Boekbespreking
Karel Deurlo/Karel Eykman, Wat heb je, zee? Dat je vlucht? Uitgeverij Ten Have BV, Baarn; 160 blz.; ƒ 21,50.
Dit boekje geeft een analytische sfeerrtekening van een aantal psalmen. De stof die erin verwerkt is stamt uit een exegese-week op Hydepark, die zijn voortzetting heeft gevonden in een aantal radio-kerkdiensten in 1985/86, en in leerhuiskringen in Amsterdam. De titel blijkt ontleend te zijn aan Psalm 114. De eerste helft van dit boek bespreekt aan de orde gestelde psalmen. Daarin is vooral de theoloog Deurlo aan het woord. Eykman en Deurlo zorgden samen voor de verhalen van het tweede deel, in afwisseling. De (kinder)verhalen slaan niet systematisch op de eerder behandelde psalmen.
Dit boekje wil de psalmen 'tot klinken' brengen, geen diepgaande uitleg of toepassing geven maar vertellen wat er in de grondtekst staat, in nauwe samenhang met de gebruikte grondwoorden en de gegeven compositie-elementen, ook rekening houdend met het genre lied dat we voor ons hebben. Deze zorgvuldige omgang met de bijbeltekst als tekst doet sympathiek aan, en bij selectief gebruik zal dit boekje vaak een deurtje open kunnen doen gaan.
De verhalen in het tweede deel zijn vaak ontroerend, maar in hun eenvoud tevens tendentieus. Het zijn meestal illustraties in vertelvorm van een uit een psalm uitgekozen moment. De keuze van dit 'moment' en de wijze waarop het wordt geactualiseerd verraadt echter méér uitleg dan de schrijvers zeggen te bieden. Ze zijn sterk humaniserend van toets.
Naar ons besef is dit boekje geen eenheid geworden. Allereerst al omdat de psalmen van het eerste deel niet dezelfde zijn als die van het tweede. Voorts omdat er op deze wijze iets tussenuit valt: de ontvouwing van hetgeen in het eerste deel aan de orde is gesteld. Nu weet ik wel dat de schrijvers met opzet geen actualiserende uitwerking van de psalmen nastreven omdat de tekst voor zichzelf spreken moet. De verhalen echter actualiseren wel degelijk, en alleen al de keuze van het element uit de psalm dat men actualiseert verraadt in welke richting de gedachten gaan. Bovendien blijkt het joodse erfgoed zich er erg gemakkelijk voor te lenen om zo maar pardoes in onze levenswerkelijkheid te worden gezet. En dat ondanks het feit dat de schrijvers zo goed weten dat de psalmen 'niet eigentijds' zijn, haaks staan op onze werkelijkheid en dus herkend moeten worden. Zo valt de schakel weg tussen enerzijds zorgvuldige analyse van de tekst, anderzijds het 'leven van het lied', het be- en uitleven ervan. Beter gezegd, er kruipt iets anders tussen deze beide dingen in: eigentijds levensgevoel.
Wie weglaat dat de psalmen vertolkers zijn van het religieuze erfgoed van Israël dat ook het onze is geworden, en dat dit erfgoed zijn eigen niet-aardse oorsprong en geheim heeft, een geheim waarin wij mogen delen omdat er in het werken van de Geest continuïteit, standvastigheid schuilt; pakt de psalmen iets fundamenteels af. Wij weten óók wel dat je de psalmen niet als liederen uit de tijd na Pinksteren, dus als gezangen, kunt uitleggen, maar onze verbondenheid met die psalmen loopt over die met de hele Schrift, als voortgaand getuigenis van Gods openbaring.
Zo horen ze tot het joods-christelijke erfgoed, en de sprong naar de actualiteit kunnen wij slechts maken na eerst te zijn nagegaan wat er met een psalm in de loop van de heilsgeschiedenis gebeurd is, onder inwerking van de Zich openbarende God. Wij hebben dan ook grote waardering voor het uit dit boekje sprekende respect voor de grondtekst, en delen de mening van de schrijvers dat deze voor zichzelf spreekt, maar zijn er tegelijkertijd op uit de psalmen te verstaan in het geheel van de Godsopenbaring, om zo te pogen de inhoud van de psalmen present te stellen in het heden. Een boekje om kritisch, selectief maar met waardering te gebruiken.
S. Meijers, Leiden
Rudolf Walter (red.), God heeft wel honderd namen. Ten Have/Baam; 142 blz.; prijs ƒ 19,90.
Door een zeer uiteenlopend gezelschap schrijvers, waaronder Rudolf Bohren, Walter Dirks, Jürgen Moltmann, Otto Hermann Pech, Dorothee Sölle, Heinz Zahrnt – wordt in dit boek getuigd en geschreven over de namen en aanduidingen van God in de bijbel. Zeer persoonlijk, ieder op eigen wijze, en in een voprtdurende relatie met de eigen ervaring.
Wat deze schrijvers verbindt is allereerst de gedachte dat God een God is Die Zich verborgen houdt. De keerzijde daarvan is dat wij over Hem spreken op onze eigen wijze, en dit kan omdat de mens naar het Beeld Gods gemaakt is.
Dit boek is een typisch voorbeeld van de moderne theologie op zijn best. Doorlopend wordt gebroken met klassiek-theologische uitspraken over God, terwijl tegelijkertijd gepoogd wordt aan deze uitspraken een (nieuwe) zin te geven. Ik denk dat het velen zal aanspreken die grote moeite hebben God in deze wereld – nog – te ervaren. En het kan traditioneel denkende christenen de ogen openen voor hoe de 'rechte leer' over God verworden kan in mensenhanden, en tot een sta-in-de-weg voor het geloof
Tegelijkertijd meldt zich dan principieel afwijzing. Is God niet in meer zichtbaar dan in de medemens? En is deze medemens dan openbaring? En laat de Naamloze Zich alleen tastend benoemen? En als de klassieke theologie zich aan een Godsleer waagt, brengt zij dan God in een patroon om zo Zijn vrijheid te beknotten, of spreekt zij Hem na zoals Hij Zich openbaart? Ik houd hèt, in alle voorzichtigheid, op het laatste.
Toch een waardevolle, ook waardig uitgegeven, pocket, niet het minst omdat hij ons theologen in het hart doet zien.
S. Meijers, Leiden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 27 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 27 mei 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's