Boekbesprekingen
Een uitgesproken kerk. Over horen, zien en spreken in de kerk. Door Michiel van Alphen en Ans Brandsma. Uitg. Meinema, Delft, 60 blz.
Dit boekje is nr. 33 in de serie Ter Sprake en houdt zich bezig met de wijze waarop de kerk gerechtigd is openlijk te getuigen. Achtergrond is vooral het spreken over de kernbewpening van de Gereformeerde Kerken, maar vooral hoofdstuk twee laat zien dat men bij de vraag naar het spreken der kerk ook de Rooms-Katholieke en Nederlands-Hervormde Kerk heeft willen betrekken. Het boekje loopt uit op een langdurig pleidooi om toch vooral Kuitert niet te volgen in zijn stelling dat kerk en catechese over de politieke ontwikkelingen niet meer kunnen zeggen dan ieder zinnig mens. De schrijvers willen echter ook niet in het andere uiterste vervallen en de wereldproblemen tot de opgave maken voor het gemeente-zijn. Zo loopt dit boekje uit in een pleidooi voor een nieuwe wijze van gemeente-zijn, waarin de profetie en het pastoraat beide een eenheid vormen.
Zo worstelt men dan in de Gereformeerde Kerken met de onderscheiding van instituut en organisme zoals deze binnen deze kerken gebruikelijk was: het kerkelijk instituut dat zwijgt, en de georganiseerde leden van de kerk die binnen het geheel van de samenleving mondig zijn. Toch komen de schrijvers niet zover dat ze onomwonden stellen dat instituut en organisme twee zaken zijn van één kant, namelijk van één kerk. Waren ze wel zover gekomen dan hadden ze bijde bespreking van de Calvijnse traditie én bij de weg die ze aan de gemeente voorhouden meer de soevereiniteit van het Woord Gods centraal gesteld, terwijl nu de oplossing meer wordt toegespeeld aan de weg die de gemeente heeft te gaan. Dit zal ook wel samenhangen met de doelstelling van de schrijvers, speciaal gemteresseerd als ze zijn in datgene wat op plaatselijk vlak gebeurt.
Het boekje is vooral bedoeld als een gespreksboekje, en als zodanig markeert het een moment in de ontwikkeling der Gereformeerde Kerken.
S. Meijers, Leiden
De eerste en tweede geschiedenis. Nagelaten geschriften van Meijer C. Smit. Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, ƒ 34,50.
Dit is de eerste uitgave in de reeks Verantwoording, een christelijk-wijsgerige reeks die ontstaan is uit samenwerking tussen de uitgever en de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte.
Prof. dr. M. C. Smit was van 1955-1981 als geschiedfilosoof verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij heeft altijd wat in de schaduw gewerkt. Wellicht is dit mede te danken aan zijn wijze van uitdrukken: het boek leest niet gemakkelijk. Heel verhelderend is de Nabeschouwing van de hand van prof. dr. S. Griffioen, en de annotaties van prof. dr. J. Klapwijk.
Het probleem waarmee Meijer Smit geworsteld heeft is dit: wie de geschiedenis ziet als en verklaart uit een samenspel van binnenwereldse factoren heeft eigenlijk geen plaats meer voor een God Die Zich anders of meer met deze geschiedenis bemoeit dan door incidenteel bovennatuurlijk in te grijpen. Daarmee verliest men dan de eenheid van de geschiedenis uit het oog. De feiten blijven zich voor het overgrote deel naar eigen wetten ontwikkelen, en God komt 'erbij'.
De eenheid van de geschiedenis zoekt Meijer Smit dan ook in iets anders: de oorsprong der geschiedenis, gelegen als deze is in God. Zo komt hij tot de gedachte van tweeërlei geschiedenis. De tweede geschiedenis is die van de verschijningen. Deze geschiedenis is vol dynamiek hoewel de schrijver bij herhaling wijst op de constanten die aanvallen te wijzen. God als bron van de geschiedenis staat voor deze constanten in. De eerste geschiedenis is die van de zich ontvouwende zin der geschiedenis. Ook deze zin gaat op de oorsprong terug. Zo heeft de ene geschiedenis als het ware een scherp te onderscheiden buitenkant en binnenkant.
De vraag die zich bij lezing en herlezing telkens voordoet is, of we hier via de oorsprong der geschiedenis toch niet een variant aantreffen op het thema van Heidegger dat zoveel navolging heeft gevonden. Enerzijds de oneigenlijke geschiedenis, anderzijds de eigenlijke die zich binnen haar ontvouwt. Ondanks de fundamentele eenheid in de oorsprong ligt hier toch voortdurend de dreiging van dualisme op de loer.
Nochtans is dit de bedoeling van de schrijver niet. Vanuit het herstel van het beeld Gods in de mens ontvouwt zich de algehele betrokkenheid van mens en cultuur op God. Het bij-God-zijn is het heil, de zin van het leven in al zijn uitingen (66). Zo mag ook het filosoferen van Meijer C. Smit gezien worden als een pleidooi voor het verstaan van de eenheid van het leven, voor een zicht dat wij in onze cultuur zijn kwijtgeraakt.
S. Meijers, Leiden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's