Belijden en bevinden
Telkens weer wordt, met name ook binnen de Gereformeerde Gezindte, nagedacht over kerkelijke eenheid. De laatste conferentie van het Contact Orgaan voor de Gereformeerde Gezindte (COGG) was er uiteraard ook weer aan gewijd. Daarvoor bestaat uiteindelijk het COGG.
Recent werd echter ook een forumdiscussie georganiseerd door de Leidse vrijgemaakt gereformeerde studentenvereniging Gomarus. In het forum hadden zitting prof. dr. W. van 't Spijker (Chr. Geref.), mr. J. Meulink (Nederlands Gereformeerd), dr. W. G. de Vries (Gereformeerde Kerken, vrijg.) en ondergetekende. Tijdens die forumdiscussie bleken alle betrokkenen onomwonden te erkennen dat er overeensteming met elkaar was als het ging om de binding aan de belijdenis. Wat dat betreft zou men zeggen dat er toch van weinig verschil sprake is tussen en binnen de kerken van gereformeerde confessie. Als men in de confessie immers overeenstemt waar moeten de verschillen dan nog liggen?
Niet te snel
Toch moeten we niet al te snel concluderen dat er sprake is van confessionele overeenstemming. En dan bedoel ik niet dat men op die binding aan de belijdenis als zodanig ook kan afdingen. Dat is met name het geval in (de kerkorde van) de Nederlandse Hervormde kerk, waarin gesproken wordt over 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' en niet over 'overeenstemming' daarmee. Dat is ook het geval in de Gereformeerde Kerken, die al een aantal jaren - na hun synode van Middelburg – spreken over 'dynamische binding aan de belijdenis'. Nee, ook als uitdrukkelijk sprake is van binding aan de belijdenis kan er toch in de praktijk van confessionele verscheidenheid sprake zijn. Ik wil dit nader concretiseren.
Recent is uitgegeven een nieuwe nederlandse vertaling van De Westminster confessie met de Grote en de Kleine Catechismus. De vertaling werd verzorgd door drs. G. van Rongen m. m. v. dr. M. J. Arntzen, beiden behorend tot de Gereformeerde Kerken (vrijg.). Nu heeft drs. K. Exalto in ons blad enkele kritische notities geplaatst bij deze confessie, waarvan hij o. a. zei dat deze ten aanzien van verbond en verkiezing op wezenlijke punten afwijkt van de drie Formulieren van Enigheid. Over de verkiezing en de verwerping wordt in de Westminster confessie méér 'op gelijke wijze' beleden van het geval is in de drie Formulieren, in de gereformeerde belijdenisgeschriften te onzent. Ds. C. Harinck heeft zich in De Saambinder gehaast de kritiek van drs. Exalto te weerspreken en merkte op dat Exalto wel niet tot de Engelse Kerk zou hebben kunnen behoren, omdat daar de Westminster confessie (1643-1649) moest worden ondertekend. De reactie van ds. Harinck is begrijpelijk. Hier ligt een gevoelige kwestie. Binnen de Gereformeerde Gemeenten heeft namelijk wijlen ds. G. H. Kersten zich beijverd voor de heruitgave van de Westminster Catechismus. Hij deed dit op grond van het in de vorige eeuw nog gebruikte werk van Alexander Comrie.
Intussen heeft in De Wekker prof. dr. W. van 't Spijker deze heruitgave van de Westminster Confessie óók besproken. Hij spreekt er allereerst zijn verbazing over uit dat deze confessie vanuit de Gereformeerde Kerken (vrijg.) opnieuw is uitgegeven. Ik citeer letterlijk:
"Ik vermoed, dat deze uitgave in verband staat met de buitennederlandse contacten, waarvan in de "binnenverbandse" kerken sprake is. En ik spreek de hartelijke begeerte uit, dat men ons bij het noodzakelijke zoeken naar werkelijke eenheid in onze eigen nederlandse situatie toch niet zal willen binden aan deze engelse geschriften. Drie formulieren van Enigheid is genoeg. We hebben er niet meer nodig.
Maar als ik deze uitgave mag opvatten als een gebaar van ruimheid van denken en breedheid van confessionele opstelling, dan grijp ik moed. Daar kunnen, als het gaat om de Gereformeerde Gemeenten, de Westminster confessionele geschriften best bij. Ik wil ze bespreken. Maar ik zette mijn handtekening er niet onder."
Men ziet ook hier: ik zet mijn handtekening er niet onder. Drie Formulieren is genoeg. Maar – aldus Van 't Spijker – om de Gereformeerde Gemeenten erbij te betrekken, is kennelijk deze engelse confessie nodig.
Me dunkt dat hier wezenlijke vragen liggen. Vragen naar én de Gereformeerde Kerken (vrijg.) en de Gereformeerde Gemeenten, namelijk of drie formulieren 'genoeg is' of dat er meer nodig is.
Kennelijk gaan we er te gemakkelijk van uit dat binnen de Gereformeerde Gezindte overeenstemming bestaat als het gaat om de confessie? Bij allerlei organisaties en verenigingen 'staan' we op Schrift en belijdenis. Met de belijdenis bedoelen we dan de Drie Formulieren. Maar het zou kunnen zijn dat we dan te weinig zeggen?
In De Saambinder schrijft ds. K. de Gier over 'de noodzakelijkheid van de belijdenis'. Hij kritiseert terecht die kerken die met de (een) belijdenis het handje lichten. 'De gereformeerde vaderen hebben tot uitdrukking gebracht dat een kerkverband gegrond moet zijn op overeenstemming met de belijdenis', zegt hij terecht. Gezien de publicaties van Van 't Spijker en Exalto rijst dan de vraag: en de Westminster dan?; hoe zit het daarmee? Me dunkt een wezenlijke vraag binnen de Gereformeerde Gezindte. In ieder geval zijn er wezenlijke vragen gesteld aan beide genoemde kerken.
Bevinding
Intussen brengt me dit wel op een tweede element dat scheiding brengt in de Gereformeerde Gezindte, bij alle uitgesproken overeenstemming in confessioneel opzicht. Want al blijkt bijvoorbeeld binnen zowel de Gereformeerde Kerken (vrijg.) als binnen de Gereformeerde Gemeenten (wezenlijke?) belangstelling te bestaan voor de Westminster Confessie, juist als het over verbond en verkiezing gaat zijn deze kerken elkaars kritici. En dat openbaart zich met name óók als het gaat om het karakter van het geestelijk leven.
Zelf bracht ik, toen op de genoemde forumbijeenkomst zo nadrukkelijk gesproken werd over overeenstemming in de belijdenis, ter sprake het verschil in spiritualiteit, geestelijk leven, toegespitst nog: de bevinding. Ik verklaarde mij méér verwant te voelen in dat opzicht met prof. Van 't Spijker, die meer in een bevindelijke traditie wortelt dan dr. W. G. de Vries, die zich in woord en geschrift telkenmale nogal wars toont van bevinding. In De Reformatie, waarin dr. de Vries regelmatig publiceert, werpt hij vaak bevinding op de hoop van mysticisme of valse mystiek. Nu is er ongetwijfeld de eeuwen door tot op vandaag binnen het gereformeerd protestantisme sprake geweest van ontsporing als het gaat om bevinding. Niet alle bevinding is bijbelse bevinding. Soms wordt inderdaad voor bevinding aangezien het al maar graven van de mens naar zekerheid op grond van ervaring in eigen ziel en wordt de vaste grond van de zekerheid uit het oog verloren, namelijk buiten onszelf in Christus. Ik ga een stap verder door te zeggen dat aan bepáálde ontsporingen zelfs een onbijbelse verkiezingsleer ten grondslag kan liggen. De prediking kan zo onder de beheersing van een bepaalde verliezingsleer staan dat het aanbod der genade, de genadige toewending van God tot hen, die de beloften van het Evangelie horen, onvoldoende uit de verf komt, althans niet functioneert bij hen, die de prediking horen. De geloofszekerheid kan worden weggedrukt door een onbijbelse verkiezingsleer; niet door de Verkiezing op zich, die immers een trooststuk voor Gods kerk is!
Maar één en ander neemt niet weg dat bevinding als zodanig dóór en dóór bijbels is. De Schrift zelf is er vol van. Geloven is immers niet verwijzen naar een document. Als een mens bevraagd wordt op zijn of haar geloof zou men anders gevoeglijk kunnen verwijzen naar de confessie, waarin het beschreven is. Maar geloof in actu is een zaak van het hart. De belijdenis zelf houdt belijden en bevinden in één greep bijeen, als telkens gezegd wordt 'wij geloven met het hart en belijden met de mond'. Het geloven met het hart, het bevinden dus, staat voorop en vandaaruit bloeit het belijden met de mond op. En dan is er geen tegenstelling. Want wat ik in mijn hart geloof ligt inderdaad in de confessie verwoord. En wat de confessie verwoordt wórdt inderdaad in het hart, door het geloof bevonden.
Het belijden, in onze confessie verankerd, is als zodanig bevindelijk van aard. Wanneer in de belijdenis gesproken wordt over wedergeboorte en bekering, over rechtvaardiging en heiliging, over de (kennis) van de ellende en van de verlossing dan spreekt de belijdenis zelf daarover op een bevindelijke wijze. Als in de Dordtse Leerregels gesproken wordt over de wedergeboorte, dan wordt gezegd dat het is 'een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderbare, verborgene en onuitsprekelijke werking, dewelke naar het het getuigenis der Schrift… in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of opwekking der doden'.
De belijdenis zelf spreekt over de wedergeboorte op bevindelijke wijze. Iemand is niet wedergeboren omdát het in de belijdenis staat en hij als zodanig die belijdenis aanváárdt. Wedergeboorte vindt zelfs niet plaats – om dezelfde Dordtse Leerregels te citeren – 'door middel van de uiterlijke prediking alleen'. Wedergeboorte is werk van de Heilige Geest – jawel door middel van het Woord en dus niet buiten de uiterlijke prediking om – maar het gaat om innerlijke overtuiging, innerlijke verbrijzeling vanwege zonde en schuld voor Gods Aangezicht, en het worden opgericht uit onze doodsstaat voor God. Ontkenning van bevinding is ontkenning van de wedergeboorte als een werk van de Heilige Geest 'zonder ons in ons'.
Ontmoeting
Me dunkt dat er in de loop van de kerkgeschiedenis minstens zoveel kerkelijke scheidingen hebben plaats gevonden op grond van spiritualiteit dan op grond van confessionele verschillen. Nu heeft prof. Van 't Spijker tijdens genoemde forumdiscussie gepleit voor een ontmoeting van beide stromingen, dat wil zeggen van die kerkelijke stromingen, waarvan het geestelijk leven bevindelijk van aard is en die stromingen, die met bevinding eigenlijk niet goed raad weten. Hij pleitte voor ontmoeting van Voetius en Gomarus, elk vertegenwoordigende één component van beide stromingen in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme hier te lande.
Op zich lijkt me dat een waardevolle gedachte. Het is immers onverdraaglijk, dat al diegenen, die zich herkennen in de gereformeerde confessie als accoord van kerkelijk belijden, uiteen gaan op grond van de spiritualiteit, de geestelijke beleving. De vraag is echter maar waar zulke ontmoetingen (moeten) plaats vinden. Want op conferenties en tijdens forumdiscussies mogen ontmoetingen plaats vinden maar daarmee is nog niet blootgelegd waar existentieel, in geestelijk opzicht de verschillen liggen. Die worden pas duidelijk als we onder, elkaars prediking zitten. En die ontmoetingen vinden in de praktijk veel minder plaats. We ontmoeten elkaar meer op conferenties en vergaderingen dan daar waar God ons wil ontmoeten, namelijk daar waar Hij in het gewaad van Zijn Woord tot ons komt.
Als ik het dan ietwat ruwweg mag schetsen: wanneer iemand uit vrijgemaakt gereformeerde kring een kerkdienst bezoekt, waarin het bevindelijke element doorstraalt en bijvoorbeeld de vráág gesteld wordt of de hoorders kennis hebben aan het heil in Christus, dan komt dit op hen over als wroeten in eigen innerlijk. Ze ervaren wellicht erbuiten te staan. Omgekeerd ervaren 'bevindelijken' de prediking bij de vrijgemaakt gereformeerden wellicht als triumfantelijk. 'Men 'heeft' het altijd. De genade is om zo te zeggen voor het grijpen, zonder dat het dan nog genade is.
Intussen blijken juist op de prediking wegen uiteen te gaan en blijkt het schema bevindelijk/niet bevindelijk in de praktijk veelvuldig te worden gehanteerd. De praktijk leert zelfs dat velen al terugschrikken bij het loutere uitspreken van het woord bevindelijk. Dat zou alles met 'ziekelijk ' hebben te maken. Terwijl het anderzijds voor weer anderen bevindelijk heet wanneer dogmatisch alle nadruk wordt gelegd op de verkiezing en de onmogelijkheid om zalig te worden. Men kan ook niet-bevindelijk over bevinding spreken.
Maar in de ontmoeting staat voor mij vast dat ook de confessie doorademd is van de bevinding, van wat professor dr. J. Severijn placht te noemen de religie van de belijdenis. Zonder dat is de belijdenis dood leer en wordt het kil in de kerk, hoe belijdenisgetrouw we ook zijn.
De ontmoeting bij de studentenvereniging Gomarus in Driebergen leerde me in ieder geval dat we er voorlopig nog niet zijn door alle nadruk op de confessie op zich te leggen en intussen te zwijgen over de spiritualiteit. Wanneer dr. De Vries aan 'bevindelijken' de vraag stelt of ze wel staan op de bodem van de belijdenis dan heb ik de euvele moed hem dezelfde vraag te stellen wanneer hij zich zo verzet tegen bevinding, ook als worsteling om deel te krijgen aan het heil.
We zullen samen de belijdenis toch nog eens heel goed moeten bestuderen.
Intussen blijf ik met dr. De Vries vanwege de confussie on speaking terms.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's