dat men nimmer dient te vergeten, dat men de voorrechten, welke de Ned. Kerv. Kerk geeft, als ambtsdrager of lid dier Kerk slechts geniet op grond van afgelegde beloften, heilige beloften, en dat het waarlijk niet aangaat die beloften ter zijde te stellen en toch de voorrechten, op grond van die beloften verleend, te blijven behouden, maar dat zulks veeleer door het "uw ja, zij ja uw neen neen, wat boven deze is, is uit den booze" veroordeeld wordt. En dat het alzoo misbruik is van die voorrechten, wanneer men zich van de macht, die men op eenigerlei wijze van de Ned. Herv. Kerk in haar midden heeft ontvangen, bedient om tegen haar te strijden.'
'Dat wel is waar nog geen rechterlijke uitspraak onze meening bevestigt, maar dat wij met gerustheid het oogenblik tegengaan, hetwelk eerlang zal moeten komen, waarop ook de burgerlijke rechtspraak het bezit van de goederen der Ned. Herv. Kerk toewijst aan hen, die daartoe behooren en zich aan hare verordeningen blijven onderwerpen; dat men wel bedenke, dat men, door op duidelijke wijze te toonen dat men zich aan de nieuwe vereeniging aansluit, hetzij door de verbinding tot een vast lidmaatschap, door den doop zijner kinderen, het gebruik des Avondmaals, of het bijwonen van eenige vergadering waarin men niet kan worden toegelaten dan na verklaring, op de eene of andere wijze geformuleerd, dat men de afwerping van de synodale organisatie plichtmatig acht en zich daartoe verbindt, feitelijk zichzelven buiten de gemeenschap der Ned. Herv. Kerk sluit en de droeve noodzakelijkheid doet geboren worden, dat broeders voor broeders, die zij zo gaarne aan hunne zijde behielden om met hen te arbeiden aan het herstel der Kerk, de deur dier Kerk moeten sluiten door kerkelijke rechtspraak, niet om heerschappij te oefenen, maar omdat deze zelven heengingen, en de roeping der eersten hun voorschrijft te waken voor de Kerk, die hun de handhaving harer dierbaarste rechten toevertrouwde;
dat vooral kerkeraden, wier gemeenten gelegen zijn in den omtrek van eene gemeente waar zich de nieuwe vereeniging heeft geconstitueerd, met buitengewonen ijver hebben toe te zien, om door getrouw bezoek, nauwgezette zielzorg en ijverige onderwijzing, met broederlijken ernst en zoekende liefde te bewaren, wat bewaard kan blijven, en te behouden, wat verloren kon gaan;
en eindelijk, dat het, zoo ooit, dan zeker nu een tijd van gebed is voor onze deerlijk geschokte Kerk, die ons lief is en vooral waard als het erfdeel onzer vaderen, waarin we opgenomen zijn door den doop, waaraan we ons verbonden door onze belijdenis, welke haar levenskracht betoonde in onze afgestorvenen, die ten hemel gingen, waarin wij wellicht het leven der ziel leerden kennen, die ons in elk geval oproept om overhinderd en onbelemmerd te putten uit de fontein van levend water in Bethlehem ontsprongen, over Golgotha tot ons stroomend, en ons op het hart drukt om altijd en in alles Jezus te erkennen als onzen Heer en Koning, die ons door Zijn Woord en Geest regeert en wil dat wij Gode meer zullen gehoorzamen dan de menschen, maar ook dat alle dingen met orde geschieden.
Waarde Broeders en Zusters: De kerk vraagt ons in deze tijden de toewijding onzer krachten. Laat ons bij alle verscheidenheid in eenheid des geestes ons aan-éen sluiten ter harer bescherming, tot hare wederoprichting, tot haar herstel.
Niet waar, gij keurt het goed dat wij u met dit woord te gemoet komen? Niet waar, wij mogen op uwe medewerking rekenen tot verdediging onzer Kerk? Niet waar, gij wilt met ons het kerkherstel wachten van de behartiging der waarheid: "tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien"? Niet waar, gij wilt met ons anderen waarschuwen, waar zoovelen gevaar loopen door misleiding en onwaarheid zich te laten medevoeren tot de meening, dat men de organisatie van 1816, of wel van 1852, kan ter zijde stellen en toch tot de Ned. Herv. Kerk kan blijven behooren?
God zegene uwe gemeente! Hij zegene haar in. Hij zegene haar door u. Hij beware haar voor onrust en beroering. Hij geve u de wijsheid welke gij behoeft, thans meer dan ooit behoeft als wachters op de muren van Sion. Wij bevelen u Gode en het Woord Zijner Genade, die machtig is u op te bouwen en u een erfdeel te geven met Zijne geheiligden.'
Namens het Classicaal Bestuur van Rotterdam, bestaande uit de H.H.: ds. Th. N. Crousaz, president, dr. W. Astro, assessor, dr. T. F. Westrik, ds. G. J. Vos Flz., dr. A. J. Th. Jonker, ds. J. Ph. van der Land, A. Keuzekamp, G. Labots Jr., A. C. Boot, ds. C. de Wilde Cz., scriba.
Ds. A. de Haan beschreef de geschiedenis van de Egyptezending in kort bestek. Deze Egyptezending stond onder beheer van een Ermelose vereniging en staat nu onder verantwoordelijkheid van de Raad voor de Zending van de Ned. Herv. Kerk. In de Berichten van de genoemde vereniging verscheen in 1894 een lied van de heer Hulstbos 'bede vooreen kerk te Calioub'. In 1910 verscheen opnieuw een lied, nu een 'danktoon' ter gelegenheid van de opening van die kerk. Hier volgen ze beide.
'Uit het land der Pyramiden
Dringt een roepen tot ons door,
– Ga die stemme niet te loor –
Om daar ginds uwe hulp te bieden;
Geld voor hout, en kalk, en steen;
Zegt het voort, door Holland Heen!
d'Oogst is groot, het graan aan 't rijpen,
maar de maaiers zijn gering!
Och, dat meenge zendingskring
In een volle kas mocht grijpen,
En een steen voor 't nieuwe Huis,
Neêrlei aan des Heeren kruis!
Ga het werk daar niet verloren;
in het Land der Halve Maan;
Dat er meerder boden gaan
Om 't verachte er op te sporen,
Opdat heel Egyppte kniel'
Voor den Redder zijner ziel!
Roept het uit langs Holland's stranden,
d'Aanvang van 't vervulde Woord,
't Geen het "land van Jozef" hoort!
Maakt u op, gij trage handen!
Opent hart, en beurs, en hand
Voor een tempel in dat land!
Uit het land der Pyramiden
Klinkt nog luider thans die stem;
"t Is alleen ter eer van Hem,
Die U al zijn heil wou bieden;
Zegt het voort, door Neêrland heen!
Zendt uw gaven, zendt uw beên!"
Uit het land der Pyramiden
Treft een juichtoon thans ons oor;
Ging de roepstem niet te loor.
Om daar ginds wat hulp te bieden?
…
Door des Heeren liefde en trouw
Staat er 't nieuwe kerkgebouw!
Heb dies dank voor al uw gaven,
Neerlands Christ'nen op deez' dag.
Dien het "land van Jozef" zag.
Dat de Heer' U moge laven
Met zijn liefde en gunst te zaâm
Looft zijn' grooten, rijken Naam!
Heer, woon zeeg'nend in het midden
Van uw Kerk, daar ginds geplant
In het oude Egypteland.
Leer ons geven, leer ons bidden
Om uw volheid en genâ,
't Allen tijde, vroeg en spâ!
Breid beschermend uwe handen
Over volk en tempel uit,
Word' het nieuwe Huis geen buit
Van des vijands roof of branden.
Laat er 't Woord voorspoedig gaan
Door uw rijke wonderdaân!
Geef, dat ras de tijd moog naadren,
Dat alom het Kruis verwint,
En uw woord de volkren bindt
Tot een kudde, één saamvergaadren.
Lof en eer en heerlijkheid
Zij u tot in eeuwigheid!'
De bekende schrijver C. S. Lwesis schreef in 1961 een boekje 'Verdriet, dood en geloof'. Een man verliest zijn vrouw door kanker en beschrijft zijn gevoelens. Uit dit boekje vertaald door wijlen H. M. van Randwijk (heruitgave T. Wever, Franeker) twee passages.
• 'Je kunt iets niet goed zien als je ogen beneveld zijn met tranen. Als je iets te graag wilt kun je het juist dáárom niet krijgen; in ieder geval kun je er niet van genieten. "Komaan, laten we eens een echt goed gesprek met elkaar hebben", brengt iedereen tot zwijgen. "Ik moet vannacht goed slapen", loopt uit op uren wakker liggen. Als men werkelijk een brandende dorst heeft doet de smaak van de lekkerste dranken er niet meer toe. Is het zo dat het juist de intensiteit van ons verlagen is, die het ijzeren gordijn dichttrekt en ons het gevoel geeft, denkend aan onze doden, in een vauum te staren? "Zij die vragen" (tenminste "zij die blijven zeuren") worden overgeslagen. Zij kunnen misschien niet eens ontvangen.'
• 'Komt men er zo gauw overheen? Maar de woorden zijn dubbelzinnig. Te zeggen dat de patiënt over een operatie aan de blindedarm is heengekomen is tot daaraan toe; maar nadat zijn been is geamputeerd wordt het heel wat anders. Na zo'n operatie, geneest de bloederige stomp of de man sterft. Als het geneest zal de scherpe, nooit aflatende pijn ophouden. Straks zal hij ook zijn kracht herwinnen en in staat zijn om met zijn houten been rond te strompelen. Dan is hij "er over heen gekomen". Maar waarschijnlijk zal hij heel zijn verdere leven de telkens terugkerende pijn in de stomp voelen, en waarschijnlijk erge pijn en hij zal zijn hele verdere leven een man-op-één-been blijven. Er zal nauwelijks een moment zijn waarop hij het vergeet. Een bad nemen, aankleden, gaan zitten en opstaan, zelfs in bed liggen, alles zal anders zijn. Zijn hele manier vanleven anders worden. Allerlei vormen van geneugten en activiteiten, die hij eens vanzelfsprekend vond, zal hij nu moeten afschrijven. Plichten ook. Ik ben op het ogenblik bezig te leren met krukken te lopen. Misschien krijg ik straks ook een houten been. Maar ik zal niet meer een tweevoeter zijn.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's