Prediking en geloof (5)
Al eerder kwam de vraag naar de zekerheid aan de orde. De prediking moet landen in ons leven en tot de persoonlijke kennis van God in Christus leiden. Voor Calvijn was een preek zonder toepassing geen echte preek. Daarbij gaat het niet alleen om de vraag, of wij door het geloof delen in de genade van Christus, maar ook hoe wij in Zijn dienst kunnen leven. De prediking moet een antwoord vinden in ons hart en doorwerken in ons leven. Alleen zo zullen wij ook zeker zjn. Het geloof mag geen vraagstuk blijven. Paulus schreef: 'Ik weet Wien ik geloofd heb'. Dat geloof uitte zich ook in vertrouwen op de Heere en Zijn almacht en trouw. In ons dagelijks leven is geloven voor velen het tegendeel van zekerheid. Maar terecht noemt de catechismus het: zeker weten en vast vertrouwen.
Toch blijft de vraag velen kwellen: heb ik dat ware geloof wel? Daarbij komt ook de vraag of wij ons de beloften van God wel mogen toe-eigenen? Word ik bedoeld in de prediking? Is het aanbod van Gods genade algemeen? Die vraag heeft zelfs tot een kerkscheuring geleid en wordt nog steeds verschillend beantwoord. In het korte bestek van deze artikelen kunnen we daarover uiteraard maar enkele dingen opmerken. Wel wordt bij nadere studie duidelijk, dat er een ontwikkeling is in het denken over het geloof, de prediking en de zekerheid. Wat bij Calvijn nog eenvoudig bij elkaar gehouden wordt – de prediking en het werk van de Heilige Geest – is bij latere theologen meer onderscheiden. Ziet Calvijn de zekerheid als het wezen van het geloof, later menen sommigen, dat het tot het wel-wezen van het geloof gerekend moet worden.
Voor deze ontwikkelingen zijn verschillende oorzaken aan te wijzen: de strijd tegen de Remonstranten en de Labadisten en de invloed van de filosofie die, hoe ook bestreden, toch sporen heeft nagelaten. Het eenvoudige, sprankelende denken vanuit de rijkdom van het evangelie zoals dat in de Reformatie aan het licht kwam, ontwikkelde zich tot een meer scholastisch denken, waarin alle facetten van het geloof nauwkeurig worden onderscheiden en in een kader gezet. We merken een toenemend accentueren van de wedergeboorte als moment van levendmaking op, het getuigenis van de Heilige Geest krijgt een andere betekenis, de grond van de zekerheid wordt mede gezocht in het geloofsleven zelf, zodat de kenmerken van het geloof een voornamere plaats in de prediking krijgen. Er wordt meer gepreekt over het geloof en wat het allemaal inhoudt om tot dat geloof te komen. Maar de krachtige oproep tot bekering en geloof, in het kader van de beloften van God, zoals die bij Calvijn duidelijk centraal staat, dreigt zo wat af te zwakken.
Nadere Reformatie
Het daad-karakter van het geloof krijgt minder aandacht dan bij Calvijn het geval is. Wie de lange preek van Comrie over zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus leest met talloze theologische disputen, merkt, dat we hier toch in een ander klimaat zijn beland dan we in de direkte, eenvoudige prediking van de Reformatie aantreffen. In het denken over het geloof wordt de heilsweg steeds meer tot in detail uitgewerkt. Daarbij blijken er ook diverse verschillen van opvatting te zijn. Sommigen menen, dat aan het geloof bepaalde voorbereidende daden van de Heere voorafgaan, wat later 'overtuiging' genoemd wordt. Met name Engelse theologen hebben dit uitgedragen (Perkins, Amesius). Comrie verwerpt dit, omdat hij vreest voor eigen werk. Iets verder in zijn preek stelt hij echter wel, dat er 'voorafgaande dingen' zijn, die de Heilige Geest werkt. Deze algemene werkingen van de Geest behoeven echter niet tot zaligheid te leiden. Daarom waarschuwt Comrie ernstig voor zelfbedrog, waardoor wij menen het geloof te hebben, terwijl we innerlijk nog vreemd zijn aan Christus en Zijn genade.
Opvallend is ook, dat we in de Nadere Reformatie een verandering ten opzichte van Calvijn opmerken, wanneer gesproken wordt over het geloof. Men onderscheidt het vermogen om te geloven (de habitus van het geloof), dat de Geest eerst in het hart legt, en de daad van het geloof (actus), die daarop volgt. Pas waar het eerste is, kan het ook tot het tweede in ons hart komen. Die daad van het geloof omvat dan weer de bekende drie zaken: kennis, toestemming en vertrouwen. Prof. Graafland heeft aangetoond, dat dit denken over de hebbelijkheid van het geloof niet van Calvijn, maar van Bucer en Zanchius afkomstig is. Intussen heeft het wel sterke invloed gekregen op het theologisch denken en werkt het tot vandaag door in de gemeenten.
Het onderscheid tussen de levendmaking door de Geest, het schenken van het 'geloofsvermogen' en de daarop volgende daad van het geloof, dat het Woord aanneemt en Christus omhelst, was uiteraard bedoeld als een middel om remonstrantse gedachten uit te sluiten. Tegelijk heeft het echter de vragen rond de persoonlijke toeeigening van het heil niet gemakkelijker gemaakt. Het direkte verband tussen prediking en geloof als een antwoord op het Woord van God raakte wat uit het zicht. De vraag komt boven: heb ik dat vermogen tot geloof ontvangen? Is de Heere wel met mij begonnen? Of heb ik zelf de weg gebaand, zonder het werk van de Heilige Geest? Mogen we ons de beloften van God wel toe-eigenen door het geloof? Is daar niet eerst het werk van de Heilige Geest voor nodig? In de strijd tegen het Remonstrantisme was het noodzakelijk de levendmaking door de Heilige Geest te verkondigen en de geestelijke doodsstaat van de mens. Maar bij de doordenking van deze dingen ging toch iets verloren van het eenvoudige, dat we bij Calvijn aantreffen. Het geloof werd het voorwerp van studie, waarbij het verband tussen Woord en Geest en het scheppende karakter van het Woord, niet altijd even duidelijk uit de verf kwamen. Kon Calvijn nog zeggen: 'Ik zeg niets anders, dan wat iedere gelovige bij zichzelf waarneemt', nu dreigde het gevaar, dat elke gelovige bij zichzelf ging waarnemen of hij had, wat er gezegd werd.
Kenmerken
In dat licht moet ook het gebruik gezien worden om kenmerken van het geloof te vermelden. Niet altijd was dat gebruik onomstreden. David Knibbe schrijft: 'Kentekenen te geven is een zaak van de uiterste bekommering en voorzichtigheid; immers 't is geen lichte zaak een oordeel te vellen over iemands staat van genade of zaligheid en daarvan kentekenen te geven… Daarom acht ik het veiligst in plaats van kentekenen plichten voor te schrijven'. Toch vinden we bij veel 'oude schrijvers' allerlei kenmerken genoemd, die de gelovige bij zichzelf kan terugvinden. Zij waren kenners van het geestelijke leven, die in hun prediking zoekende zielen de weg naar de zekerheid van het geloof in Christus hebben willen wijzen. Met de kenmerken van het geloof hebben zij mensen, die dreigden weg te zakken in het moeras van de twijfels van hun hart, een houvast willen bieden, door hen te wijzen op het werk van de Heilige Geest in hun leven. Daarnaast hebben zij voor zelfbedrog willen waarschuwen. Het gaat immers om een levend en beleefd geloof. Zij wisten hoe arglistig ons eigen hart is. Juist daarom hebben zij met het zwaard van het Woord allerlei schijnvroomheid willen blootleggen als zonde voor God. Telkens horen we de oproep tot zelfonderzoek. Dat kan leiden tot een voortdurend graven in onszelf, maar kan ook heilzaam werken waanneer het geloof uitsluitend een verstandelijke- of een gevoelszaak dreigt te worden. Het was de zorg voor de kleinen in het geloof, die de kenmerken-prediking in de hand werkte. Dat wordt duidelijk wanneer we bij W. à Brakel bijvoorbeeld een aantal kenmerken lezen van de liefde tot Jezus. Hij besluit dan: 'En komende tot uzelf, gij zijt immers overtuigd, dat die boven vermelde gestalten en bewegingen in u zijn: dies moet gij immers besluiten, ik kan het niet ontkennen, ik wil het niet ontkennen; ik moet zeggen en ik zeg het: Ik heb Jezus lief, schoon een stille vrees enigszms beroert'. Zo roept hij direkt daarna op om de omgang met Christus te zoeken: 'Hoe levendiger gij gelooft, dat gij Jezus liefhebt, al is er nog zoveel bij, dat er niet behoorde te zijn, hoe meer liefde gij zult krijgen. Leven is leven. Waarheid is waarheid'.
Wie de prediking van de Nadere Reformatie in dat licht ziet, kan er niet zo maar aan voorbijgaan.
A. W. van der Plas, Bergambacht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's