Boekbesprekingen
Dr. W. J. Ouweneel, Woord en wetenschap. Buyten en Schipperheijn, Amsterdam, 172 blz., prijs ƒ 24,90.
Een bundeling van een aantal artikelen dat oorspronkelijk werd gepubliceerd in het tijdschrift van de Evangelische Hogeschool (EH) Bijbel en wetenschap. In zekere zin staat deze bundel model voor datgene wat de EH voor ogen staat. Er komt dan ook een door de schrijver bewerkte rede in voor die hij hield in 1977 ter opening van het eerste academisch jaar.
Ouweneel, afkomstig uit de biologische wetenschap, is geheel via de theoretische biologie naar de filosofie en de psychologie opgeschoven. Zowel in de biologie als in de wijsbegeerte is hij gepromoveerd. Zijn grondige vakkennis blijkt uit alles wat hij schrijft.
Deze bundel is uitgegeven ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de EH en onderstreept de inhoudelijke doelstelling van de EH. In deze tijd, waarin de wetenschap heeft afgerekend met de gedachte dat de vraag naar de zin van de dingen meekomt bij alles wat men, ook wetenschappelijk, doet, stelt Ouweneel: de buitenwereld is Gods wereld; wij kunnen haar kennen; wij geven er niet alleen zin aan, maar ontlenen deze er ook aan; feiten zijn óók objectief.
Zo zijn we dus niet overgeleverd aan datgene wat wij als zin toekennen aan de via wetenschappelijke weg verkregen resultaten, dus aan onze eigen zin-geving daaraan. Ouweneel heeft er echter de ogen voor open dat nochtans alle waarneming subjectief is: wat ik waarneem kan een ander anders waarnemen, en beiden kunnen gelijk hebben.
Neutrale waarneming bestaat niet. Daarom is het temeer noodzakelijk om ons bij onze waarneming voortdurend te laten leiden door de gedachte dat de werkelijkheid de werkelijkheid van God is, en dat de mens op bijzondere wijze van deze werkelijkheid deel uitmaakt.
Vanuit deze grondhouding krijgen alle takken van wetenschap hun ruimte, ook de ruimte hun eigen taal te spreken. Met het uitgangspunt is echter gegeven dat de wetenschapper altijd op normen zal stuiten. Het veld van onderzoek, alles wat zich binnen de werkelijkheid voordoet, ontmoeten we daarom niet alleen, laat staan uitsluitend, onder het aspect van het geschieden, maar ook onder dat van het blijven. Ouweneel verzet zich sterk tegen het allerwege heersende historisme, dat heel de werkelijkheid vloeiend maakt. Natuurlijk is dit aspect er, maar daarmee is de werkelijkheid niet uitgeput. Hetzelfde geldt van de normen: enerzijds staan ze vast, anderzijds ontmoeten we ze als een gegeven dat zich historisch verwerkelijkt.
Bij zijn benadering van de werkelijkheid volgt Ouweneel geheel de Wijsbegeerte van de Wetsidee. De algemene openbaring die de hele geschapen werkelijkheid omvat komt ter sprake als Gods werkopenbaring. De aspectenleer van de Wijsbegeerte van de Wetsidee wordt op de voet gevolgd. Zelfs blijkt deze Wijsbegeerte goede diensten te kunnen verlenen om eenzijdigheden in de bijbeluideg te signaleren en af te wijzen. Vooral het creationisme, het willen bewijzen van het bijvelverhaal, blijkt terug te gaan op het door elkaar halen van de onderscheiden aspecten die zich in de bijbel, immers óók een stuk van Gods werkelijkheid, voordoen.
Men kan hier denken dat dit de theologie een stuk werk uit handen neemt. Men denkt dan wijs. Voor Ouweneel is de theologie vooral hermeneutiek, de Schrift-uitleg-kunde, en dogmatiek, het systematisch ordenen van de schriftgegevens. De theologische wetenschapsbeoefening wordt fundamenteel onderscheiden van de praktische bijbelkennis, zoals ook de theologische taal, als vaktaal, principieel onderscheiden moet worden van het spontane spreken vanuit de Schrift.
De vraag komt hier op, of het strakke volhouden aan de aspectenleer niet óók een harnas is dat de werkelijkheid toch weer beperkt, en aan de werkelijkheid wordt opgedrongen, en of de werkelijkheid tóch niet weer gecompliceerder en rijker is dan in een aspectenleer te vatten is. Ik denk dat de stelling 'De bijbel bevat geen letter theologie', voor Ouweneel een fundamentele stelling, niet alleen theologisch onverdedigbaar is maar ook de theologie afsnijdt van haar wortel: het geloof van de kerk, dat door de theologie wetenschappelijk verantwoord vertolkt wordt.
De keerzijde is dan dat er door Ouweneel een geweldige wissel wordt getrokken op wat het wedergeboren verstand over de werkelijkheid, ook over die van de schriftopenbaring, zegt. Bij alle schriftgetrouwheid die Ouweneel bepleit zit daar naar mijn oordeel een geweldig stuk spiritualisme in; een zware wissel wordt getrokken op wat de wedergeboren mens via zijn ordenend vermogen langs zelf ontworpen lijnen kán. En we zouden Ouweneel willen vragen: horen de normen waar de wetenschapper op stuit – iets wat wij met hem beamen – dan niet óók tot de inhoud van de theologie? Kan er in Ouweneels visie nog plaats worden ingeruimd voor een christelijke ethiek? Of moet dit allemaal over de aspectenleer lopen?
Nochtans is Ouweneel in veel opzichten voor mij een goede gids. De leer van de aspecten geeft vaak óók de mogelijkheid om de denkfouten van anderen op één helder doorzichtige forniule te brengen, iets wat men bij Ouweneel herhaaldelijk aantreft. Dit geldt zelfs de bijbeluitleg, en dan denk ik b.v. aan het verzet van Ouweneel tegen hen die geen onderscheid meer durven maken in de bijbel tussen 'waar gebeurd' (als openbaringsgegeven dat geloof wil wekken) en 'echt waar gebeurd' (met historische exactheid). Iets dat geloofd wil worden hoeft nog niet altijd te hangen aan de historische nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de berichtgeving erover. Ook Ouweneel wil de skopus, de doelgerichtheid van de Schrift, ten volle blijven honoreren. Hij heeft er alleen de theologie niet voor nodig.
Bij alle waardering blijft de vraag dus hangen of het centraalstellen van een wijsgerige methode mag leiden tot het terugdrukken van de theologie dan wel het overnemen van een aantal taken daarvan. Ik zeg daar neen tegen. Omdat met het terugdrukken van de theologie in het hok van de vakwetenschap – wat zij óók is, maar zij is ook méér – ook de theologische reflexie van de traditie gemoeid is, en de functie van de ambten, omdat het rondom de prediking was dat deze theologische reflexie altijd weer werd opgeroepen.
S. Meijers, Leiden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's