Om de rechte verhouding van Wet en Evangelie
Van de hand van prof. dr. W. H. Velema verscheen onlangs een boeiend werk, getiteld Wet en Evangelie (Kok-Kampen 1987, 195 blz. ƒ 35,–). In enkele artikelen wil ik dit boek bij de lezerskring van de Waarheidsvriend introduceren en het in uw belangstelling aanbevelen.
De schrijver werkt zijn onderwerp naar drie kanten uit: de rechte verhouding van Wet en Evangelie, het beroep op de Heilige Schrift in de ethiek en de Wet in de prediking. Ik bepaal mij in dit artikel tot het eerstgenoemde (het gaat dan met name om de hoofdstukken 2 en 5 van het boek).
De verhouding van Wet en Evangelie ligt naar alle kanten open voor misvatting, zo stelt Velema. Er kan alleen zuiver over gedacht worden, wanneer deze verhouding vanuit drieërlei gezichtspunt wordt benaderd: het theocentrisch, het openbarings-historisch en het existentieel-soteriologisch gezichtspunt. Men late zich niet afschrikken door deze moeilijke woorden: ze worden duidelijk uitgelegd en vormen, wanneer u ze zich eenmaal eigen hebt gemaakt, een goed instrumentarium om deze problematiek helder te verstaan.
Theocentrisch gezichtspunt
Hierbij gaat het om de vraag hoe de verhouding van Gód uit ligt. Dan moet de volgorde eerst de Wet, daarna het Evangelie gehandhaafd worden. Allereerst is er de Wet, door de Schepper gesteld. Door de zondeval komt de mens schuldig te staan aan de Wet. Het Evangelie volgt op de ongehoorzaamheid aan de Wet, het raakt de mens in zijn schuld voor God.
Op dit punt kiest Velema positie tegenover Karl Barth die de volgorde omkeert en konsekwent spreekt van Evangelie en Wet, beloften en geboden. In feite verliest de Wet bij Barth alle zelfstandigheid: de Wet wordt geabsorbeerd, opgeslokt door het Evangelie. Volgens Barth verkondigt het Woord dat Gods genadige beslissing in Christus over ons gevallen is. Deze beslissing Gods moet alleen nog door ons in geloof aanvaard worden. Die eis tot geloofsgehoorizaamheid is dan de Wet.
Deze ommekeer bij Barth heeft diepe wortels in het geheel van zijn theologie. Er is immers bij Barth geen sprake van een na elkaar van staat der rechtheid en zondeval. De mens als schepsel is meteen ook zondaar. Maar ook geldt: de schepping is aangelegd op het verbond, God is de mensen van meet af aan om Christus' wil genadig gezind.
Er gebéurt in feite niets bij Barth: het gaat in de openbaring voor en na slechts om de bekendmaking van Gods genade in Christus. De historische situatie van de mens in rechtheid en na de zondeval is afwezig.
Wie echter niet schriftkritisch met Gen. 1-3 omgaat, erkent de historiciteit van Adam. Dat betekent dat er aan de heilsopenbaring historisch gezien een onheilssituatie vooraf gaat. In het Evangelie reageert God op het onheil dat de mens zichzelf berokkend heeft. God zoekt met het Evangelie de mens die de Wet overtreden heeft. 'Wie de diepte van het Evangelie wil verstaan, kan niet zonder het peillood van de Wet' (blz. 229. In het Evangelie van het Koninkrijk komt de Wet op dubbele wijze aan de orde: God vestigt het Koninkrijk niet met voorbijgaan aan de overtreding van de Wet (Jezus' verlossingswerk bestaat centraal hierin dat Hij ons vrijkoopt van de vloek van de Wet. Het Evangelie van de verzoening is alleen te verstaan tegen de achtergrond van de veroordeling door de Wet) én: er is geen leven in het Koninkrijk buiten de gehoorzaamheid aan de Wet om.
De Wet wijst het adres van het Evangelie aan. Het Evangelie van de verzoening is geen afkondiging van een stand van zaken die zich reeds heeft voltrokken. Vanuit het volbrachte verzoeningswerk van Christus is er de spanning van het 'Laat u met God verzoenen!'.
De barthiaanse omkering van de verhouding Wet en Evangelie leidt tot een spanningsloze, vlakke prediking. Zo wordt de genade goedkoop gemaakt. De aanklacht jegens de zondige mens verdwijnt uit de prediking. Een nieuw moralisme steekt de kop op: men moet het christen-zijn 'waarmaken' door inzet voor sociale gerechtigheid enzovoorts.
Openbaringshistorisch gezichtspunt
Blijft Velema vanuit theocentrisch gezichtspunt eerst over de Wet en daarna over het Evangelie spreken, het zogenaamde openbaringshistorische aspekt brengt wel degelijk een omgekeerde volgorde mee: eerst het Evangelie, dan de Wet. Het is namelijk zo dat de beseffen die er na de zondeval krachtens algemene openbaring zijn overgebleven in de gewetens van de mensen, slechts vervreemdend en veroordelend werken. De Heere brengt nu Zijn Wet opnieuw ter sprake in het kader van Zijn Evangelie. De God die Israël bevrijd heeft uit het diensthuis van Egypte, kondigt op de Sinaï de tien geboden af. De tafels van de Wet krijgen een plaats in de ark, onder het verzoendeksel dat van het Evangelie spreekt. Het is God de Verlosser die zo opnieuw Zijn Wet bekend maakt, opdat de mens zijn verlorenheid zou kennen voor het aangezicht van Hem die hem zoveel gunsten heeft bewezen. We hebben Jezus Christus nodig om te weten hoe zwaar de eis van de Wet is en hoe diep en ver de vloek reikt. In het leven van het geloof blijft de beschuldigende functie van de Wet, maar door het Evangelie blijft de Wet niet beschuldigen!
Velema gaat een uitvoerige discussie aan met Herman Ridderbos. Zoals bekend legt Ridderbos de verschillende teksten uit de brieven van Paulus die spreken over de zonde-vermeerderende kracht en het zonde-onthullende karakter van de Wet (zoals Rom. 5 : 20; Rom. 7 : 7, 9, 10; Gal. 3 : 19) heilshistorisch uit. Dat leidt er toe dat er bij Ridderbos niet of nauwelijks ruimte is voor een blijvende ontdekkende functie van de Wet (de zogenaamde usus elenchticus) in het geloofsleven.
Velema sluit zich aan bij Calvijn. De mens wordt door de Wet als zondaar ontmaskerd. Het gaat niet alleen om vermeerdering van de hardnekkigheid van de zondaar ten overstaan van de Wet, maar ook om voortgaande verdieping van de ellendekennis van de gelovige door de spiegelfunctie van de Wet.
Existentieel-soteriologisch gezichtspunt
Hiermee zijn we reeds tot het derde gezichtspunt genaderd. Hoe is het in de beleving van de gelovige, in de kennis van zichzelf voor Gods aangezicht (existentieel) en in de wijze waarop de zondaar deel krijgt aan het heil (soteriologisch)? Komt de Wet in dit opzicht vóór het Evangelie? En zijn er dan in de prediking twee opeenvolgende onderdelen: éérst de Wet die aan de zonde ontdekt en daarna pas het Evangelie, dat dan slechts aan ontdekte, overtuigde zondaars mag worden gebracht? Deze volgorde-problematiek is in de 'gereformeerde gezindte' een bron van verwarring en verwijdering geweest. In de Nadere Reformatie werd nogal eens een chronologische volgorde gepredikt: éérst komt de Wet de zondaar verbrijzelen, daarna is er pas plaats voor Christus en de genade. De vraag wordt dan gesteld: 'wat zou een zondaar die niet aan zichzelf ontdekt is met Christus moeten doen?'
Gesteld wordt als een vaste (volg-)orde: Gods gewone weg is de zondaar voorbij Sinaï tot Sion te leiden. Zegt de Catechismus niet dat we onze ellende kennen uit de Wet Gods? Hier doet zich echter het gevaar van schematiek voor. Als Paulus erover schrijft dat de Wet zonde doet kennen, dan doet hij dat toch steeds in het kader van het Evangelie. 'Juist in het licht van het Evangelie laat de Wet zien, wat zonde is' (blz. 136). De Wet mag niet geabsorbeerd worden door, maar evenmin geïsoleerd worden van het Evangelie. Het gaat om een betrekkelijke zelfstandigheid, niet om een absolute verzelfstandiging van de Wet ten opzichte van het Evangelie. In Zondag 2 van de Heidelberger is het dan ook Christus die als Evangelisch Leermeesteer ellendekennis onderwijst uit het leerboek van de Wet. Ook bij de profeten is er geen sprake van een vast patroon: 'vergeving en schuld, overtreding en uitdelging van de overtredingen, komen als in een golfbeweging steeds weer aan de orde' (blz. 141). Met Velema zeg ik gaarne: het Woord van God die in Zijn genade de mensen zoekt, doet ons afkerig zijn van alle schematiek. Wie van de beleving een schema maakt, doet het Evangelie weer tot Wet worden. Wat dit betreft is er tussen Luther en Calvijn niet meer dan een accentsverschil: bij Luther is de Wet omgeven door het Evangelie, bij Calvijn is de Wet zelf van het Evangelie doortrokken. Bij Calvijn is het nog duidelijker dan bij Luther dat de ware boetvaardigheid alleen opbloeit vanuit het deel hebben aan Christus. Dit sluit het spreken van een 'orde des heils' niet uit. God is een God van orde, ook in de wijze waarop de schatten van Christus door de Geest worden uitgedeeld aan de gelovigen. Maar onderscheiden is nog geen scheiden en orde geen schematiek.
Waardevol
Zo heeft Velema een waardevolle nadere omschrijving gegeven van het hoe van het 'in-elkaar' (niet 'na-elkaar' of 'naast-elkaar') van Wet en Evangelie. De ethicus betoont zich hier een bekwaam dogmaticus, temeer doordat hij zo dicht bij de bijbelse lijnen blijft en afkerig is van wijsgerige vooronderstellingen.
De discussie over de rechte verhouding van Wet en Evangelie zal binnen de 'gereformeerde gezindte' wel doorgaan en het laatste woord is daarover niet gezegd. Maar voortaan zal niemand in de discussie meer om dit boek heen kunnen en naar mijn overtuiging móet het hier aangedragen materiaal helpen tot verheldering van de vraagstelling én tot overbrugging van tegenstellingen.
J. Hoek, Veenendaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's