Een stukje catechese
'Ik weet niet of we elkaar nog eens weer zullen zien' zei hij. 'maar we blijven broeders'.
Dat was de afsluiting van een klein jaar waarin we elkaar hadden leren kennen op een heel bijzondere wijze, namelijk als broeders in het geloof.
Het was met een grap begonnen, op een dag dat drie vaandrigs (dienstplichtige officieren) zich voorstelden bij de maaltijd in de officiersmess. Ze hadden een korte militaire opleiding achter de rug. De rest van hun diensttijd zouden zij als instructeurs werkzaam zijn bij het opleidingscentrum waar ik werk als legerpredikant. De aalmoezenier die toen van het team Geestelijke Verzorging deel uitmaakte, checkte bij iedere groep 'nieuwkomers' in de mess of er zich ook Rooms-katholieken onder bevonden. 'Mijn schapen' – zoals hij ze noemde en jawel! – ook deze keer was er weer één bij.
'Kijk John!' riep hij triomfantelijk. 'Mijn kudde fokt sneller dan de jouwe!' 'Is er misschien ook nog iemand Hervormd, toevallig?' vroeg ik bescheiden.
Ik keek hoopvol naar mijn overbuurman.
'Nee' zei die 'ik ben van geen enkele club. Ik geloof niet'.
'Ik ben Hervormd' zei degene die naast mij zat tenslotte.
'Kijk! een hervormde broeder' zei ik.
Ik stond op en reikte hem plechtig de broederband. Er werd gelachen.
'Je haalt mij toch niet in' zei de almoezenier.
Daarna spreidde het gesprek zich tot het gewone geroezemoes.
'Ik ben niet echt een broeder' zei mijn buurman. 'Ik ben alleen hervormd gedoopt. Ik doe er verder niets aan.'
'Dan noem ik jou toch een broeder' zei ik. 'In de doop verklaart God jou tot een broeder. Of jij daar iets mee doet, is een tweede. Ik blijf jou broeder noemen.'
Hij dacht even na.
'Als je dat wilt…' zei hij.
En we aten verder.
Die avond – bij de koffie na het eten – kwam het gesprek op de politiek. Mijn buurman bleek PvdA te stemmen.
'Ik denk dat ik één van de weinigen, ben in deze mess die op de Partij van de Arbeid stemmen' merkte hij op.
Daar kon hij wel eens gelijk in hebben… Hij was verrast dat ik iets afwist van de sociale geschiedenis van het gebied van Groningen waar hij vandaan kwam. De ten hemel schreiende (zeg maar gerust: God-geklaagde) toestanden waarin de arbeiders in de Groningse veengebieden geleefd hadden.
'Ben jij ook PvdA-er?' vroeg hij.
'Nee' zei ik 'maar ik heb wel geluisterd naar de profeten die in het oude Israël opgetreden zijn. Die preekten in Gods naam tegen het onrecht dat weduwen, wezen en armen werd aangedaan (vgl. teksten als Jes. 1 : 23 en Jes. 5 : 28) kortom: degenen die geen helper hebben. Het zou zeker in de lijn van de profeten gelegen hebben om het voor de veenarbeiders op te nemen.
Even was het stil. Er begon iets te tintelen in zijn ogen.
'Zou het dan toch een zegen zijn dat ik gedoopt ben?' zei hij.
Die opmerking verbaasde mij.
'Hoe bedoel je?' vroeg ik. 'Om wat ik zei over de profeten?'
'Ja, maar wat gebeurt er eigenlijk bij de doop? Dat weet ik niet eens'. Ik vertelde hoe Jezus zijn leerlingen in de wereld had gezonden om de volkeren te leren zijn woorden te doen en om hen te dopen 'in de naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest' (Matth. 28 : 19).
'Bij de doop wordt jouw naam verbonden met die van God. Het is de Vader die jou leert wat recht is, via de woorden van de profeten bijvoorbeeld. Het is de Zoon, Jezus Christus, die, toen Hij Mens werd, op zich genomen heeft wat niet recht is. En als je 't helemaal niet ziet zitten, komt de Heilige Geest. Die dringt als een verfrissende wind je bestaan binnen, om je te troosten en je weer overeind te helpen. Dat belooft God jou in de doop zo zeker als het water op jouw voorhoofd geweest is.'
Na die avond stonden we bekend als 'de broeders'. Af en toe gaven we elkaar de hand. Een keer maakte iemand daar een opmerking over: 'Weten jullie nou nog niet dat jullie broeders zijn?'
'Jawel' was zijn antwoord 'het is er altijd. Maar af en toe geef je elkaar de hand dan weet je het weer goed'.
Enige tijd later in een pannekoekhuis, de vaandrigs en ik. Ze hadden een dienstplichtig onderofficier (sergeant) die met hen samenwerkte meegevraagd. Midden in de gesprekken, over dienst, over automatisering, politiek, enzovoort viel een keer het woord 'broeder'. De sergeant nog niet op de hoogte van de speciale betekenis die het woord voor ons had vroeg wat daarmee bedoeld werd.
'Ben je gedoopt?' vroeg de Groninger.
'Hoezo?' zei de sergeant. 'Ik ben Nederlands Hervormd. Maar waarom wil je dat weten? Ik doe er niets aan. Mijn moeder al niet meer.'
'Dat geeft niet' zei de Groninger. 'Je bent gedoopt dan ben je ook een broeder.'
Een verbaasde blik van de sergeant.
'Dat ik gedoopt ben' ging de ander verder 'dat is dè ontdekking van mijn diensttijd. Dat meen ik echt. Die doop werkt. Dat merk je aan allerlei kleine dingen.'
'Ik heb er nooit iets van gemerkt' zei de sergeant. 'Nee?'
De vaandrig dacht even na.
'Bijvoorbeeld als jij overdag les geeft en een paar mensen in de klas laten merken dat het hun niets interesseert. Dan blijf jij altijd rustig. Waar komt dat vandaan?' 'Nou… ik ben gewoon zo denk ik' zei de sergeant.
'Dat is omdat je gedoopt bent.'
'Ik weet het niet. Op die manier heb ik er nog nooit over nagedacht.'
Met zijn vijven in een 'subtropisch zwembad'. Eén van de laatste keren dat we met elkaar een avond doorbrachten voordat de groep uit elkaar zou vallen en ieder zijn eigen weg zou gaan in wat met een typische legerterm de 'burgermaatschappij' wordt genoemd. Nadat we uitgedold waren op de glijbaan en uitgezweten in het bubbelbad, even pauzeren aan de 'zwemmersbar'. Mijn Groningse broeder kwam naast mij zitten.
'Vind jij het nodig om naar de kerk te gaan?' vroeg hij. 'Ik ben er, voor zover ik weet, nog nooit geweest.'
Ik noemde de verschillende elementen van de 'onderlinge bijeenkomst' (Hebr. 10 : 25, Statenvertaling) zoals ik die als Hervormd Christen gewend ben: de Schrift in het midden, daaromheen de preek, het gebed, het zingen, het inzamelen van de gaven.
'De ene keer lukt het beter dan de andere. Maar ik ga altijd graag naar de kerk, om wat goeds te horen over de God in wiens naam ik gedoopt ben. Maar het mooiste vind ik de diensten waarin het Avondmaal gevierd wordt. Daar leef ik altijd naar toe. Weet je wat dat is, het Avondmaal?'
'Nee, ik heb er nog nooit van gehoord.'
Ik gaf hem door hetgeen mij overgeleverd was (vgl. 1 Kor. 11 : 23). De instelling van het Avondmaal in de nacht waarin Jezus gevangen genomen werd. Het breken van het brood, het opnemen van de drinkbeker. De instellingswoorden: 'Neemt, eet, dat is mijn lichaam: voor u!' 'Deze drinkbeker is het nieuwe verbond, in mijn bloed' (1 Kor. 11 : 24, 25). 'Jezus heeft bij zijn dood aan het kruis zijn vlees en bloed, zichzelf, aan ons gegeven, als voedsel voor ons geloof. Het brood en de wijn die bij het Avondmaal uitgedeeld worden, zijn daar tekenen van. Zo zeker als je daarvan opleeft, doet Christus zelf ons opleven door het geloof.
Het Avondmaal is het mooiste wat er is op deze aarde, de gemeenschap met Jezus Christus en de gemeenschap met elkaar (de broeders en de zusters!). Daar leef ik altijd helemaal van op, zowel lichamelijk als geestelijk.' Hij luisterde intens.
'Daar kun jij mooi over vertellen' zei hij. 'Ik ga eens kijken hoe dat toegaat in de kerk in de plaats waar ik vandaan kom.'
De anderen waren alweer in het water. Wij er achteraan.
In 1853 verscheen het boekje 'De kinderdoop' van J. A. Wormser. De schrijver was geen theoloog, maar deurwaarder bij de Amsterdamse Arrondissementsrechtbank. In een tijd dat de kinderdoop voor velen weinig meer dan een traditionele instelling was (een 'geraamte' vgl. pag. 12 in de 5e druk, 1903), voelde hij zich geroepen de waarde ervan te laten zien. Het boekje is tot de klassieken van de Nederlandse theologie gaan behoren. De heldere betoogtrant en vooral de diepte van het geloof van deze man van het volk maken het ook vandaag nog tot frisse lectuur. De kerngedachte is een gevleugeld woord geworden: 'Leer (…) de natie haar doop verstaan en waarderen, en Kerk en Staat zijn gered!' (Pag. 14).
Wat mij van de lezing van het boekje het meest is bijgebleven, is het bijzondere licht waarin de schrijver de mensen ziet. Hij moet er in zijn leven veel ontmoet hebben, en als deurwaarder zal hij dikwijls met de negatieve kanten van de samenleving in aanraking gekomen zijn. Maar het wonderlijke is dat hij de mensen altijd bleef zien in het licht van Gods genade. De doop – in het bijzonder de kinderdoop – is daarvan het van God gegeven teken. Daarom neemt hij het op voor de doopleer van de 'Gereformeerde Kerk' zoals hij die noemt. 'De gedoopte' zegt hij, 'wordt in zijn doop aan alle zijden met verzekeringen van Gods genade omringd: hij wordt ermee overgoten. En de Gereformeerde kerk wil, dat de gedoopte hiervan in het opwassen (opgroeien) breder zal worden onderwezen' (pag. 43). Daarvoor is het nooit te laat. Zelfs in een officiersmess, een pannekoekhuis of een subtropisch zwembad kan onverwacht een stukje doopcatechese plaatsvinden waardoor mensen elkaar in een nieuw licht gaan zien, in het licht van Gods genade.
Het is inmiddels alweer even geleden dat ik iets van mijn Groningse broeder vernomen heb. Ik zal hem een nieuwjaarkaart sturen. Natuurlijk: 'Het is er altijd' zou hij, zeggen. Maar af en toe een teken, dat kan geen kwaad.
J. van Eck jr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's