Boekbespreking
J. v. Bruggen, Het lezen van de bijbel. Een inleiding. 2e druk, 174 blz., ƒ 25,–; Kok, Kampen 1986. J. v. Bruggen, Wie maakte de bijbel? Over afsluiting en gezag van het Oude en Nieuwe Testament, 138 bIz., ƒ 22,50, Kok, Kampen 1986.
Van deze twee boeken is het eerste al eerder in ons blad besproken. Dat een tweede druk nodig bleek, bewijst hoezeer deze inleiding in de hermeneutiek op prijs wordt gesteld. In het tweede boekje gaat de auteur in op de kwestie van de canonvorming. Tegen veler mening in poneert Van Bruggen dat de discussies in de derde en vierde eeuw rondom bepaalde bijbelboeken geen bewijs vormen dat de canon het product is van kerkelijke beslissingen. Eusebius en Origenes spreken z.i. over de lotgevallen van een reeds geldende canon in een tijd warin het auteurschap van bepaalde bijbelboeken werd bestreden. Ik deel de mening van de auteur, dat de canon niet het produkt is van kerkelijk maakwerk. De houding der kerk is een ontvangende. En het gezag rust niet in menselijke beslissingen maar in het initiatief van de zich openbarende God. Ten aanzien van de door Van Bruggen besproken auteurs heb ik me wel afgevraagd of hij soms niet teveel wil bewijzen. Kan men zo gemakkelijk onderscheid maken tussen vragen aangaande het auteurschap en de canoniciteit? Hing het eerste niet nauw samen met het tweede? M. i. doet het aan de stelling van de schrijver geen afbreuk, als we zeggen dat niet alle boeken in de ontvangen canon van meetaf aan een even vaste plaats hebben gehad en dat de zaak in verschillende delen van de kerk niet gelijk lag ten aanzien van afgrenzing en afsluiting. Maar nogmaals het betoog van Van Bruggen relativeert terecht de argumentatie van geleerden als Von Campenhausen, Kümmel e.a. Goede opmerkingen worden gemaakt over het Schriftgezag, de betekenis van het moderne bijbelonderzoek en het feit dat de huidige bijbelwetenschap niet vrij is van (kritische) vooroordelen. De auteur gaat uit van het geloof in het gezag van Gods openbaring, maar is tegelijk van oordeel dat dit reformatorische Schriftgeloof niet opgegeven behoeft te worden vanwege de wetenschap. De historische argumentatie van kritische zijde is minder sterk dan vaak gezegd wordt. Respect voor de Schriften zoals wij ze van Godswege ontvangen hebben gaat bij Van Bruggen gepaard met grondig exegetisch onderzoek. We kennen de auteur als een origineel en grondig exegeet. Niet altijd is deze originaliteit even overtuigend. Zo ben ik ondanks de door hem aangevoerde argumenten niet overtuigd dat we in Johannes 2 met een andere gebeurtenis te maken hebben dan in Marcus 11 inzake de tempelreiniging. Erkenning van de historische betrouwbaarheid van de Schrift sluit niet uit, dat men rekenen moet met de eigen aard van de bijbelse geschiedschrijving. Te snel valt Van Bruggen m.i. James Barr bij in de consequenties, die deze trekt ten aanzien van de vraag: een of twee tempelreinigingen. In elk geval: het N.T. laat ons niet in het onzekere over het feit van de tempelreiniging. Dat er ten aanzien van de chronologische volgorde verschillen zijn, geldt niet alleen deze gebeurtenis, maar zou op meer plaatsen aan te wijzen zijn binnen de evangeliën. We mogen bij de uitleg de eigen aard en doelstelling van elk van de evangeliën in rekening brengen. En tegelijk zullen we dankbaar mogen belijden dat we in deze geschriften Gods getuigenis ontvangen dat eeuwig zeker is en dat het fundament vormt voor ons geloof.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's