Duidelijkheid gevraagd
De kerkeraden van de hervormde gemeenten van Bleskensgraaf en Oud Alblas hebben om duidelijkheid gevraagd inzake Samen op Weg.
Ze hebben een brief geschreven aan de Generale Synode, met een aantal vragen. Het gaat hen er vooral om te horen welke ruimte aan de gemeenten zal worden gelaten, als het proces van Samen op Weg zich doorzet.
De brief is met een begeleidend schrijven aan alle classicale vergaderingen en aan tal van kerkeraden toegezonden en werd afgedrukt in de Waarheidsvriend van 5 maart jl.
Ik hoop dat de synode de vragen ernstig zal nemen en optimale duidelijkheid zal verschaffen. Niets is zo schadelijk voor Samen op Weg als onzekerheid over wat ons te wachten staat. Onzekerheid veroorzaakt angst en wantrouwen en die beiden zijn slechte raadgevers in kerkelijke beleidsvoering.
Twee vragen
Duidelijkheid is nodig in twee richtingen. De eerste vraag die gesteld wordt is: zal de plaatselijk gemeente zelf mogen beslissen om al dan niet tot federatie over te gaan? Blijft de gemeente vrij om samenwerking met een Gereformeerde Kerk af te wijzen? De kerkeraden weten eigenlijk zelf wel het antwoord op deze vraag. Ze wijzen op een zin uit de besluiten die in november 1986 in Ede zijn genomen: 'de verklaring' 'in staat van hereniging' laat onverlet de eigen verantwoordelijkheid van een hervormde gemeente… om niet tot een vorm van samenwerking te besluiten'.
Maar achter de vraag ligt de gedacht: zullen we wellicht in de toekomst wèl tot samenwerking worden gedwongen?
Het zal goed zijn als de synode zich hierover (opnieuw) duidelijk uitspreekt. Naar mijn stellige overtuiging zal er echter ook in de toekomst geen dwang worden toegepast in de plaatselijke situatie. Men is er veel te grondig van doordrongen dat echte eenheid zich niet laat afdwingen. De gedachtenvorming gaat in Samen op Weg eerder in tegenovergestelde richting. Men stelt zich juist voor dat in de toekomstige herenigde kerk allerlei gemeenten naast elkaar zullen kunnen bestaan, de elkaar in de classicale vergadering ontmoeten om zich daar tegenover elkaar te verantwoorden.
Mijn zorg is eerder dat er in de toekomstige kerk een te grote mate van vrijblijvendheid zal ontstaan, dan dat er sprake zal zijn van een gedwongen eenwording. Het zou me niet verbazen als kerkeraden die nu bij herhaling vragen hoe groot hun vrijheid zal zijn op een dag de vraag gaan stellen of de vrijheid in de herenigde kerk niet veel te groot is.
Maar de brief van de beide kerkeraden spitst zich toe op de vraag wat er gebeurt als een classicale vergadering tot federatie overgaat. Gewezen wordt op de zinsnede uit de synodebesluiten, dat gemeenten die niet tot samenwerking komen blijven vallen onder de hervormde kerkorde 'met inachtneming van de voor de meerdere kerkelijke vergaderingen eventueel aangegane federatieve vorm van samenwerking'.
Tegen deze toevoeging richten zich de bezwaren van de brief met name. De schrijvers noemen dat 'een gevaarlijke ontwikkeling die de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten ernstig in gevaar brengt'. Dit klemt temeer, zo wordt opgemerkt, 'daar de classis 'nieuwe stijl' uitgebreidere bevoegdheden zullen hebben dan de classes 'oude stijl''. De kern van de brief ligt in de vraag welke ruimte kerkeraden zullen hebben, die niet willen samenwerken 'en zich evenmin wensen te voegen onder enige gefedereerde meerdere vergadering'. Ook over deze vraag enkele opmerkingen.
Samenvoegen
In 1982 hebben de beide synoden besloten het mogelijk te maken dat classicale vergaderingen besluiten tot brede interkerkelijke samenwerking (federatie). Na raadpleging van de classicale vergaderingen zijn de regels daarvoor vastgesteld. U kunt ze vinden in de Tussenorde, die in 1983 aan alle kerkeraden is toegezonden. In de begeleidende brief schrijven de kerkeraden: 'En zoals u wellicht bekend is behoort het samenvoegen van de Hervormde en Gereformeerde classes tot de volgende stap. Waartoe in sommige classes al voorbereidende maatregelengenomen worden, vooruitlopendop eendergelijk synodebesluit… om een eenduidig beleid te kunnen voeren in reeds samengevoegde of nog samen te voegen gemeenten'. Hier dreigt het misverstand dat classicale vergaderingen worden 'samengevoegd', alsof dat van bovenaf, bijvoorbeeld door de synode, zou worden opgelegd. De Tussenorde laat op blz. 33 zien hoe een federatie tot stand komt. Die wordt niet opgelegd, maar komt alleen tot stand wanneer daartoe door de classicale vergadering zelf wordt besloten, nadat tevoren alle kerkeraden zijn geraadpleegd. Bij de definitieve vaststelling van de regels is daar nog het voorschrift aan toegevoegd dat voor zo'n besluit een meerderheid van tenminste tweederde der uitgebrachte stemmen nodig is.
Minderheid
Wat gebeurt er als men in een classis woont waar een meerderheid vóór Samen op Weg is? Nu is het in de kerk niet meeer dan behoorlijk dat een meerderheid zoveel mogelijk met de gevoelens van een minderheid rekening houdt en probeert in de besluitvorming aan de bezwaren tegemoet te komen. Wij behoren dat ook zelf in onze kerkeraden in praktijk te brengen als er in onze gemeenten minderheden zijn, die moeite hebben met ons beleid.
Maar ik ken geen ambtelijke vergadering die het nemen van besluiten uitstelt tot het moment dat er niemand meer gevonden wordt die enig bezwaar heeft. Dat zou alle besluitvorming lam leggen. Het kan dus gebeuren dat een kerkeraad met bezwaren tegen Samen op Weg deel gaat uitmaken van een gefedereerde classis. Wat gaat dat concreet betekenen, welke verschillen zullen er optreden? Zal zo'n kerkeraad dan alsnog tot plaatselijke samenwerking gedwongen kunnen worden? Immers de brief spreekt van 'uitgebreidere bevoegdheden' die een gefedereerde classis ontvangt.
Verschillen
Om te beginnen zal er verschil in afvaardiging zijn. Nu gaan er uit elke hervormde gemeente twee ambtsdragers naar de classicale vergadering: de predikant en een van de andere ambtsdragers (bij toerbeurt een ouderling, diaken of ouderling-kerkvoogd). Naar een gefedereerde classicale vergadering worden uit elke (wijk)gemeente afgevaardigd drie ambtsdragers: de predikant, en ouderling en een diaken. Ze worden telkens voor één jaar aangewezen door de kerkeraad (niet voor vijf jaar zoals nu), maar mogen jaarlijks herkozen worden zolang ze ambtsdrager zijn.
Even terzijde: een gemeente kan ook worden aangewezen om een ouderling te zenden die ook kerkvoogd is. Een overgangsbepaling als ovb. 64 van de hervormde kerkorde is nog niet voorzien. Hier zouden problemen kunnen ontstaan; het is wellicht verstandig dat daar nog eens naar gekeken wordt.
De taakomschrijving van de gefedereerde classisis voor het grootste deel overgenomen uit de hervormde kerkorde; er is alleen aan toegevoegd als taak 'toezien dat de gemeenten haar roeping en taak nakomen; advies en hulp bieden aan de kerkeraden, in het bijzonder deze bij gebleken behoefte in staat stellen een dienaar des Woords te beroepen'. Deze woorden stammen uit de kerkorde van de Gereformeerde Kerken en hervormden hebben nogal wat moeite zich daarbij iets voor te stellen. Het advies en de hulp waarvan gesproken wordt bestaan hoofdzakelijk uit raadgevingen bij het beroepingswerk en het verstrekken van de benodigde toestemmingen. Van financieële onderlinge hulp moet u maar niet al te veel verwachten in classicaal verband. Met het 'toezien dat de gemeenten haar roeping en taak nakomen' moeten we vooral aan de visitatie denken, die (zoals dat al in de Dordtse kerkorde het geval is) aan de classis is toevertrouwd. Aan de visitatoren is de taak opgedragen te onderzoeken 'of de ambtsdragers, zowel persoonlijk als gezamenlijk, hun taak getrouw vervullen, zich houden aan het belijden der kerk, de bepalingen van de kerkorde en de overige besluiten van de meerdere vergaderingen onderhouden en naar hun vermogen het hunne doen om met woord en daad de opbouw en de uitbreiding van de gemeente en de dienst van de gemeente in de wereld te bevorderen… 'en voorts' nalatigen (te) vermanen en allen met raad en daad bij te staan'. Allerlei woorden uit deze bepaling herinneren aan de formuleringen van art. 44 van de kerkorde van Dordrecht 1618/19.
Er is trouwens meer dat aan deze kerkorde herinnert. Te denken valt aan de bepaling dat aan de leden van de vergadering gelegenheid gegeven kan worden 'elkander onderling te vermanen, opdat de christelijke saamhorigheid van haar leden bewaard blijft' (verg. art. 43 van de kerkorde van Dordrecht). Er zijn ook verschillen van kleinere omvang: een gefedereerde classis vergadert vaker: vier keer per jaar. De vergadering stelt zelf de agenda vast; brieven van gemeenteleden mogen niet worden behandeld voordat ze aan de plaatselijke kerkeraad zijn voorgelegd e.d.
Er is dus inderdaad enig verschil in bevoegdheden, maar die zijn niet van fundamentele aard. Het is van belang in dit verband vast te stellen dat een gefedereerde classis geen bevoegdheden heeft om besluiten te nemen die tot de competentie van de plaatselijke kerkeraden behoren. Een grondregel van het gereformeerde kerkrecht is ook in deze regeling opgenomen: 'in de classicale vergaderingen zullen geen andere zaken worden behandeld dan die in de kerkeraden niet kunnen worden afgedaan'. Een gefedereerde classis zal dus geen besluiten mogen nemen waarin plaatselijke gemeenten gedwongen worden tot samenwerking.
Zich voegen
De kerkeraden vragen verder: wat moeten kerkeraden die zich niet wensen te voegen onder enige gefedereerde meerdere vergadering?
Terecht vragen de kerkeraden om duidelijkheid. Op dit punt mag er naar mijn inzicht geen twijfel over bestaan: een kerkeraad heeft op geen enkele wijze recht zich aan een gefedereerde meerdere vergadering te onttrekken. Het is onjuist te spreken van 'zich voegen onder'. Dat wekt de schijn alsof hier van een vrije keuze sprake is.
In de vorige eeuw is er ten tijde van de Doleantie juist op dit punt een indringende discussie gevoerd over de verhouding van de plaatselijke gemeente tot de meerdere vergaderingen der kerk. Dr. H. G. Kleyn heeft in zijn uitvoerige studie 'Algemeene Kerk en Plaatselijke Gemeente' (1888) aangetoond dat de stelling van de kerkrechtgeleerden uit de kring van de Doleantie dat het kerkverband gebaseerd is op het beginsel van vrijwillige aansluiting historisch onjuist is en in strijd met het gereformeerd kerkrecht.
Bij de reformatie in ons land zijn de classes niet ontstaan doordat plaatselijke gemeenten zich vrijwillig samengevoegd hebben: de gemeenten werden bij een classis ingedeeld. Gemeenten kunnen zich dus ook niet van het classicaal verband losmaken. Kleyn vertelt van een predikant die zich niet aan het oordeel van de classis wilde onderwerpen en zelfstandig op zijn standplaats wilde blijven. Maar hij werd gedwongen afstand te doen van zijn dienst, de classis liet niet toe dat in een plaats het Evangelie bediend werd zonder haar goedkeuring en tucht, ook al stond de gehele gemeente achter haar predikant. De classis handelde uit eigen autoriteit en stelde een nieuwe dienaar ter plaatse aan. De bevoegdheden van de classicale vergaderingen waren in de eeuw van de reformatie heel wat uitgebreider dan wij ons nu kunnen voorstellen. De studie van dr. Kleyn is nog altijd bijzonder leerzaam in dit opzicht.
Generale regelingen
Terug naar onze situatie. Ook nu is er geen sprake van dat aan kerkeraden gevraagd wordt zich vrijwillig 'te voegen onder' een gefedereerde meerdere vergadering. Wat gebeurt er immers als een federatie tot stand komt? Dan wordt de hervormde classicale vergadering niet opgeheven!
Ze gaat alleen een hecht samenwerkingsverband aan met een gereformeerde classis en houdt zich daarbij aan de regels die de hervormde synode (samen met de gereformeerde) voor een dergelijke situatie heeft getroffen. Ook deze regels behoren tot de orde der Kerk (Kerkorde art. XXVII), die dekerkorde, de ordinanties en de generale regelingen omvat. Samen op Weg-regelingen zijn regelingen krachtens ord. 20-13 van de hervormde kerkorde. Ze zullen binnen afzienbare tijd dan ook in de uitgave van de Generale Regelingen door het Boekencentrum worden opgenomen.
Kerkeraden die niet tot enige samenwerking met de plaatselijke gereformeerde kerk besluiten (en dat staat hen vrij!), zullen als hun classis tot federatie besluit van die gefedereerde classicale vergadering deel uitmaken. Ze zullen voor de vergaderingen van deze classis worden uigenodigd, om daar met drie ambtsdragers aan de beraadslagingen deel te nemen. Ze zullen visitatoren ontvangen, door deze classis aangewezen, en daar kunnen ook gereformeerde visitatoren bij zijn. Ze zullen zich tot de gefedereerde classis wenden om autorisatie en approbatie. Aparte vergaderingen van de hervormde classis zullen niet meer worden gehouden. De gezamenlijk vergadering moet alles doen wat eerder de taak van de hervormde classis was (en uiteraard van de gereformeerde classis).
Dan ontstaat de situatie, dat een niet gefedereerde hervormde gemeente zich voor het eigen leven en werken heeft te houden aan de regels van de hervormde kerkorde, die nu ook gelden. Maar in de gefedereerde classis krijgt men te maken met de regels die daarvoor (ook door, de hervormde synode, samen met de gereformeerde) zijn vastgesteld.
Geen afscheiding
Het zal in de toekomst niet gaan om de vraag of wij ons wensen te voegen onder een gefedereerde meerdere vergadering, maar of wij ons daaraan mogen onttrekken.
Het zal stellig niet de bedoeling zijn van de briefschrijvers om de kerkelijke gehoorzaamheid op te zeggen ten aanzien van besluiten van ambtelijke vergaderingen van de hervormde kerk inzake Samen op Weg. Dat zou immers inhouden een daad van openlijke afscheiding van de kerk, die we in goede en in kwade dagen trouw zijn gebleven. Omdat we mochten geloven en ervaren, dat God deze kerk niet had losgelaten ondanks alle afdwalingen door de eeuwen heen.
Maar we moeten ook geen oplossing zoeken in de richting van een 'binnenkerkelijke afscheiding'. Dat is kerkordelijk onmogelijk en geestelijk onverantwoord. Kerkordelijk onmogelijk: het is ondenkbaar, dat naast de hervormde classicale vergadering die (op grond van een wettig genomen besluit) federatief samenwerkt met de gereformeerde classis nog een andere hervormde classis zou bestaan op hetzelfde grondgebied, gevormd door kerkeraden die tegen Samen op Weg zijn. Dat zou flagrant in strijd zijn met het gereformeerde kerkelijk denken.
Maar het is ook geestelijk onverantwoord, omdat in het Koninkrijk Gods niet de wet van de zelfhandhaving geldt, maar die van de zelfverloochening. We worden door Christus tot kruisdragen geroepen. 'Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen'. Wie krampachtig probeert zijn eigen leven, ook zijn eigen kerkelijke leven, in stand te houden die zal het verliezen. 'Maar zo wie zijn leven zal verliezen om Mijnentwil en om het Evangelie, die zal het behouden' (?Ark. 8: 34 v.).
Terecht is onder ons de weg van de afscheiding steeds als onbijbels en onvruchtbaar afgewezen. Wie de geschiedenis van de afgelopen honderd jaar overziet zal erkennen dat de grootste zegen niet werd weggedragen door hen die met eigengekozen middelen het erfgoed van de Reformatie dachten veilig te stellen. Veel meer is de weg gezegend van hen, die met geduld en liefde, met trouw en volharding op hun post bleven als dienstknechten van Jezus Christus, ook waar alles hen tegen was en alle arbeid vruchteloos scheen.
Er is alle reden tot zorg over het proces van Samen op Weg.
Maar juist daar waar de kerk naar onze overtuiging niet de weg van het Woord gaat hebben we des te meer de roeping om getrouw te zijn. We onttrekken ons niet aan de ambtelijke vergaderingen der kerk, ook niet als deze vergaderingen besluiten samen te werken met gereformeerde ambtelijke vergaderingen. We mogen onze roeping niet verzaken, door te ontbreken bij de beraadslagingen, bij het geven van consideraties aan de Generale Synode, en bij de onderlinge opbouwing en toerusting.
Laat het niet zo zijn, dat de vrees ons getuigenis verlamt en dat wantrouwen ons in een hoek drijft.
Het zal veeleer onze roeping zijn de beide kerken (en onszelf!) gedurig te herinneren aan wat we als kerken hebben uitgesproken inde verklaring van overeenstemming, dat we 'in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als de bron der prediking en enige regel des geloofs en in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht de zelfopenbaring van de drieënige God belijden'.
P. van den Heuvel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's