De Heere onze God is één
Van Maarten Luther wordt verteld, dat hij eens drie dagen achtereen roerloos op zijn stoel heeft gezeten, peinzend over Jezus' kruiswoord: 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten'. Als in de Persoon van Jezus de Goddelijke en menselijke natuur onafscheidelijk aan elkaar verbonden zijn, hoe kon Jezus dan aan het kruis van God verlaten zijn? Luther kwam er – na dagen lang peinzen – niet uit. Hij besloot zijn afmattende meditatie met de uitroep:
God, van God ontdaan,
Wie kan dat verstaan?
Misschien moeten we zeggen, dat op Golgotha de eenheid tussen het Goddelijke en menselijke in Christus Jezus, ja zelfs de eenheid tussen de Vader en de Zoon als twee Goddelijke Personen in het eeuwige Wezen van God onder grote spanning is komen te staan. Gods vloek over de zonde steeg ten top. God verhaalde die vloek op niemand anders – in dit geval – dan op de God-mens Jezus Christus.
Op de Paasmorgen echter is de spanning opgelost. De vloek is opgeheven. De Godmens staat op uit de doden. De Vader-Zoon verhouding is hersteld. Zo ergens dan wordt het hier geopenbaard, dat God God is in de aanbiddelijke eenheid van Vader en Zoon.
Vader en Zoon in één adem
Want wat gebeurt er ten diepste, als de Middelaar in de vroegte van de eerste dag der week uit Zijn donkere grafspelonk komt? Zijn ziel wordt met Zijn lichaam herenigd. Ja, ook dat. Zijn Godmenselijke Persoon die Zich tot in de diepste versmaadheid en angst van hel en dodenrijk had laten vernederen, legt alle ontluistering af. Hij staat op. En dat betekent, dat Hij uit kracht van Zijn Goddelijke natuur Zelf het initiatief daartoe neemt. Dat is ook waar. Maar er is eigenlijk nog iets geweldigers te ontwaren op de Paasmorgen. Het is de Vader in de hemel die Zijn Kind Jezus opwekt. Vooral in het Johannes-evangelie wordt de nadruk gelegd op het 'opstaan' van Jezus Christus in eigen Goddelijke kracht. Maar elders in het Nieuwe Testament wordt vaak gesproken van een 'opgewekt' worden van Jezus door de Vader in de hemel. In het Paasgebeuren is het handelen van God de Vader te bespeuren. Pasen is de 'Goddelijke goedkeuring van het Middelaarswerk, een verklaring van de kracht en de waarde van Jezus' dood, het 'amen' des Vaders op het 'volbracht' van de Zoon' (H. Bavinck).
Pasen is de kus van de Vader aan de Zoon. De tweede Persoon in het Goddelijk Wezen die in de gestalte van de Godmenselijke Middelaar zulk een bange zwerftocht op de aarde heeft gemaakt, wordt op Paasmorgen op een heel bijzondere wijze door de Vader omhelsd. Uitgerekend in dit heilsfeit van Christus' opwekking uit de doden laat God zien, dat Hij God is en hoe Hij het is. Vader en Zoon in één adem. God wiens bestaan gekenmerkt wordt door de liefdesverhouding van die twee Goddelijke Personen.
Het is op dat eeuwige Vader- en Zoon-zijn in God dat ik in deze regels graag de nadruk laat vallen. Paen is de bekrachtiging van de eeuwige eenheid die er is in God tussen de Vader en de Zoon. Met andere woorden: op de Paasmorgen mag heel de wereld er versteld van staan, dat we met een God van doen hebben die Vader en Zoon is, in een ondoorgrondelijke liefdeseenheid aan elkaar verbonden. Het recht van de Vader wordt door de Zoon, zelfs als Deze er in de Persoon van de Middelaar een afschuwelijke kruisdood voor moet ondergaan, in ere gehouden. En de gehoorzaamheid van de Zoon wordt door de Vader, als Deze Hem in de Persoon van de Middelaar de vuurproef afneemt, eeuwig gewaardeerd.
Is het niet deze onnaspeurlijke eenheid tussen de Vader en de Zoon die met het heilsfeit van Pasen voor heel de wereld ten toon wordt gespreid? Er is geen tweede zoals deze God. En dat Hij één is, dat schittert zo bijzonder uit in de eenheid van het Vader- en Zoon-zijn. God is niet voor een deel Vader en voor een deel Zoon. Het Vader-zijn en Zoon-zijn van God zijn geen wederkerige aanvullingen in het Goddelijke Wezen. Zoals God heet, zo is Hij helemaal: Vader. Zoals God heet, zo is Hij voluit: Zoon. Deze belijdenis van de eenheid van God, uitstralend in het heerlijk heilsfeit van Pasen, is dus in geen enkel opzicht in strijd met de klassieke belijdenis die het hart uitmaakt van Israels religie: 'Hoor, Israël, de Heere onze God is één' (Deut. 6 : 4). Integendeel, het Paasgebeuren laat ons zien, dat die eenheid van God de eeuwige eenheid van de Vader en de Zoon is.
De Vader kust de Zoon.
Een dubbel wonder
Nu zou iemand kunnen vragen, of dit alles eigenlijk niet een vorm van speculatie is. Wat hebben we er in feite aan om aan een heilsfeit als van Pasen te willen aflezen, wie God wézenlijk is? Hebben we er niet veel meer aan om te horen, wie God voor óns is?
Laat ik deze – overigens zeer begrijpelijke vraag – met een wedervraag beantwoorden. Wat zou ons het heilsfeit van Pasen aan troost kunnen bieden, als we niet mochten geloven, dat juist in dit heilrijke gebeuren Zich de eeuwige God in het hart laat zien? Dat God in de opwekking van Zijn Zoon, de Middelaar Gods en der mensen, heilrijk handelt, dat vloeit voort uit Zijn eeuwig Wezen. Dat God de Zoon wakker kust uit Zijn doodsslaap, dat is manifestatie van de eeuwige liefdeskus waarmee de Vader de Zoon omhelst. We hebben in het Paasgebeuren wezenlijk met de eeuwige God te doen. En het is het hoogste genoegen van het geloof om dat te bewonderen, als het Paasfeest wordt. Het recht van de Vader is voldaan. De gehoorzaamheid van de Zoon is volbracht.
Er loopt een lijn van het Paasfeit naar het eeuwige Wezen van God. Maar er loopt ook een lijn van dat eeuwige Wezen van God via het open graf van Jezus naar het bestaan van Gods gevallen schepsel. Want de opwekking van de Zoon is tenslotte geschied midden in een wereld, verloren in schuld en tot redding daarvan. Het heeft God behaagd Zichzelf te openbaren als de Vader en de Zoon om doodschuldige zondaren in Zijn gemeenschap binnen te halen. Dat is een eeuwig wonder. Een dubbel wonder. Dat God is zoals Hij is in de eenheid van de Vader en de Zoon, dat is een wonder. En dat het Hem behaagd heeft, hoewel de onafhankelijke en niets behoevende, om mensen die in de zonde gevallen zijn te doen delen in Zijn zalige gemeenschap, dat is het dubbele van het wonder.
Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest
Als daar onze ogen voor opengaan, komen we helemaal nooit meer uitgedacht. Jezus' laatste Woord (aan het kruis) was het Woord van de Zoon die in volle vrede ontsliep. 'Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest'. En het hoofd buigende, gaf Hij de geest. Waarbij Augustinus aantekent, dat Jezus hier a.h.w. Zijn gelaat naar ons toekeerde, opdat wij Hem zouden kussen. Deze Gods geliefde Zoon, in Wie de Vader een welbehagen heeft, biedt Zichzelf aan om gekust te worden. De Zoon staat aan de deur van het Vaderhuis. En als Hij binnen gelaten wordt – daar valt niet aan te twijfelen – wil Hij alleen binnenkomen met Zijn bruid aan de hand.
Jezus' laatste Woord (aan het kruis) was een Woord tot de Vader. En Jezus' eerste Woorden na Zijn opstanding waren Woorden over de Vader. Gesproken tot een zielsbedroefde discipelin, Maria Magdalena:… 'Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader en tot Mijn God en uw God' (Joh. 20 : 17). Het 'Mijn God' van het vierde kruiswoord is hier geworden tot een 'Mijn en uw God'. En het 'Vader' van het zevende kruiswoord is hier geworden tot een 'Mijn Vader en uw Vader'. Alles is persoonlijk geworden. Hartveroverend. De eenheid van de Vader en de Zoon, gemanifesteerd in de opwekking van Jezus Christus uit de doden, is een eenheid die goddelozen niet uit-, maar insluit. Is dat ooit klein te krijgen?
Een avond- en morgengebed
Joodse rabbijnen leerden oudtijds hun leerlingen een avondgebed bidden. Woorden van David uit psalm 31. 'In Uw hand beveel ik mijn geest.' Daarmee konden zij de nacht ingaan. En Jezus heeft Zijn volgelingen dat gebed ook geleerd. Enkele ogenblikken voor Zijn dood. Zijn laatste Kruiswoord is immers datzelfde woord uit psalm 31. Hij heeft het David nagebeden. Hij heeft het ons voorgebeden: 'Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest'. Een Woord om de nacht mee in te gaan. Na Zijn opstanding is het 'Mijn Vader, uw Vader'. Een Woord ook om elke nieuwe dag mee te beginnen. Zo vol kan onze geest niet zijn… van zondesmart, van angst om verloren te gaan, van levensverdriet, van onoplosbare waaroms… of zij mag rust vinden in het eeuwig welbehagen, in de onvernietigbare eenheid van de Vader en de Zoon.
Hoor, Israël, hoe Jezus de Vadernaam spelde. In Zijn dood en na Zijn opstanding. Hoor, Israël, de Heere onze God is één.
C. den Boer, Bilthoven
[Tekst foto: Een monnik van het St. Catharinaklooster bij de Sinaï met een oude, zeer waardevolle Bijbel.
G. S. Wegener, '6000 jaar en een boek', uitgave: Bosch & Keuning, Baarn.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's