De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestelijk vandalisme

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestelijk vandalisme

11 minuten leestijd

Het artikel, dat ik twee weken geleden schreef over 'verdwijnende stip in achteruitkijkspiegel', naar aanleiding van ontwikkelingen in het evangelisatiewerk, kreeg een onverwacht vervolg. Ik schreef in dat artikel dat de boodschap van de kerk naar buiten zal moeten harmoniëren met de boodschap naar binnen. Dat wil zeggen dat het ook in het evangelisatiewerk zal moeten gaan om de boodschap van zonde en genade, de boodschap van Christus voor verlorenen. Hoezeer ook de consequentie van het Evangelie maatschappelijke betrokkenheid is, de boodschap mag daarin niet opgaan.
Welnu, één van onze legerpredikanten vroeg mij in een groep te komen om ook een stukje praktijk van binnenuit mee te beleven. En zo zat ik van de ene dag op de andere in het Protestants Geestelijk Vormingscentrum Beukbergen te Huis ter Heide, waar een groep onderofficieren in conferentie bijeen was ter afsluiting van hun opleiding.
Ter inleiding van het gesprek had de legerpredikant vier vragen geformuleerd, die door ieder vooraf werden beantwoord, waarbij bij elke vraag verschillende mogelijkheden waren aangegeven. 'Wat vind je van de kerk?', 'Ga je zelf naar de kerk?', 'Is de Bijbel voor jou nog van betekenis?', 'Hoe denk je over het geloof in God?', 'Hoe zie je het geloof?'
Ten aanzien van kerkgang, geloof in God en Zijn Woord, bleken er twee positief in hun antwoord. Voor de overigen betekenden kerk en geloof weinig of niets, hetgeen dan in verschillende bewoordingen werd geuit. Wel vond men dat de kerk een belangrijke boodschap kan hebben, namelijk voor anderen.


Op zich lag bij laatstgenoemde uitspraak best een invalshoek voor het gesprek. Dat gesprek kwám er dan ook, tenslotte in grote openheid zelfs. Maar dan blijkt inderdaad dat over God, hoewel bij velen de verre Afwezige, nog wel op één of andere manier te praten valt. De Nederlandse Geloofs Belijdenis zegt dat we Gods hand opmerken in de werken van de schepping. Die gedachte bijvoorbeeld spreekt ook vandaag nog wel aan. Maar dat we Hem 'klaarder en volkomener' kennen uit Zijn Woord is voor wie het Woord Gods niets zegt een vreemde gedachte.

Niet zodra komt men ook bij de Persoon en het werk van Jezus, of men is in ieder geval op de Schrift aangewezen. En dan blijkt men niet zó maar de invalshoek bij buitenkerkelijken te vinden voor het gesprek aangaande Christus. Daarom beaam ik ten volle dat het niet zó eenvoudig is om de boodschap naar buiten te laten harmoniëren met de boodschap naar binnen in de kerk. Hoewel de vreugde ook des te groter is als er openingen gemaakt mogen worden om het gesprek op gang te krijgen.

In de tijd dat ondergetekende nog bij het voortgezet onderwijs was, was er, op een school die voor meer dan vijftig procent uit ongedoopten bestond, hetzelfde probleem om opening te vinden voor de boodschap van het Evangelie. Maar die opdracht is intussen onopgeefbaar. Het woord van Paulus, dat Hij niemand anders wenste te weten dan Jezus Christus en die gekruisigd, zal in álle arbeid der kerk het centrum dienen te zijn.

Binnen de gemeente mag overigens wel meeleven mét en begrip zijn vóór de moeilijke positie van werkers op vooruitgeschoven posten. De legerpredikanten mogen zo bepaald ook wel een plaats hebben in de voorbede binnen de gemeente. Zij werken niet met het meest gepolijste materiaal en hun woorden schampen bepaald ook niet zelden af op onbegrip, weerstand, onverschilligheid en een bruut afwijzende houding. Maar ook zij, als ze voluit in de dienst van hun Zender staan, zullen de momenten van vreugde kennen over opening, die God zelf maakte en maakt.

Weerstand
Wat de weerstand tegen het Evangelie betreft liet één ding me na Beukbergen niet meer los. De titel van deze bijdrage is er aan ontleend.
Midden in een gesprek over de betekenis en de waarde van de Wet der Tien Geboden voor mens en samenleving – paaltjes langs de weg van het leven om ons voor afdwalen te behoeden en 'de mens ten goede' – verstoutte ik mij tot een vermetele opmerking. Ik waagde de stelling dat onder de voetbalvandalen, waaraan ons land vandaag zo rijk is (niet alleen aan voetbalvandalen trouwens), geen mensen te vinden zijn, die bij het Woord van God leven. Nu, dat zou dan wel zo zijn, maar intussen kwam er wel één en ander los. Wat te denken van de godsdienstoorlog van Khomeiny? Dat mag dan nog ver van ons christelijke bed zijn, het komt al dichter bij wanneer de godsdiensttwisten tussen rooms katholieken en protestanten in Ierland aan de orde komen. Maar nóg dichter bij kwam het toen bepaalde situaties in christelijke gemeenschappen, gemeenten of in christelijke dorpen ter tafel kwamen. Ze werden als in een adem met het genoemde vandalisme ter tafel gebracht. In de groep waren er nog wel enkelen met een geschiedenis in deze.
Het meest schrijnend was het, althans zo verging het mij, dat ter tafel werd gebracht de situatie in een bepaalde gemeente in ons goede vaderland, waar men zeer kerkgetrouw en Bijbellievend was, maar waar intussen de ruzies, de kerkelijke twisten niet van de lucht waren, om over het christelijk omgaan met elkaar dan maar te zwijgen. Dat mag dan niet de naam van voetbalvandalisme dragen, maar men zou toch van gééstelijk vandalisme kunnen spreken. Ieder dwingt de ander, is het niet goedschiks dan kwaadschiks, om te lopen op het paadje van zichzelf en doet hij of zij dat niet, dan is men elkaars vijand.

Het tweede – en ook dát is herkenbaar – was het punt dat men zich vestigde in een gemeente van rechtzinnige signatuur, komend uit een gemeente van minder 'zware' snit (en zo was het gebeurd bij enkelen), waar men zich dan de maat voelde gemeten. Men moest zich voegen in een gedragspatroon, waaraan men niet gewend was, en één en ander werd soms verwoord in een taal, die bedreigend, om niet te zeggen 'verdoemend' overkwam.
Het gaat hier om bekende kwesties. Een kerkeraad heeft toezicht over de gemeente en krijgt te maken met pastoraat bij 'gemengde' huwelijken, huwelijksinzegeningen, dooppraktijk. Maar ook los van deze concrete zake krijgt men überhaupt contact met diegenen, die zich uit een andere gemeente vestigen of van buiten de kerk in aanraking komen met de gemeente. Als er dan sprake is van afwijkend gedragspatroon, waarbij de kerkeraad ervan overtuigd is dat men naar de inzettingen des Heeren handelen moet en ook metterdaad handelt, dan kan dat grote spanningen oproepen. En dan zullen er ook weleens fouten worden gemaakt.


Nu weet ik best dat er ook wilde verhalen door betrokkenen verteld kunnen worden waarbij men zou wensen ook de andere kant, in dat geval de predikant of de kerkeraad, eens te horen. En ook het wijzen naar 'toestanden' in een gemeente kan een afleidingsmanoeuvre zijn om zelf te ontkomen aan de klem van een gesprek, of van een oproep om naar het Woord Gods te leven. We kennen opmerkingen als: 'kijk eerst maar eens hoe het in de kerk zelf toegaat, daar is het ook niet alles'; en 'leer ze me kennen die mensen in de voorste bank'.
Het zal allemaal waar zijn maar in onze samenleving, die méér en méér aan de ontkerstening wordt prijs gegeven, moeten we niet onderschatten welke weerstanden de concrete kerkelijke praktijk ook bij de buitenstaander oproepen kan. En heus niet alleen bij diegenen, die nog met frustraties vanwege een niet verwerkt kerkelijk verleden rondlopen. Het geldt ook voor diegenen, voor wie de kerk niets zegt, die nooit écht in aanraking kwamen met Bijbel, kerk en geloof maar toch niet jaloers gemaakt worden door wat de kerk naar buiten uitstraalt.

Belemmering van het getuigenis
Als christenen elkaar bestrijden wordt dat door de buitenwereld niet begrepen. Oprechte zoekers worden zelfs in verwarring gebracht. 'Waar moet ik dan heen, bij welke kerk moet ik me voegen, als ze allemaal pretenderen de waarheid in pacht te hebben?' Zo'n vraag is begrijpelijk. De verdeeldheid van de kerk is een grote sta-in-de-weg voor het getuigenis van de kerk naar buiten. Dat geldt al in het groot, als het gaat om wat de nieuw testamentische gemeente naar Israël toe uitstraalt. In het Nieuwe Testament lezen we ervan dat we Israël tot jaloersheid moeten verwekken.
De joden kunnen echter maar moeilijk de Messias bij christenen ontdekken omdat er zo wéinig vrede (en gerechtigheid) en zovéél verdeeldheid is. In Israël tuimelen op de 'heilige' plaatsen de kerken over elkaar heen, tot een belaching voor de wereld maar ook voor Israël.

Zo is het intussen ook gesteld met het gelaat van de kerk voor buitenkerkelijken. Er is geen aantrekkelijkheid aan. Als het al voorkomt – en het kómt voor – dat de kerkelijke vreemdeling, dat wil zeggen degenen die van buiten komt, in een gemeente niet welkom is, of in ieder geval niet opgevangen wordt, hoe zal het dan zijn met de opvang van diegenen die écht 'vreemd' zijn aan wat in de gemeente ter plaatse geschiedt? Wanneer die vreemdeling dan in de gemeente ter plaatse of tussen gemeenten, die het van dezelfde Bijbel moeten hebben, ook nog zoiets als geestelijk vandalisme aantreft dan is het getuigenis van de kerk wel helemaal geblokkeerd.
Wat is feller dan godsdiensttwist? Waar laaien de emoties hoger op dan waar geestelijke verschillen van inzicht aan de dag treden? Als dan de liefde ontbreekt kunnen kerkeraadskamers pijnbanken, gemeenten snijzalen en dorpen slagvelden worden. Hetzij doordat men elkaar doodzwijgt, hetzij doordat men elkaar doodkijkt, hetzij doordat men woorden op elkaar afschiet als vurige pijlen.
Nogmaals, laten we niet onderschatten wat dat voor de buitenstaander betekent.

Het gesprek in de poort
Dan nog dat tweede aspect. Hoe benaderen we hen, die totaal vervreemd zijn van het Woord Gods, ook als we er op één of andere wijze in de gemeente mee in aanraking komen, bijvoorbeeld doordat jongeren kennis krijgen aan iemand van buiten de gemeente. Gesprekken kunnen dan uiterst kwetsbaar zijn. Heel gemakkelijk worden te goeder trouw brokken gemaakt, soms al louter door het gebruik van taal, die niet meer verstaan wordt. We mogen zelfs de meest elementaire kennis niet meer vooronderstellen bij menigeen vandaag in onze samenleving. En ook moeten we er maar niet te gemakkelijk vanuit gaan dat er sprake is van één of ander ingeschapen Godsbesef. In een post-christelijke samenleving kan het heel ver zijn weggezakt. Hoe vinden we dan de geestelijke creativiteit om vanuit de gemeente te spreken met degenen die buiten zijn, om het gesprek 'in de poort' vandaag te voeren?
In 1 Korinthe 9 spreekt Paulus erover, dat hij van allen vrij is en dat hij zich aan allen dienstbaar heeft gemaakt om er méér te winnen voor het Evangelie. De Joden is hij een jood geworden om hen te winnen. Mensen onder de wet en mensen zonder de wet, hij wil ze allen nader komen om ze te winnen. 'Ik ben de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enigen behouden zou'.
In deze woorden van de grote heidenapostel ligt de opdracht om geestelijk creatief naar openingen te zoeken om met de zwakken van vandaag in gesprek te zijn over het Evangelie van de Gekruiste en de Opgestane. We zullen hun wereld, hun agressie, hun onmacht, het absolute nulpunt soms, als het om kennis van zelfs de meest elementaire begrippen gaat, moeten kennen en peilen. En we zullen het moeten leren om niet boos te worden als men ons geestelijk pijn doet doordat men met geestelijke begrippen omspringt alsof het wereldse zaken zijn.
Dan houden we de wapens om zo te zeggen op zak. Want wie dan pijlen gaat schieten heeft bij voorbaat verloren. Maar in het zoeken naar openingen voor het gesprek zal wel blijken hoe uiterst moeilijk het is om vandaag de van God en Zijn Woord vervreemde mens echt te bereiken met het Evangelie van Christus.


Beukbergen bepaalde me bij het probleem en de opdracht. Het Evangelie is niet naar de mens, niet naar de godsdienstige mens en niet naar de wereldse mens. Het is wel vóór de mens, juist in de ergerniswekkende boodschap van het Kruis. Wee ons als we echter ergernissen oproepen die aan het Kruis vreemd zijn. Geestelijk vandalisme bijvoorbeeld, zoals dat dan op de buitenwereld overkomt, is dan minstens zo erg als voetbalvandalisme. En wel vanwege het groene en het dorre hout.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1987

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Geestelijk vandalisme

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1987

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's