Uit de pers
De doop van Augustinus: Pasen 387
Op 25 april 387, dus 1600 jaar geleden, is de beroemde kerkvader Augustinus in Milaan gedoopt. Hervormd Utrecht, onder de kerkbladen in ons land, die ik ken, een van de beste, greep de herdenking van dit gebeuren aan als uitgangspunt voor een Paasnummer over Pasen en de doop. Een fraai nummer met artikelen over de doop van Augustinus, de doopcatechese van de oude kerk, Noordmans en Augustinus, en voorts artikelen over het klassieke doopgebed, symbolen rond de doop, de geschiedenis van de doopvont en Kohlbrugge's preken over Romeinen 6. In dit persoverzicht vraag ik graag uw aandacht voor het artikel over de doop van Augustinus. Het is van de hand van dr. J. v. Oort, die een fraai proefschrift over Augustinus' werk De stad Gods schreef.
Hij dook in de geschriften van Ambrosius. de bisschop van Milaan, combineerde wat hij vond met de schaarse gegevens bij Augustinus zelf over z'n doop, en schreef een boeiend verhaal over dit gebeuren. Hij vertelt hoe de dopelingen barrevoets zich vroeg in de morgen van de 25e april 387 vanuit de hoofdkerk van Milaan naar de nabijgelegen doopkapel begaven. De nacht is wakend en biddend, vastend doorgebracht. Nu begeeft men zich naar de doopkapel onder het zingen van Psalm 42; zoals het hert smacht naar de waterbronnen, zo smacht mijn ziel tot U, o God.
Onder de voortschrijdende feestzangers bevindt zich Augustinus. het genie op weg naar zijn dienaarschap in Christus' kerk, de zelf lange tijd dwalende die wegwijzer wordt voor euwen. Maar van die toekomst weet hij op dit moment niets en de anderen kennen haar evenmin.
Bekend is slechts het verleden. Na een lange zwerftocht en een bijzondere roeping heeft de befaamde staatsprofessor in de retorica zich, samen met zijn vriend Alypius en zijn zoon Adeodatus, aangemeld als doopkandidaat. Deze gang moet hem niet in alle opzichten licht gevallen zijn. In de Belijdenissen meldt hij het analoge geval van Marius Victorinus, een bekend retor te Rome. Deze wilde – hoewel het anders mocht – de openbare weg gaan en legde voor de oren van allen belijdenis af van zijn geloof. Nu, in de nieuwe residentie Milaan, is de beurt aan Augustinus. De lofspreker voor keizer en generaals, de minnaar van rust en speculatie treedt voort te midden van het gewone volk.
Maar het is Gods volk, Christus' kudde. De achterliggende weken, sinds Augustinus 'zijn naam opgaf' om gedoopt te worden, is ook hij getekend met het kruis, merkteken en keurmerk, dagelijkse herinnering aan Christus' lijden. En als rekruut van Christus is hij terdege ingeoefend. Samen met de anderen heeft hij dagelijks apart gestaan, ongebaad, ongeschoeid, in onverzorgde kleding. Elke dag heeft ook hij de conferenties van bisschop Ambrosius aangehoord, het verhaal van de patriarchen of de wijsheden uit het Spreukenboek, de uitleg van Symbool en Onze Vader. 's Nachts is hij voor oor en oog van de verzamelde gemeente uitgevraagd en doorvorst (scrutinium). Als eertijds bij de dove in het evangelie is het Effatha over hem uitgesproken en werden zijn oren en bovendien zijn neusgaten aangeraakt: de oren opdat die zich openen voor heilswoorden. de neusgaten om op te snuiven de goede geur van het eeuwige leven.
En nu is hij op weg naar het baptisterium. Men kan zich niet anders voorstellen dan dat Augustinus deze blijde gang in vreugdetranen is gegaan. Meer dan eens immers meldt deze grote en tegelijk zo gevoelige geest – en gaan beide niet dikwijls samen? – zijn emotionaliteit. En juist op beslissende momenten welt ongeremde ontroering in hem op: 'Hoe weende ik bij Uw hymnen en gezangen; mijn tranen stroomden en het was mij goed met hen'.
In de doopkapel worden nu eerst de oude kleren afgelegd, beeld van de oude mens en zijn werken. Dan volgt de zalving. De atleet van Christus moet dapper tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk strijden en overwinnen: 'ubi certamen, ibi corona: waar gestreden wordt, daar is de kroon: gij strijdt in de wereld, maar wordt gekroond door Christus'. Na de zalving volgt de abrenuntiatio: 'Verzaakt gij de duivel en zijn werken?' 'Ik verzaak'. 'Verzaakt gij de wereld en haar begeerlijkheden?' 'Ik verzaak'. Daarna daalt hij af in de stromende fontein, het levende water waarover eerst de komst van Vader, Zoon en Geest is afgebeden. Drie vragen klinken: 'Gelooft gij in God de almachtige Vader? Gelooft gij in onze Heer Jezus Christus en in Zijn kruis? Gelooft gij in de Heilige Geest?' Driemaal luidt het antwoord: 'Credo' en driemaal volgt een ondergang in de stroom. Als een nieuwgeboren kind rijst daarna de gedoopte uit de vont op. Vervolgens vindt zalving van het voorhoofd plaats en – diepzinnige Milanese gewoonte!– de voetwassing. Tenslotte ontvangt hij een smetteloos wit kleed, beeld van de reinheid en kinderlijke onschuld: 'Besprenkel mij met hysop en rein zal ik zijn, was mij en witter zal ik zijn dan sneeuw'. Na de verzegeling met de Heilige Geest – 'de Geest van wijsheid en inzicht, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vroomheid (pietas), de Geest van heilige vreze (timor)' – keert de nieuwgeborene terug naar de kerk. Van nu aan behoort hij ten volle tot Christus' gemeente en mag hij deelnemen aan de maaltijd des Heeren.
Van Oort wijst er op, hoe de doopriten niet op zichzelf staan maar hun symbooltaal ontlenen aan de Schrift. De vroege kerk was er diep van doordrongen dat de Schrift vol geheimenissen was met betrekking tot de doop. De doop is herschepping, doortocht, reiniging, verlichting. De doop is nauw verbonden met het gebeuren van Pasen: Christus' dood en opstanding. Het gaat om sterven en opstaan. 'Zoals Christus het graf inging zo daalt de dopeling in de vont en wordt begraven met Hem. En zoals Christus opstond, zo rijst nu in de nieuwe levensmorgen de gedoopte met Hem op'.
Wie het klassieke doopformulier naast deze beschrijving legt, zal al snel allerlei motieven ontdekken, die teruggaan op wat in de vroege kerk gebeurde. Met name het gebed voor de doop, het zgn zondvloedgebed, is op dit punt van een grote diepgang en schoonheid. Prof. Kooiman, de Lutherkenner, schreef er jaren geleden een fraai artikel over in de feestbundel voor prof. Van der Leeuw. Ook de herinnering aan Romeinen 6 ontbreekt in het doopformulier niet.
De verbinding van Pasen en doop is voor ons geloofsleven van eminent belang. Het is goed en nodig om ons daarom voortdurend weer te verdiepen in het getuigenis van de apostelen over de doop in relatie tot Christus' heilswerk; bij deze bezinning kunnen de 'groten' uit de kerk ons van groot nut zijn, door hun inzicht in dit Schriftgetuigenis.
Om nog even op Augustinus terug te komen. In De Wekker van 24 april gaat ook prof. dr. W. v. 't Spijker in op de betekenis van de doop van Augustinus, de kerkvader wiens invloed op de gehele christenheid zo groot is geweest en nog steeds is, ja op tal van sectoren van de westeuropese cultuur bespeuren we de invloed van deze geleerde en bisschop. Van 't Spijker schrijft.
Men kan in Milaan de doopvont zien, waarin Augustinus werd gedoopt.
Zij wordt gevoed door levend water, dat in vier stromen verdeeld is. Het is alsof er iets van het paradijs in is, met zijn vier rivieren. Men mag wel zeggen dat dit Paasfeest voor Augustinus onvergetelijk is geweest: een opstanding met Christus tot een nieuw leven. Hoe vruchtbaar dit leven geweest is voor Gods kerk en Rijk, hoe veel het betekend heeft voor tal van generaties na hem is moeilijk in onze maatstaven aan te geven. De doop van deze leraar in de welsprekendheid getuigt krachtiger dan woorden kunnen doen over het vermogen van de opstandingsheerlijkheid van Christus. En zijn macht is sindsdien niet geringer geworden. Het is eeuwigheidskracht, die in de zestien eeuwen sinds de doop van Augustinus niet veranderd is.
Het gebed
Het blad Credo gaf een themanummer uit over het gebed (april 1987). Dr. R. Fernhout, wetenschappelijk medewerker aan de VU schrijft hierin een bijdrage 'Wat belijden wij van het gebed?'. Hij sluit zich aan bij vraag en antwoord 117 van de Heidelbergse Catechismus en zegt o.m.
Dat we de 'enige, ware, God' moeten aanbidden behoeft schijnbaar geen betoog. Tot wie anders zouden we als christenen bidden? De catechismus zegt er echter iets bij. Het gaat om de enige ware God, 'die zich in Zijn Woord aan ons geopenbaard heeft'. Dat plaatst ons voor de vraag of wij wel op de juiste, bijbelse, manier over God denken. Het blijkt namelijk ook anders te kunnen. We kunnen in naam de God van de Bijbel aanroepen, terwijl we ondertussen een beeld van Hem hebben gevormd, dat helemaal niet meer met de Bijbel overeenkomt.
Ik denk aan het beeld van de bijgekleurde God, dat de laatste jaren in onze kringen rondwaart. Het is een beeld van God waarvan alle donkere kanten zijn weggewerkt. Geen toorn meer, geen veroordeling en geen straf. God heeft alleen maar de trekken overgehouden van wat wij een 'humaan mens' zouden noemen, maar dan op wat grotere schaal.
In feite valt dit beeld evenzeer onder het tweede gebod als de gesneden en gegoten beelden van het Oude Israël. Wanneer je je tot dit godsbeeld richt, is je gebed al ontspoord voordat je één woord geuit hebt. Het kan niet meer aankomen, want deze God bestaat niet.
Wanneer we bidden moeten we beseffen, dat we spreken tot de heilige God, zoals de Bijbel Hem tekent. Luther schrijft ergens: 'Wie ben ik, dat ik het waag mijn ogen op te heffen, mijn handen uit te strekken naar de majesteit van God? Waar de engelen zijn en op wiens wenk de gehele wereld siddert, zou ik, ellendig mensje tegen Hem kunnen zeggen: Dit wil ik en ik vraag U of Gij mij dit schenkt? Gebeden die sterk en krachtig zijn, welke door de wolken heen kunnen dringen, zijn werkelijk moeilijk' (WA 43, p. 281 e.v.).
Luther noemt zichzelf een 'ellendig mensje'. Daarmee zijn we bij de tweede voorwaarde gekomen, die de catechismus noemt: Wij moeten 'onze nood en ellende goed en grondig erkennen'. Om meteen al een mogelijk misverstand te vermijden, er staat 'erkennen' en niet 'voelen' of 'beleven'. Uiteraard kan dit erkennen, en zal het ook vaak gepaard gaan met een gevoel van nood en ellende, maar daarom is het nog niet hetzelfde. Wanneer je ernstig ziek bent, hoef je je nog lang niet altijd ziek te voelen. Het kan zelfs het genezingsproces in de weg staan als je je al te zeer ziek voelt. Je dient echter wel altijd te erkennen dat je ziek bent en je als zodanig te gedragen. Dat wil zeggen, goed luisteren naar de dokter en op tijd je medicijnen innemen. Anders gaat het beslist verkeerd met je. Zulk een erkennen, maar dan van de nood en de ellende in je verhouding tot God, vraagt nu ook de catechismus van iemand, die bidt.
Maar waarin bestaat die nood en ellende dan? Daarvoor moeten we helemaal terugbladeren naar het begin van de catechismus en wel naar zondag 2, waar we lezen: '…ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten'. Er staat 'geneigd'. We laten het niet altijd blijken – gelukkig niet! –, maar die neiging is er, diep in het hart van ons allen. Dat is de droevige werkelijkheid van het menselijke bestaan. Zoals er echter een bijgekleurd godsbeeld rondgaat in onze omgeving, zo is er ook een bijgekleurd mensbeeld. Dan is de mens niet zondig meer, maar beperkt. De nood en ellende zit hem niet in zijn natuurlijke neiging, maar in uiterlijke omstandigheden. Wanneer je, zo is de redenering, nu maar wat doet aan die uiterlijke omstandigheden, zul je ontdekken, dat de mens in wezen zo slecht nog niet is.
Het is duidelijk dat dit bijgekleurde mensbeeld precies past bij het bijgekleurde godsbeeld van de laatste jaren. God is, naar het schijnt, wat milder geworden en wij zijn, naar het schijnt, wat beter geworden. Maar schijn bedriegt. Daarom moeten we zowel tot de 'enige, ware, God' bidden alsook beseffen als wa voor mensen we tot deze God bidden. Luther vervolgt de aanhaling van boven met: 'Ik namelijk, die stof en as ben en vol met zonden, spreek tot de levende, eeuwige en ware God. Daarom is het geen wonder als de bidder beeft en terugdeinst'.
Toch is er het wonder van het gebed en de gebedsverhoring. Van Gods kant is het onmogelijke gebeurd: de kloof is overbrugd in en door Christus.
Van Gods kant bezien blijkt het menselijk onmogelijke echter toch te kunnen gebeuren. En wel op een wijze, waarvan je alleen maar met de psalmist kunt zeggen: 'Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij' (Ps. 139 : 6). Over de kloof tussen Hem en mij heen zendt Hij zijn Zoon om voor mij en in mijn plaats te sterven, ja, om voor mij 'helse angsten pijn' te ondergaan (zond. 16, antw. 44). Dat is niet slechts een teken dat God mij wil verhoren, maar het is ook de reden ervoor. Zo zegt de catechismus het ook. Wij zijn het 'niet waardig', maar God wil ons zeker verhoren 'om de wille van Christus, de Heere'.
Nu sprak ik zoëven over 'van Gods kant bezien', maar dat is uiteraard enkel beeldspraak. Wij kunnen niets van zijn kant uit bezien. Het is onmogelijk om je in God in te denken of in te leven. We hebben echter zijn Woord. Hetzelfde Woord waarin we Hem leren kennen als een heilige God en onszelf als zondige mensen, leert ons ook zijn vaderliefde kennen in Jezus Christus. Daarom voegt Luther, wanneer hij de bidder laat beven en terugdeinzen er onmiddellijk aan toe: 'Het geloof echter dat steunt op de barmhartigheid en het Woord van God, overwint deze angst en komt die teboven'.
De vraag die in het pastoraat nogal eens gehoord wordt is: gaat dit nu ook op voor mijn armzalige en schamele bidden? In aansluiting aan Kohlbrugge wijst Fernhout erop, dat ons bidden het bidden blijft van zondige mensen. Maar God hoort naar zondaars om Christus' wil. Daarom besluiten we ons gebed met het woord Amen: het is waar en zeker. En dan kun je begrijpen dat Kohlbrugge in zijn uitieg van de catechismus over het gebed schrijft: 'het gebed is het hemelleven bij aanvang'. En de Heidelberger wijst er op, dat de zekerheid van de verhoring door God ver uitgaat boven ons verlangen er naar. (antw. 129). Vast en zeker.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's