Uit de pers
Aids en de sexuele cultuur
Onlangs is er op initiatief van de Raad van Kerken een beraadsdag gehouden rondom de problematiek van de verbreiding van de ziekte aids. Ook op de vergadering van het Centrale Comité van de Wereldraad in januari kwam, zoals drs. G. Boer meedeelt in Evangelisch Commentaar van 6 maart, dit onrustbarende verschijnsel, dat de afgelopen maanden in de pers veel aandacht kreeg, ter sprake in een hoorzitting. Uit het verslag van Boer blijkt, dat er door de kerken in de wereld zeer verschillend op deze ziekte gereageerd wordt. We worden met een verschijnsel geconfronteerd, dat zoals prof. Runia in het Centraal Weekblad van 20 maart opmerkt, epidemische vormen aanneemt, terwijl er geen medicijnen zijn die genezing brengen. Gezien de lange incubatietijd van de infectie is moeilijk te voorspellen hoe groot het aantal mensen is dat over een aantal jaren aan deze ziekte zal lijden. Duidelijk is dat we de omvang van aids niet moeten onderschatten. Met name in Midden-Afrika neemt de ziekte epidemische vormen aan.
Duidelijk is ook, dat de ziekte samenhangt met de vrijere sexuele moraal die vanaf de zestiger jaren bij velen ingang vond. Juist deze samenhang stelt voor vragen. Een van de antwoorden die gegeven worden, is dat we in aids de straffende hand van God zouden moeten zien. Prof. Runia is van mening dat we met een dergelijke uitspraak zeer voorzichtig moeten zijn.
Ik denk dat men toch voorzichtig met dergelijke uitspraken moet zijn. Ik geloof niet dat men zo gemakkelijk Gods straffende hand uit de concrete geschiedenis kan aflezen. Waarom zou op ons sexuele gedrag wel ineens een direkt goddelijk oordeel rusten en op andere zonden niet? We moeten uiterst voorzichtig zijn met het aanwijzen van de 'vinger Gods' in de geschiedenis, met name als het over anderen gaat! Aan de andere kant mogen we, geloof ik, wel zeggen dat een ziekte als aids laat zien dat wij mensen niet zonder risico's de door God gestelde normen kunnen overtreden. Het vrije sexuele verkeer, waarbij iemand een groot aantal sexuele partners heeft, is volgens de Schrift nooit Gods bedoeling geweest, en mensen die dan toch die kant opgaan nemen daarmee bepaalde risico's op zich. die ze zelf niet kunnen overzien. Dat geldt niet alleen van aids maar van alle geslachtsziekten. Hoe langer hoe meer mensen gaan dit, ook los van godsdienstige overwegingen, zien en pleiten dan ook voor een verandering van levens stijl. Ze zijn er van overtuigd dat we niet kunnen doorgaan op de manier die sinds de sexuele revolutie in de jaren zestig in veel kringen min of meer acceptabel was geworden. Velen pleiten niet alleen voor de uiterste terughoudendheid, maar sommigen breken zelfs weer een lans voor een monogame levenshouding.
Het is echter de vraag of een verandering in levensstijl op grond van angst voldoende is. Met name jonge mensen hebben de neiging om zich van al deze gevolgen weinig aan te trekken. Time rapporteert dat studenten in Amerika geneigd zijn om al die sombere verhalen naast zich neer te leggen. Ze kunnen zich gewoon niet voorstellen dat zij het zelf kunnen krijgen. 'Iemand anders krijgt het misschien, maar ik niet hoor!'. Of: 'zij is veel te aardig, zij kan het onmogelijk hebben'. En zo loopt juist de groep die zich het minst druk maakt over wat er morgen misschien wel zou kunnen gebeuren, het meeste risico. Zelfs in een Amerikaans college waar al een paar studenten aan aids waren gestorven, gingen de anderen gewoon door met hun vrije sexuele gedrag.
Angst is blijkbaar niet genoeg. Wat vooral nodig is. is een verandering in de algemene moraal zelf. Hier en daar komt men het al tegen: een nieuw nadenken over wat sexualiteit voor een mens betekent en wat een mens er eigenlijk mee mag doen. Bij velen ontstaat een nieuwe positieve waardering voor de vaste relatie, en sommigen spreken met een nieuwe achting over het monogame huwelijk. Met andere woorden, er worden vraagtekens gezet achter de 'normen en waarden' die in de loop van de sexuele revolutie ineens populair waren geworden, en er begint een zoektocht naar andere normen en waarden.
Time eindigt het artikel over aids als volgt: 'Mocht aids zich verspreiden in de meest sombere voorspelde proporties, dan zou er wel eens een algemeen alarm kunnen gaan klinken, met als gevolg een toename van de monogamie, van onthouding en van een algemene aanvaarding van nieuwe, harde spelregels. Maar tenzij en totdat dit punt wordt bereikt, kan het aantal slachtoffers wel eens nodeloos stijgen'.
Angst is voor de verandering in levensstijl niet voldoende. Terecht bepleit Runia, een verandering in de moraal zelf, een nieuwe bezinning op wat sexualiteit voor een mens betekent. Tegelijk doet zich de vraag voor hoe deze verandering in de samenleving bewerkt kan worden. De individualisering op het terrein van normen en waarden, d.w.z. de mening 'Ik doe wat ik goed vind' maakt het niet eenvoudig om tot een gezamenlijk gedeeld normenpatroon te komen. De overheid wil niet als zedenmeester optreden, kan ook moeilijk normen en waarden opleggen in een qua denken zo geschakeerde samenleving. En de kerken zijn zozeer aan de rand gedrongen, dat in onze geseculariseerde samenleving de stem van de kerken nauwelijks gehoor vindt. Daarbij komt dat de verdeeldheid binnen de kerken in ethisch opzicht een gezamenlijk spreken van de kerk uiterst moeilijk maakt. Toch wordt er ook weer gekeken naar het woord en de daad van de kerken.
De kerken en aids
In Koers van 20 maart gaat prof. dr. W. H. Velema in op de taak van de kerken terzake van dit epidemisch verschijnsel. Velema wijst er op dat de kerken tot dusver gezwegen hebben, terwijl men in ander opzicht wel van zich laat horen in de samenleving (kruisraketten, euthanasie, Zuid-Afrika om slechts enkele onderwerpen te noemen). De vraag is wat de kerken kunnen doen naast maatschappelijke organen, overheid en gezondheidszorg?
Wat heeft de kerk te doen? In de eerste plaats te wijzen op het grote besmettingsgevaar. De eerste bron is het vrije seksuele verkeer. Dit is niet (meer) de enige bron. De kerk moet ook wijzen op de noodzaak van preventieve maatregelen. Daarbij hoort ook het aandringen op de bereidheid om een onderzoek te ondergaan.
Ik behoor tot een kerk die zich in het publiek terughoudend uitlaat over dergelijke vraagstukken. Zelf heb ik onlangs betoogd, dat de kerk haar leden moet instrueren om als christen in dit land hun woord te kunnen doen. Ik verwijs hiervoor naar mijn onlangs verschenen rede: 'Het spreken en het preken van de kerk' (Kok. Kampen). De daar verdedigde lijn zou ik ook nu willen aanhouden. Mocht blijken dat deze 'catechetische toerusting' geen gehoor vindt, dan zal de kerk op andere wijze haar boodschap kenbaar moeten maken. Als de stem van kerkleden niet doordringt in de samenleving, zal de kerk aan die stem kracht moeten bijzetten, om zo op regering en volk in te werken. De eerste verantwoordelijkheid ligt echter bij de leden van de kerk, die door prediking, pastoraat en catechese geholpen moeten worden om hun verantwoordelijkheid na te komen.
Hulp
Een belangrijk aspect van de taak van christenen is ook voor de hulp aan aids-patiënten op te komen. Wat ook de oorzaak van de besmetting moge zijn, hulp mag niet geweigerd worden. Ik zeg dit met het oog op artsen en verplegend personeel.
Wel mag van degenen die verzorging of verpleging nodig hebben, gevraagd worden, dat zij zich ervan bewust zijn een bron van besmetting te (kunnen) zijn. Wie om hulp vraagt, moet niet met een beroep op zijn privacy een waas van geheimzinnigheid aanbrengen rond het feit dat hij mogelijk aidsdrager is.
Er zal duidelijkheid moeten komen. Daarop moet de kerk ook aandringen. Die duidelijkheid is niet bedoeld om mensen te diskwalificeren noch om hen te stigmatiseren. Wel om hen overeenkomstig de ernst van hun eigen situatie, en overeenkomstig de ernst van het feit dat zij een haard van besmetting kunnen zijn. te behandelen.
De kerk heeft evenzeer tot taak het evangelie van vergeving èn de geboden van God met her oog op seksualiteit te verkondigen. De nadruk op het voorgaande mag de kerk niet doen voorbijzien aan de opdracht tot de prediking van Gods beloften en geboden. Deze prediking mag echter niets afdoen aan de opdracht om de leden van de kerk toe te rusten tot dienstbetoon in de wereld. Het een mag niet in mindering komen op het ander.
De pastorale en de diakonale verantwoordelijkheid dienen hand in hand te gaan. Het zou een zeer slechte zaak zijn als de discussie rond de taak van de kerk en de christenen zou verzanden in een polariserende stellingname: òf de verkondiging van Gods gebod dat een mens niet zonder risico's kan overtreden òf de steun aan slachtoffers. Men zal het één hebben te doen en het ander niet moeten nalaten. In het Evangelie van het Koninkrijk vormen het heilzaam gebod van de Heere God ook met betrekking tot de sexualiteit en het betoon van daadwerkelijke barmhartigheid geen tegenstellingen, maar twee zijden van het ene Evangelie. Het voorbeeld van de christenen uit de eerste eeuwen mag ook nu richtinggevend zijn: zowel een duidelijke aan het evangelie ontsproten levensstijl waarin het 'gij geheel anders' zichtbaar werd èn een daadwerkelijk hulpbetoon jegens de medemens in hun heidense omgeving.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's