Kennis en vroomheid
Dezer dagen nam ik kennis van een rapport, waarin een theoloog verslag deed van een serie ontmoetingen op theologisch niveau met personen in Oost Europa. Inzet van de besprekingen was geweest Calvijn en diens wijze van theologiseren en exegetiseren. Ik citeer uit dit verslag:
'verder wees ik op Calvijns oproep…om geduldig te wenen in Gods lachen (over zijn vijanden). Zo had deze intensieve bespreking verschillende zeer existentiële momenten, waarin de situatie van de kerk (in dat land, v. d. G.) doortrilde en waarin de ervaring dat het woord Gods in de heldere en klare exegese van Calvijn een woord is dat in de praktijk van alle dag aanslaat en dus 'bevindelijk' waar is, tot grote dankbaarheid stemt. Het is een groot voorrecht om zo met de groten der kerk bezig te zijn en een groep mensen te ontmoeten, die in hun situatie hun geestelijke kracht daaruit putten om met hun grondige wetenschappelijke scholing en talenkennis door te stoten tot de bronnen en tot de kern'.
En verder: 'een week van zo'n intensief contact op een niveau waar scientia (kennis) en pietas (vroomheid) zo wezenlijk met elkaar verbonden zijn, schept een band voor het leven'.
Kennis
Hoe is de kennis in de loop der eeuwen niet geweldig vemeerderd. Elke tien jaar verdubbelt de wetenschappelijke kennis. En wij allen delen in de vruchten daarvan, in de zegenrijke vruchten en in de kwade vruchten. Wie intussen in de wetenschap bezig is en steeds meer kennis verzamelt ervaart wat de Spreukendichter zegt, namelijk dat wie wetenschap vermeerdert ook smart vermeerdert. Iemands denken kan zelfs zo complex worden door het al maar vermeerderen van kennis, dat daar psychische stoornissen uit voortvloeien. Hoe méér mensen wéten, hoe moeilijker het wordt. En iemand met een strikt wetenschappelijke aanleg kan daardoor zo genuanceerd worden dat hij steeds groter aarzelingen krijgt om tot standpuntsbepalingen te komen. Bij elke uitspraak is nog wel weer een nuancerende kanttekening te maken. Ouder worden kan daarom óók leiden tot genuanceerder denken.
Intussen leert de praktijk dat bij velen vermeerdering van wetenschappelijke kennis soms gepaard gegaan is met het verlies van het geloof in de Schrift. Van de grondlegger van de evolutietheorie Charles Darwin – zelf afkomstig van orthodoxen huize – is bekend dat hij met de ontwikkeling van zijn wetenschappelijke inzichten ook een ontwikkeling in religieus opzicht doormaakte. Steeds meer vragen ging hij zetten achter de betrouwbaarheid van de bijbelgegevens, vervolgens achtte hij verschillende wereldreligies van gelijke waarde en tenslotte – zo zegt hij zelf – veliet het geloof in God als schepper hem geheel: 'en ik kan niet zeggen dat het me pijn deed'.
Hoe velen zijn er zo door de eeuwen heen niet geweest, die, naarmate ze vorderden in kennis en wetenschap, meer en meer agnost werden. Al zal ik nooit vergeten een brief, die ik ooit kreeg van een duitse bioloog, die vertelde dat hij als atheist bezig geweest was in zijn wetenschappelijk bedrijf maar tenslotte tot de conclusie was gekomen dat 'achter zo'n groots bouwwerk' als de natuur, waarin hij bezig geweest was, wel 'een groot Architekt' moest staan. Velen zijn echter door hun gang in de wetenschap principieel bedorven, verloren gegaan voor kerk en religie.
Theologische kennis
Ook vermeerdering van theologische kennis, van kennis die te maken heeft met godsdienst, religie en kerk behoeft nog niet te betekenen dat men vordert in het geloof. Het tegendeel kan het geval zijn. Vermeerdering van theologische kennis kan ook tot zodanige nuanceringen leiden dat tenslotte nog slechts de vraag overblijft: wat is waarheid?
Toen Paulus voor Festus stond en getuigenis gaf van de Opstanding van Christus, zei Festus tot hem: 'gij raast Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij'. Dit woord wordt nogal eens op de klank af gebruikt, in die zin dat men ongelovige wetenschapsbeoefenaars of theologische dissidenten ervan beschuldigt dat hun grote geleerdheid hen tot razernij brengt. Maar hier zegt de ongelovige Festus het juist tot de gelóvige Paulus. Zijn weerwoord is echter direct terzake: 'ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van gezond verstand'. Grote geleerdheid en waarheid gaan bij Paulus hand in hand. Hij heeft aan de voeten van Gamaliel gezeten en weet, wetenschappelijk geschoold als hij is, met ieder in zijn dagen, met de filosofen en de theologen, te spreken in de poort. Maar zijn échte kennis heeft hij opgedaan op de weg van Damascus, toen hij de stem hoorde: Saul, Saul wat vervolgt gij Mij; maar toen hem vervolgens ook de ogen geopend werden en hij oog kreeg voor Jezus, de Gekruisigde en de Opgestane. In het leven van Paulus behoren, na zijn bekering, kennis en vroomheid, wetenschap en godsvrucht, geleerdheid en waarheid dicht bij elkaar. Dat zal dan ook het kenmerk moeten zijn van de echte theologiebeoefening. De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid of der wetenschap. Dat geldt niet in het minst ook voor de theologische wetenschap.
Vroomheid
Van vroomheid is eigenlijk niet zo goed een definitie te geven. Maar consequentie van bijbelse vroomheid is wel afhankelijkheid, horigheid aan de Schriften, onderworpenheid aan de waarheid Gods. En wat dat laatste betreft, die waarheid kan wel eens haaks staan op wat als wetenschappelijke werkelijkheid wordt geponeerd. Toen Paulus over de Opstanding der doden sprak spotten de Griekse hoorders ermee (Hand. 17 : 32). Opstanding uit de doden vloekt toch met de dagelijkse ervaring! Door de eeuwen heen is het al niet anders geweest. En zeker in onze hoogwetenschappelijke eeuw is zulk een belijdenis ongehoord, ongelofelijk en dus ongeloofwaardig. En daarom doen soms theologen er ook maar het zwijgen toe als het gaat om deze centrale Waarheid van het hoogheilig Evangelie. En juist omdat Paulus zulke ongelofelijke dingen zegt meent Festus dat hij niet goed bij zijn zinnen is. Terwijl hij woorden van waarheid en van gezond verstand spreekt.
Wanneer de menselijke rede zich boven de waarheid der Schriften stelt kan er van bijbelse vroomheid geen sprake meer zijn. Wanneer er echter sprake is van bijbelse vroomheid kan het niet anders of we leren onze gedachten, ook ons wetenschapplijk denken, al ons kennen en kunnen, gevangen geven in de gehoorzaamheid aan het woord Gods.
Is dit het niet wat kenmerkend geweest is voor de grote theoloog Calvijn? Hoe geniaal was hij niet. Hoe beheerste hij niet de grondtalen van de Schrift. Hoe heeft hij van daaruit niet op eenzame wetenschappelijke hoogte de Schrift geëxegetiseerd en intussen gepolemiseerd met al zijn tijdgenoten, die er een waarheidsbegrip op nahielden, dat niet strookte met de waarheid der Schriften! Geleerdheid en bijbelse waarheid stonden bij Calvijn niet op gespannen voet maar waren in harmonie met elkaar. Calvijn was namelijk ook theoloog van de Heilige Geest, zodat zijn theologiseren doorademd was van het werk des Geestes en hij zo waarachtige vroomheid paarde aan wetenschappelijke kennis.
Geleerde onwetendheid
Van Calvijn is ook de uitdrukking 'geleerde onwetendheid'. Dat is iets anders dan domheid. Wat heeft Calvijn zelf niet mee ingedragen aan filosofische kennis en kennis van de cultuur van zijn dagen in heel zijn theologisch werk. Maar er was ook de diepe ervaring dat we uit onszelf de waarheid Gods niet verstaan. Dat de Heilige Geest ons moet inleiden in de waarheid willen we deze verstaan en er deel aan krijgen. Geleerde onwetendheid geeft openheid voor de vervulling met de Heilige Geest, die doet doordringen in de schatten van het Woord Gods.
Die kennis, die gelijk staat met bevinding, met ervaren waarheid, is overigens het gemeenschappelijk bezit van alle vromen, of ze nu wetenschappelijk geschoold zijn of niet wetenschappelijk onderlegd zijn.
Samen is men in de gemeente afhankelijk van de inwerking van de Heilige Geest.
Men hoort nog wel eens de opmerking maken dat een eenvoudige vrouw of man wijzer kan zijn in de zaken van het koninkrijk Gods dan een hoogleraar in de theolo gie. Dat zal waar zijn. Maar het omgekeerde kan ook waar zijn. Afkeer van studie en grondige kennis is ook on-wijsheid in het koninkrijk Gods. Wie bijbelse vroomheid mist, mist gééstelijke kennis. Maar wie geestelijke kennis heeft bezit bijbelse vroomheid. We moeten geleerd en niet-geleerd daarom niet tegen elkaar uitspelen. Het is bepaald ook geen goed teken wanneer dienaren des Woords menen dat ze hun theologische bagage wel over boord kunnen zetten om dan juist te beter de gemeente te kunnen dienen. Preken is geen theologiseren maar moet wel theologisch verantwoord geschieden. En Calvijn is ons als geen ander voorgegaan in bijbelstheologisch bezig zijn, in nauwkeurig exegetiseren van de Schrift. Hoeveel ontsporingen ontstaan er ook niet in de gemeente door 'domheid', ook door miskenning van de waarde van bijbels theologiseren en exegetiseren, omdat dat allemaal 'een voet te hoog' zou zijn. Geleerde onwetendheid is iets anders dan ongeleerde simpelheid. De praktijk en de ervaring leren dat een gemeente het meest wordt gebouwd en het meest geestelijk wordt geleerd wanneer achter de prediking ook een grondige studie van de Schriftwoorden en hun verbanden schuil gaat.
Oprechtheid
In Psalm 25 treffen we de bede 'laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden'. Oprechtheid en vroomheid behoren bij elkaar. Oprechtheid betekent dan ook eerlijkheid, eerlijk omgaan met de Schrift.
Dan zullen we ook de verborgenheid van de Schrift verstaan. Maar, zegt dezelfde psalm 25, 'de verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen'. Wie God vreest ontdekt verborgenheden in het Woord die de wereld, ook de wetenschappelijke wereld niet verstaat. De apostelen kregen, toen ze uit de Geest (met kennis van zaken van wat voorzegd was) spraken, te horen dat ze dronken waren. En Paulus kreeg te horen dat hij in razernij is. Maar wie God vreest weet, dat de Geest ware wijsheid leert.
Kennis kan opgeblazen maken, leert de Schrift. Kerkelijke emancipatiebewegingen hebben de jaren door soms afstand geschapen tussen intellectuelen of een bepaalde elite en het geloof der gemeente. Paulus bidt echter voor de gemeenten, dat ze samen-gevoegd mogen zijn in de liefde, o. a. tot kennis van de verborgenheid van God en de Vader en van Christus (Col. 2 : 2). In Christus zijn namelijk alle schatten van wijsheid en kennis verborgen (vs. 3). Kennis en vroomheid moeten daarom dicht bij elkaar blijven. Zo niet dan maakt de kennis opgeblazen. Zo ja dan reguleert de vroomheid de kennis, zodat het wijsheid is in Gods oog.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's