De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Engel is voorbij

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Engel is voorbij

9 minuten leestijd

De dichter Constantijn Huygens
Op oudejaarsdag 1644 zit Constantijn Huygens voor zijn schrijftafel. Het is voor hem een belangrijke dag, een dag van inkeer. De volgende dag namelijk, zondag 1 januari 1645, zal in zijn gemeente het heilig avondmaal gehouden worden. Daar is hij van vervuld en hij hoopt het mee te vieren. En uit zijn pen vloeit een gedicht, in de vorm van het toen zo geliefde sonnet, met als titel: 's Heeren Avondmaal Het spreekt van boetedoening, van berouw dat helaas vaak zo oppervlakkig, hol en leeg is. De slotregel luidt: 'O dat mij 't hol berouw eens endelik berouwe!'.

Huygens, die leefde van 1596 tot 1687 en woonde in 's-Gravenhage, had een zeer drukke en belangrijke funktie: hij was secretaris van stadhouder Frederik Hendrik. Vele werkzaamheden en beslommeringen vulden zijn werkweek. Vaak was hij maandenlang in het leger bij de stadhouder. Toch vond hij tijd om deel te nemen aan de cultuur van zijn tijd, in het bijzonder de dichtkunst en de muziek. En hij had er behoefte aan, zo blijkt uit het bovenstaande, om deel te nemen aan het kerkelijke leven.
Als overtuigd reformatorisch christen gaf liij aan zijn levensbeschouwing ook gestalte in zijn poëzie. Reeds in zijn eerste verzen in het Nederlands – hij schreef zijn poëzie aanvankelijk in het Latijn – geeft hij een berijming van de geloofsbelijdenis, de Twaalf Artikelen. Wat hij als het fundament van zijn leven beschouwt, verwoordt hij in de volgende regels:

Ik stelle mijn Geloof in enen God, almachtig,
Van altijd, voor altijd, alleen, in alles krachtig;
die alles wat omhoog, omlaag is, leeft en zweeft,
Aard, Hemel, Mens, en Beest, uit niet geschapen heeft;

Hij stamde uit ouders die het begin van de 80-jarige oorlog aan den lijve hadden ervaren. Zijn vader, secretaris van Willem van Oranje, was bevriend geweest met Marnix van Sint Aldegonde. Opgegroeid in een principieel calvinistisch milieu werd Constantijn voorbereid op zijn levenstaak. Daar werd de basis gelegd voor zijn standvastige levenshouding – zijn devies was: 'Constanter'! – waarvan zijn poëzie getuigt. Over de poëzie van deze scherpzinnige politicus-raadsman, geleerde en dichter, die zijn leven in dienst heeft gesteld van God, Nederland en Oranje en die 400 jaar geleden (28 maart 1687) overleed, gaat dit artikel. In een later artikel kom ik misschien nog eens terug op zijn leven en werkzaamheden. Hier zal het vooral gaan over een kleine bundel sonnetten, getiteld Heilighe Daghen, waarvan het reeds genoemde 's Heeren Avondmaal deel uitmaakt en waartoe ook sonnetten behoren over het lijden en sterven en de opstanding van Jezus Christus, van Wie hij beleed:

Ik stelle mijn Geloof in 't Lam, voor onze zonden,
Voor allen tijd geschikt, ten vollen tijd' gezonden;
Des Vaders enig' Zoon, daarvan der Wolken stem,
Getuigenisse gaf; Dit is Hij; hoort naar hem.

Heilighe Daghen
Nadat Huygens 's Heeren Avondmaal had voltooid, moet hij al gauw het plan hebben opgevat een reeks sonnetten te schrijven. Er volgt een creatieve explosie en in nauwelijks meer dan een week heeft hij een heel bundeltje gereed met gedichten die gewijd zijn aan de christelijk feestdagen Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag, Pinksteren en Kerstmis, en verder een gedicht op de zondag, op Driekoningen en nieuwjaar. Samen met 's Heeren Avondmaal negen sonnetten. Hij draagt het bundeltje op aan Leonore Hellemans, de tweede echtgenote van P. C. Hooft, de drostte Muiden, en het wordt reeds in januari 1645 gedrukt bij de bekende Amsterdamse uitgever Blaeu.
De titel Heilige Daghen is bedoeld als zinspeling op 'heiligendagen'. Het is duidelijk dat Huygens positie kiest in een toen actuele kwestie. Dat blijkt ook uit het feit dat hij het gedicht Zondag vooropplaatst. Beide feiten geven ons een kijkje in een bepaald aspect van de cavinistisch reformatie: geen viering van heiligendagen meer want de zondag is dé echte feestdag van de kerk als dag van Christus' opstanding. In de praktijk echter bleek dit standpunt niet vol te houden en dit leidde tot erkenning van de feestdagen rond de grote heilsfeiten als Kerst en Pasen. Huygens sluit hierbij aan.
Ik moet in dit veband ook even denken aan de dichter Gerrit Achterberg, die in zijn gedicht November de volgende regels schrijft:

De protestantse dagen van november,
dragen geen heiligen op de kalender.

Zo wilde Huygens géén 'heiligendagen' erkennen en beschrijven, maar wél heilige dagen.

Zondag
Het sonnet Zondag, waarmee Heilige Daghen opent, is in feite een paasgedicht. Zeer nadrukkelijk relateert Huygens de zondag aan Christus: het is de dag van Gods zoon.

Is 't Sabbatdag, mijn Ziel, of Zondag? Geen van tween.
De Sabbat is voorbij met zijne dienstbaarheden;
En de zon die ik zie scheen gisteren als heden.
Maar die ik niet en zie als door mijn' zonden heen,
Zoons Gods, die dezen dag het aardrijk weer betreedde,
Fier als een Bruidegom ter loopbaan ingereden,
'k Zie Zondag zonder end, door dijne Wonden heen.
't Zij dan ook Zondag nu, men mag 't Gods Zoon-dag noemen.
Ja, en Gods Zoen-dag toe. Maar laat ik ons verdoemen,
Waar ik van drieën ga ik vind ons in de Schuld.
God Zon, God Zoon, God Zoen, hoe lang duurt dijn geduld?
Hoe lange lijdt gij, Heer dijn' Zoondag, Zoendag, Zondag,
Ondankbaarlik verspild, verspeeld, verspeld in Zond-dag?

Een korte weergave van de belangrijkste gedachten in dit gedicht is wel noodzakelijk, want Huygens is een dichter die door zijn compacte uitdrukkingswijze veel van de lezer vergt. Het gedicht begint met het toentertijd actuele vraagstuk: sabbat of zondag?
Het eerste is zeker fout, zegt de dichter: de slaafse sabbat is voorbij. De tweede naam – zondag, met het woord 'zon' erin – zegt eigenlijk ook weinig, omdat de zon immers ook op elke andere dag kan schijnen. Zo komt Huygens in r. 4 bij de onzichtbare Zon, Jezus Christus, de Zon die de dichter alleen ziet door zijn zonden heen (r. 5). Als we de dag verbinden met Christus kunnen we inderdaad spreken van Zon-dag, maar evenzeer van Zoondag en Zen-dag. Maar zegt de dichter, laat ik over ons christenen een veroordeling uitspreken – 'laat ik ons verdoemen' (r. 10; 'verdoemen' had in de 17e eeuw gewoonlijk niet onze zwaar geladen betekenis) –: van welke drie kanten ik de naam ook bekijk, over ontdek ik dat wij schuldig zijn.

Het gedicht laat ons Huygens zien als een echt reformatorisch, calvinistisch christen, die niet lichtvaardig denkt over zonde en schuld. Hij staat in de lijn van wat Revius uitdrukte in zijn bekende gedicht Hij droeg onze smerten met de woorden: 'Ik ben't, o Heer, ik ben 't die U dit heb gedaan'. Huygens heeft van zijn bundeltje dan ook terecht een presentexemplaar aan Revius toegestuurd. Het gedicht laat ookduidelijk het eigene, het specifieke van Huygens' dichterschap zien: compactheid, pittige gedachten, vernuftigheid, een grote voorkeur voor woordspelingen. Dit laatste blijkt bijvoorbeeld uit de drie mogelijkheden die de dichter noemt: Zondag, Zoon-dag, Zoen-dag. Evenzo uit de laatste regel waarin de dichter speelt met de woorden 'verspild', 'verspeeld' en 'verspeld' (d.w.z. verkeerd gespeld, namelijk als zonde-dag).

Pasen
Het sonnet Pasen in Heilighe Daghen gaat over het Pascha der Israëlieten vlak voor hun uittocht uit het land der slavernij, Egypte. De verderfengel gaat de met bloed bestreken deurposten voorbij. De kerk heeft dit altijd als een vooruitwijzing gezien naar het bloed van het Lam. Met dit Lam, dat de zonden der wereld wegneemt, eindigt dan ook Huygens' gedicht.

Pasen
Den engel is voorbij: de grouwelike Nacht
Der eerstgeborenen is bloedeloos verstreken:
Onz deuren zijn verschoond; zo waren ze bestreken
Met heilig Pasen-bloed, dat d' uitgelaten macht,
Die Farao's kinderen en Farao t' onderbracht.
Doorgaans verschrikkelik, verschrikt heeft voor het teken.
Wij zijn door 't rode Meer de slavernij ontweken,
Egypten buitens reiks. Is alle ding volbracht?
Is 't schip ter haven in? O! midden in de baren,
De baren van ons bloed, veel holler dan dat meer.
Den Engel komt weerom, en 't vlammige geweer
Dreigt nieuwen ondergang. Heer, heet hem overvaren.
Merkt onzer herten deur, o leeuw van Juda's Stam,
En leen ons tijdelik verschrikken voor een Lam.

De door God losgelaten macht van het verderf – de 'uitgelaten macht' (r. 4) – heeft Farao, die anderen altijd schrik aanjoeg, zelf tot vrees gebracht. Dan maakt de dichter de sprong naar Christus: wij gelovigen zijn door de Rode Zee – rood is immers de kleur van bloed! – ontkomen aan de slavernij van de duivel, de zonde. Maar ons levensschip is de veilige haven nog niet binnen: het bevindt zich in de woedende golven van ons eigen bloed, onze zondige natuur. De verderfengel, de boze, keert terug en bedreigt ons nog altijd met de ondergang. Het gedicht eindigt met een gebed: Here, gebied hem, de boze. voorbij te gaan; o Leeuw van Juda, geef de deur van ons hart het merkteken van Uw bloed en leer ons bijtijds te vrezen voor het Lam.
Ook in dit gedicht is weer het specifieke van het dichterschap van Huygens ten volle aanwezig: pittig van inhoud – de lezer wordt aan het denken gezet –, een taalspel op hoog niveau en een diepzinnig spel met woorden en begrippen. Zo gebruikt hij 'bloed' in dit gedicht in drie betekenissen: het bloed aan de deurposten van het paaslam, het bloed van Christus, en tenslotte ons eigen bloed, onze boze natuur. Ook de slotregels tonen het hoog literaire én diepzinnige van Huygens poëzie overduidelijk. Christus wordt in het Nieuwe Testament zowel 'Lam Gods' als de 'Leeuw uit de stam van Juda' genoemd. Normaal gesproken jaagt een leeuw schrik aan en niet een lam. De dichter draait dit echter om: de Leeuw moet de deur van ons hart met bloed merken en wij moeten verschrikken voor het Lam!

'Den Engel is voorbij'
Huygens schreef geen eenvoudige poëzie. Hij maakt het zijn lezers niet gemakkelijk. Maar wie zich de moeite neemt om dieper door te dringen in zijn gedichten, zal een buitengewone rijkdom aan gedachten ontdekken, uitgedrukt in een subliem spel met woorden en uitdrukkingen. Huygens demonstreert een groot meesterschap over de taal.
Wij mogen deze dichter van groot formaat dankbaar zijn dat hij zijn poëzie mede heeft willen gebruiken om de meet fundamentele noties van zijn diep christelijke levensbeschouwing door te geven. Zo heeft hij getuigd van het wonder van Gods Zoon die stierf voor de zonden der mensheid, diedood en duivel overwon, die opstond uit het graf. Het diepste van zijn levensovertuiging is niet verschrikking maar verwondering. Het kruis van Golgotha immers betekende voor hem en betekent voor allen die daarvoor hebben leren knielen: de Engel is voorbij!

J. de Gier, Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 29 april 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Engel is voorbij

Bekijk de hele uitgave van woensdag 29 april 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's