Het geweten een goed kompas?
Opmerkelijke uitspraak
Op de algemene vergadering van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst (KNMG), gehouden op 24 april 1987, heeft de voorzitter, de huisarts W. H. Cenze, zich nog weer eens uitgelaten over het vraagstuk van de euthanasie. Hij wil een vertekend beeld van de visie, die het Hoofdbestuur van de KNMG op het euthanasieprobleem in zijn totaliteit heeft, aan de kaak stellen. Cenze stelt nadrukkelijk dat het nimmer de bedoeling is geweest van het Hoofdbestuur om in de morele discussie in hoeverre euthanasie geoorloofd is of niet, stelling te nemen. De opvattingen van hen die bij euthanasie grote vraagtekens plaatsen, heeft het Hoofdbestuur altijd gerespecteerd en geëerbiedigd. Met erkentelijkheid kunnen we van deze uitspraak kennisnemen. Die erkentelijkheid geldt ook het vermelden in zijn toespraak van een aantal aspecten die tot op heden in de uitlatingen namens de KNMG niet of nauwelijks aandacht hebben gekregen: goede stervensbegeleiding, adequate pijnbestrijding, peiling en toetsing van de omstandigheden waaronder euthanasie geschiedt. In het geschetste verband deed Cenze een uitspraak die ik van kritisch commentaar wil voorzien:
'In een pluriforme maatschappij moet het mogelijk zijn dat patiënten en artsen in gezamenlijkheid de weg van hun geweten volgen, mits aan de voorwaarden van zorgvuldigheid is voldaan…'
Strekking van deze uitspraak
Laten we de betreffende volzin eerst aan een nadere analyse onderwerpen.
'In een pluriforme maatschappij.' Hier wordt een feit geconstateerd. De huidige Nederlandse samenleving vertoont een grote diversiteit aan (sub-)culturen en opvattingen. Er is niet één bepaalde waardenoriëntatie, nog minder één bepaalde geloofsovertuiging die allen overkoepelt of de meerderheid samenbindt. De suggestie die van deze verwijzing naar de pluriforme maatschappij uitgaat, is ongetwijfeld deze dat er dan ook ruimte moet worden geboden aan de diversiteit. Dat houdt dan ten aanzien van de euthanasieproblematiek in, dat principiële tegenstanders van euthanasie de ruimte houden om euthanasie af te wijzen en zich tegen toepassing ervan te verzetten. In en ondanks dit verzet kunnen artsen voluit lid van de KNMG blijven. Maar anderzijds dienen voorstanders de ruimte te krijgen, niet alleen de facto, maar ook de iure, dus niet alleen in een oogluikend toegelaten praktijk, maar ook gerechtvaardigd door wetgeving terzake, euthanasie toe te passen.
'Patiënten en artsen in gezamenlijkheid.' Er is een mondigheid van de patiënt, maar er is ook de zelfstandigheid van de arts. De patiënt die euthanasie wil, mag niet belemmerd en geblokkeerd worden door een arts die van euthanasie niet wil weten. Omgekeerd is het zo dat een arts nooit euthanasie mag opdringen aan een patiënt die daar afwijzend tegenover staat. Cenze geeft op dit punt in zijn betoog zelf een nadere praktische uitwerking: het zou in een goede begeleiding van de patiënt passen dat de arts zelf het onderwerp euthanasie ter sprake brengt, 'om hiermee alle twijfel weg te nemen en de patiënt de zekerheid te geven, dat er géén handelingen of behandelingen zullen plaatsvinden tegen zijn of haar wil in'. Immers: evenmin als de arts zijn wil aan de patiënt mag opleggen, mag de patiëntzijn wil aan de arts opleggen. Een verschil in visie met betrekking tot de levensbeëindiging zou er toe kunnen leiden, dat de arts zich terugtrekt uit de behandeling en de hulp van een collega inroept. De weg van hun eigen geweten volgen. Dit is het cruciale punt in Cenze's betoog. Er mag geen sprake zijn van moralistische betutteling, zelfs niet van morele bevoogding. Ieder mens, patiënt of dokter, heeft een geweten. De mens doet er goed aan de stem van zijn geweten te volgen en te gaan in de richting waarheen het geweten hem of haar leidt. Het beroep op het geweten als subjectieve (alleen voor mij persoonlijk geldende) norm, is het laatste appèl dat overblijft in een maatschappij (en ook binnen een KNMG) waarin zo fundamenteel verschillend over normen en waarden wordt gedacht.
Het is echter zo, dat veel artsen en patiënten gehinderd worden in het volgen van de weg van hun geweten door de wetgeving inzake euthanasie. Een arts kan in geweten overtuigd zijn euthanasie te mogen en te moeten toepassen, maar er tegelijkertijd voor terugschrikken om eventueel met de justitie in aanraking te komen. En een patiënt kan geremd worden in zijn verzoek om euthanasie, omdat hij de arts niet in problemen wil brengen. Impliciet vraagt Cenze dus om legalisering van euthanasie, om wijziging van de wetgeving op dit punt, om zo de baan vrij te maken voor hen die hun geweten volgen.
Mits aan de voorwaarden van zorgvuldigheid is voldaan. Met deze laatste woorden maakt Cenze het pleidooi voor de mogelijkheid van legale euthanasie expliciet. Het opstellen van zorgvuldigheidseisen is immers een begeleidend verschijnsel bij het legaliseren van euthanasie. Duidelijk laat Cenze hier een 'ja, mits' standpunt horen, zoals dat al geruime tijd van de zijde van het Hoofdbestuur van de KNMG gebruikelijk is. Opmerkelijk is nu, dat het beroep op het geweten ook voor hem niet afdoende en voldoende is. Het moet gepaard gaan met het inachtnemen van geformuleerde en vastgelegde voorwaarden van zorgvuldigheid.
Beoordeling van deze uitspraak
Na de weergave van de opmerkelijke uitspraak van drs. Cenze, wil ik nu puntsgewijs een kritische beoordeling geven vanuit ethisch gezichtspunt. Het beroep op het geweten is bij uitstek problematisch. Het is zeker waar dat er in ieders geweten bepaalde beseffen van goed en kwaad liggen opgesloten. Er zijn bepaalde basisregels, bepaalde elementaire principia van humaniteit, die in zeer brede kring erkenning vinden. Hieronder valt een gebod als 'gij zult niet doodslaan'. Het is niet goed om een medemens van het leven te beroven. Een moordenaar is veroordelenswaardig. Toch zien we in bepaalde culturen dat zwakken en weerlozen worden gedood (indertijd onder de Spartanen en bij Eskimo's). Het geweten kan zo gevormd en vervormd zijn door de gewoonten en tradities van een cultuur, dat het moreel volstrekt aanvaardbaar wordt geacht om mensen van een rots naar beneden te werpen, teneinde hen zo via een snelle dood de aftakeling van het ouder worden te besparen.
Hoezeer het geweten tot zwijgen gebracht en verwrongen kan worden, is wel gebleken tijdens het nazi-régime. Artsen hebben gewetenloze praktijken uitgevoerd onder het mom van euthanasie, zoals vandaag de dag in de communistische wereld artsen evenzeer gewetenloos bezig zijn met hersenspoeling en marteling onder de dekmantel van psychiatrie. Het is niet mijn bedoeling een parallel te trekken tussen deze totaal ontspoorde artsen onder het hakenkruis of onder hamer en sikkel enerzijds en doktoren die zich in welomschreven situaties gedrongen gevoelen tot het plegen van euthanasie anderzijds. Waar het nu om gaat is nog eens te signaleren hoe schijnbaar gewetensvolle mensen door de waan van de dag en een collectieve verblinding gewetenloze misdadigers kunnen worden. In reaktie op de verschrikkingen gedurende de tweede wereldoorlog is het geweten van artsen in heel de wereld aangescherpt: dit mocht nooit weer gebeuren. Verklaringen van internationale conferenties legden er getuigenis van af, dat voortaan het grootste respect zou worden opgebracht voor het menselijk leven, vanaf de conceptie totdat de dood is ingetreden. De beste tradities van de medische ethiek in de lijn van Hippocrates herleefden!
Maar wanneer we nu in de tachtiger jaren van onze eeuw horen hoe vele gerespecteerde personen in onze samenleving pleidooien voeren voor levensbeëindiging op verzoek èn ook in het (vermeende) belang van mensen, als we kennis nemen van moord-praktijken onder het mom van euthanasie, dan is de vraag onontkoombaar: hebben we nog steeds niets geleerd? Het geweten dwaalt en faalt dikwijls. Het laat zich dan op sleeptouw nemen door de heersende opinie van de omgeving, door de trendsetters en opinie-makers die de media van radio en (vooral) televisie beheersen. Moet de wetgever terugtreden om het geweten vrij baan te geven? Of moet de wetgever juist de beseffen van het geweten die in de huidige ontwikkeling van onze cultuur uitgewist dreigen te worden, opnieuw opwekken?
Dr. R. Fenigsen maakt hierover behartigenswaardige opmerkingen in zijn onlangs verschenen publicatie Euthanasie-een weldaad? ('s Hertogenbosch, 1987). Elke nieuwe wet die bepaalde vormen van euthanasie toelaatbaar zou maken, zal, meteen door de realiteit achterhaald blijken te zijn en al op de dag van inwerkingtreding worden afgeschilderd als 'verouderd', 'onvoldoende' en 'niet meer in overeenstemming met het algemeen rechtsgevoel'. De enige conclusie die de pubieke opinie… (zal) trekken uit een nieuwe wet zal zijn dat onze maatschappij nu ook wettelijk het principe van de onaantastbaarheid van het menselijk leven opzij heeft gezet' (blz. 98).
Het is duidelijk dat drs. Cenze met zijn uitspraak wel degelijk namens het Hoofdbestuur van de KNMG stelling heeft genomen inzake de vraag of euthanasie geoorloofd is. Hij stelt euthanasie immers voor als een zaak, die aan de gewetensvrijheid moet worden overgelaten en die dus niet persé afgewezen moet worden. Maar dat laatste betekent nu juist een breuk met de eeuwenoude medische ethiek, die zich baseerde op morele gronden aangedragen door Joden, Christenen en Humanisten.
Hierover stelt Cenze niets anders in de plaats dan een aantal zorgvuldigheidseisen. Deze zijn op hun beurt ook weer gebaseerd op de gewetensvolle afweging van een bepaalde meerderheid in de samenleving. Welk verweer is er dan nog te bieden aan hen die met een beroep op hun geweten van deze voorwaarden afwijken? En zijn deze eisen niet aan slijtage onderhevig wanneer ze niet gedragen worden door principiële inzichten en normerende waarden?
Door zich zó op het geweten te beroepen als drs. Cenze nu gedaan heeft, wordt iedere fundamentele discussie bij de wortel afgesneden. Er wordt een oncontroleerbare autoriteit ingevoerd, waartegenover iedere argumententatie bij voorbaat machteloos staat. Het Hoofdbestuur van de KNMG zou er beter aan doen op te roepen tot een diepgaande herbezinning op deachtergronden vande medischeethiek-die opzettelijke levensbeëindiging door artsen altijd heeft afgewezen, alsook op de achtergronden van het pleidooi voor een nieuwe medische ethiek die hier haaks op staat. Het is onmiskenbaar waar dat wij leven in een pluriforme maatschappij. Maar dat stelt juist temeer voor de opdracht om te zoeken naar waarden en normen die een zo breed mogelijk draagvlak vinden. Wanneer die fundamentele discussie binnen de KNMG eindelijk eens gevoerd zou worden, kan misschien blijken dat er geen overeenstemming te vinden is. Maar dat mag niet bij voorbaat worden geponeerd. Door een versluierend beroep op het geweten wordt iedere principiële discussie gefrustreerd. Een oproep aan de wetgever om terug te treden voor het geweten van de burgers betekent per uiterste konsekwentie een oproep om zichzelf op te heffen. Het vastleggen van telkens wisselende zorgvuldigheidseisen kan dan aan ambtenaren en statistici worden overgelaten.
Het goede kompas
Het geweten is geen goed kompas. Hét goede kompas is de Bijbel, de openbaring van de levende God. Kunnen we daar nog mee aankomen in een pluriforme maatschappij. Ja, aangezien we het niet laten bij een beroep op het gezag van de Schrift, maar ook argumenten aandragen die voor ieder aansprekelijk en inzichtelijk willen zijn. Zo kan er op ethisch gebied op vele terreinen een herkenning en zelfs overeenstemming zijn tussen mensen met heel verschillende geestelijke achtergronden. Maar dat vraagt dan wel om een diepgaand moreel beraad zonder de knopen door te hakken met een beroep op het geweten.
J. Hoek, Veenendaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 27 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 27 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's