Globaal bekeken
Ds. L J. van der Kam was ooit een geharnast strijder voor de vrijzinnigheid in de Hervormde Kerk. Hij ging over naar de doopsgezinden vanwege Samen op Weg. Hier volgt een stuk, ontleend aan de Friesland Post, overgenomen in het principieel vrijzinnige maandblad Zwingli. Principieel vrijzinnigen hebben ook hun moeite met Samen op Weg, zij het om gans andere redenen dan hervormd gereformeerden.
'Samen op weg' was voor de emeritus-predlkant ds. L J. van der Kam reden om uit de hervormde kerk te stappen. In 1977 heeft hij zich aangesloten bij de doopsgezinden, waar hij zich veel beter thuisvoelt Ds. Van der Kam vreest dat 'Samen op weg' de ontkerkelijking in de hand werkt. "Want voor de vrijzinnigheid is geen plaats meer. De groep vrijzinnigen wordt de kerk uitgejaagd."
"Bij een samenwerking stellen gereformeerden hun eisen", legt ds. Van der Kam uit. Bij kanselruil zijn alleen nog rechtzinnig hervormde predikanten welkom. Zo'n predikant moet instemmen met de belijdenisgeschriften en de bijbel van kaft tot kaft Gods woord noemen. Vrijzinnigen zien dat anders. Zij zien de bijbel als Gods woord temidden van menselijke woorden.
"Wij weten het allemaal niet zo goed", zegt ds. Van der Kam. "Wij lopen niet te koop met ons geloof. De manier waarop gereformeerden hierover in overlijdensadvertenties schrijven, noem ik benauwend. Maar zelfs binnen de hervormde kerk is voor onze opvattingen steeds minder ruimte. De orthodoxie is erg onverdraagzaam. Zelf heb ik in mijn loopbaan als predikant altijd willen aanpappen met orthodoxen. Zij op hun beurt hebben ons bij voortduring verdacht gemaakt. Van de eens zo pluriforme hervormde kerk is niet veel meer over en dat wordt bij een verdergaande samenwerking alleen nog maar erger."
Na 45 jaar had ds. Van der Kam er genoeg van. Daarom stapte hij over naar de doopsgezinde kerk. "De kerk is voor mij geen heilsinstituut", zo zegt hij "Ik geloof in de belijdende kerk, niet in de belijdeniskerk. Het christen-humanisme spreekt mij aan. De bijbelse boodschap in de wereld in praktijk brengen, zonder strakke dogma 's. Dat zie ik bij Samen op Weg in de knel komen."'
Een lezer zond ons het laatste nummer van de Waarheidsvriend, dat in de oorlog verscheen (12 februari 1942). In een rubriek 'over en weer' geeft prof. dr. J. Severijn, toen voorzitter van de Gereformeerde Bond, een beschouwing over vrijzinnig en orthodox. Gezien het bovenstaande volgen hier enkele passages uit de beschouwingen van Severijn.
'De vrijzinnige heeft zijn bedenkingen, als hij de orthodoxen hoort. Het omgekeerde is evenzeer waar. Men kan dat gewaar worden in de reacties dergenen, die voor de confessie opkomen, omdat zij haar aanhangen. De vrijzinnigheid en de rechtzinnigheid vinden nu eenmaal hun criterium in de betrekking tot de leer. Recht in de leer of vrij ten aanzien van de leer. Het is de leer, die beslist.
Welke leer?
Men kan zeggen de leer der kerk, zooals die in haar confessie is neergelegd. Zoo wordt het echter in de practijk niet altijd opgevat. Er zijn er, die aanspraak maken op den naam orthodox, hoewel zij niet zonder critiek tegenover de confessie staan. Er zijn er, die geen bezwaar maken om onder de confessioneelen – en dan bedoelen wij dat niet in den zin van een groep, die gewoonlijk zoo wordt genoemd, – te worden gerangschikt, maar die niettemin bezwaar hebben tegen een of ander stuk der confessie.
De practijk toont derhalve aan, dat de grenslijn tusschen vrijzinnig en orthodox niet bepaald door de confessie der kerk wordt aangewezen.
Het woord orthodox heeft zijn variaties. Men kan orthodox zijn ten aanzien van een bepaald leerstuk b.v. in de leer van de Godheid van Christus, terwijl men in andere opzichten niet orthodox is, of – zooals men het veelal uitdrukt – niet orthodox denkt. Dat wil dan zeggen, dat men in het betreffende leerstuk overeenkomstig de leer der belijdenis denkt, terwijl men in andere stukken anders of met eea vreemd woord heterodox denkt.
Het blijft dan nog in het midden, of men dit anders denken vrijzinnig zal noemen. Men kan pl. wel vrij tegenover eenig stuk der confessie staan, zonder nog vrijzinnig te zijn. Het is immers mogelijk, dat iemand een andere opvatting aangaande eenig stuk der belijdenis heeft op grond van zijn overtuiging of meening, dat de Heilige Schrift anders leert. (. . .)
Daarmede is tegelijkertijd het criterium der vrijzinnigheid aangeduid. Hij, die zich niet onderwerpt aan de leer der Heilige Schrift, zooals die naar het gemeenschappelijk gevoelen der kerk wordt geleerd en beleden, is vrijzinnig. Hij is dat niet alleen, omdat hij zich tegen de kerk stelt, maar zijn gevoelen vindt zich niet in het gemeenschappelijk gevoelen der kerk, omdat hij van anderen geest is en zich aan de Heilige Schrift niet onderwerpt.
Wij houden bij dit alles het oog gericht op de capitate stukken des geloofs, niet, omdat de middelmatige of minder belangrijke stukken ons onverschillig zouden zijn, maar om zoovelen, die schoon niet in alle deelen rechtzinnig geloovend of denkend, doch, die toch niet als vrijzinnig willen geteekend worden, te behouden. (. . .)
Als voorbeeld neme men, hoe daar over den Christus wordt gesproken en geschreven. Wat beteekenis hebben dan de krasse en duidelijke uitspraken der Schrift, als: alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet (Joh. 4 : 3).
Dit is toch zeker een duidelijke uitspraak in een fundamenteel stuk der belijdenis, hetwelk niettemin wordt bestreden of opgevat in een zin, die met ontkenning dezer waarheid gelijk staat.
Daaraan zouden wij evenzoovele voorbeelden als er fundamenteele heilsfeiten zijn kunnen verbinden, welke door de Schrift klaar en duidelijk worden geleerd, zooals zij ook door de confessie worden beleden.
Weer een schrede verder: de leer aangaande den mensch: zijn schepping, zijn val, en de zaligheid uit genade.
Dit alles raakt aan de fundamenteele stukken, waarin de belijdenis der kerk niet twijfelachtig is en welke scheiding maken tusschen het geloof der kerk van Christus en degenen, die zich van de leer der apostelen en profeten hebben afgekeerd.
Wanneer nu de orthodoxe belijder uitdrukkingen hoort uit den mond van den vrijzinnige, die op gespannen voet staan met deze fundamenteele geloofsstukken, kan dit toch niet nalaten bij hem bedenkingen te wekken. De rechtzinnige kan zijn geloof niet prijsgeven, waarin hij voor tijd en eeuwigheid zijn eeuwig heil heeft gevonden. Niets wordt in zijn geloofsleven zoozeer bestreden dan zijn eigen vrijzinnigheid. Daarom kan hij het niet anders zien dan dat de vrijzinnige, die met denzelfden Christus van doen heeft, ook in dien strijd wordt betrokken en zal afstaan van zijn vrijzinnigheid, naarmate hij wordt gevangen geleid tot de gehoorzaamheid van Christus.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's