De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Veel aandacht wordt momenteel, vooral in rooms katholieke kring, gegeven aan een opvallend boek, luisterend naar de sprekende titel 'Zodoende was de vrouw maar een mens om kinderen te krijgen' (Uitgave Ambo, Baarn). Het bevat '300 brieven over het roomse huwelijksleven'. De rooms katholieke kerk had vroeger sterke invloed op de huwelijksmoraal. Er kwamen veel grote gezinnen voor, hoewel het grote gezin vroeger in brede kring een veel meer voorkomend verschijnsel was dan vandaag.
Men vindt in het betreffende boek, in de openhartige brieven van rooms katholieken, die een groot gezin hadden, uit een rooms gezin kwamen of op curieuze wijze in aanraking kwamen met aspecten van de roomse moraal, naast schrijnende gevallen ook uitingen van dankbaarheid over het grote gezin, ondanks de vele moeiten. Uit dit boek twee brieven:

• 'Ondanks armoe, zorg en tegenslag kijken veel mensen met weemoed terug. De boterham met tevredenheid werd in heel wat gezinnen gegeten:
"Ik ben geboren in 1916, getrouwd in 1939, dus vlak voor de oorlog. Nu, we begonnen al heel zuinig, we hadden het voornaamste voor een huishouding. Alles heel eenvoudig, maar we waren best tevreden. Mijn man was in dienst en ik kreeg ƒ 18,20 per week, met een huishuur van ƒ 4,25 per week. Ik was toch alleen thuis, dus ging ik er maar een dag bij werken. Met de kost erbij verdiende ik ƒ 1,50 per dag en ik was blij dat ik een dag kon werken, want het was een slechte tijd. Voor mijn trouwen was ik in betrekking voor dag en nacht Dat was om 6 uur opstaan, 7 uur ontbijt klaar en schoenen gepoetst en dan kreeg je een lijstje watje die dag moest doen tot 7 uur 's avonds. Zondags om de veertien dagen na 2 uur vrij en woensdag- en zaterdagavond vrij tot 10 uur. Ik verdiende ƒ 25,– per maand. Daar was dan ƒ 5,– wasgeld voor mijn moeder bij.
Na mijn trouwen was ik gauw uitgewerkt, want ik verwachtte al gauw een baby. Daar waren wij erg blij mee, want mijn man was de oudste zoon, dus een stamhouder. Het werd een zoon. Wij waren negen maanden getrouwd. Nu, in de volgende jaren kwam er ieder jaar een kind bij, dus in de oorlogsjaren '40-'45 zijn er vijf kinderen geboren.
Wij hebben nooit last gehad met de kerk. Wij waren goed gelovig en als ik weer in verwachting was, had ik een gebedje dat het maar weer een gezond kind zou zijn. Ons kindertal is uitgegroeid tot dertien. Ik heb niet altijd staan juichen, dat begrijpt u wel. De oudste was 13 jaar toen de twaalfde werd geboren en de laatste vier jaar later. Het was vaak moeilijk, want wij moesten hard werken. Mijn man werkte dan ook vaak in de zomer bij een andere baas 's avonds. Maar nu zijn wij rijk met ons gezin.
Wij hebben AOW plus een pensioen. De kinderen allemaal getrouwd. Hebben ook allemaal kinderen en allemaal werk. Ja, wij zijn erg dankbaar Ik zou het dikwijls wel tegen iedereen willen zeggen: wees blij en dankbaar U vroeg hoe of wij op het nu reageren? Wij geloven dat ze, nu ze denken het allemaal zelf uit te kunnen maken, het nog moeilijker hebben dan wij met onze zorgen.'"


• 'De dagelijkse zorg voor het gezin rustte inderdaad voor een groot deel op de schouders van de vrouw. Hoe zag haar dagindeling eruit? Een arbeidersvrouw:
"Half zes op, m'n man de deur uithelpen, dus brood klaarmaken en drinkersblikje vullen (een plat, blauw emaille kannetje in flesvorm met beugelsluiting waar je je vingers aan brandde als je het moest vullen en dichtdoen m.k.), daarna de baby de borst geven (je had altijd een baby), schone broek, luiers in het water zetten, ontbijt klaarmaken voor de schoolgaande kinderen, die de deur uithelpen, kleintjes wassen en aankleden, de baby in bad doen, afwassen, luiers in het sop, baby voeden, bedden opmaken, de vloeren vegen met stoffer en blik, luierwas afmaken en ophangen, kleintjes verzorgen, eten klaarmaken voor kinderen die uit school kwamen enz. enz. Eten koken, kinderen naar bed brengen en bergen kousen stoppen, was verstellen, strijken, naaien en breien tot diep in de nacht. Je was eigenlijk nooit klaar.
Maar mijn man had het ook niet gemakkelijk. Die moest op maandagmorgen voor zessen de deur uit om de eerste trein te halen. Voor die tijd haalde hij twee emmers heet water bij de waterstoker, die al om half vijf open was. Als mijn man wegging, begon ik metaan aan de was. Soms sliep mijn man in een kosthuis, maar heel dikwijls kon hij er geen een vinden en dan kampeerde hij op de werkvloer (samen met zijn maats, mijn man was vloerlegger) en dan sliepen ze 's nachts onder een paar juten zakken of onder hun jekkers. Op zaterdagmiddag – als het meeviel vrijdagavond – kwamen ze doodmoe thuis. Dat zijn geen verhalen uit de Derde Wereld en ook niet uit de vorige eeuw, maar van Nederland eindjaren vijftig. Mijn kleinkinderen geloven het niet.'"


In het Centraal Weekblad (Gereformeerde Kerken) schreef J. van der Linden een boeiend artikel over de sjofar, de ramshoorn, de bazuin, het instrument, dat we verschillende keren tegenkomen in de Bijbel. 'Het joodse volk wordt door sjofar herinnerd aan zijn geschiedenis', is de titel van het artikel. Waarom dat zo is? Hier volgt een passage:

'Maar in de dienst aan de Eeuwige, in de joodse liturgie, speelt de sjofar tot op vandaag een grote rol. Het hart van het joodse volk wordt door de sjofar minstens zo geroerd als het onze bij het luiden van klokken.
Op de sinaï daalt de Eeuwige af om zijn verbond met dat volkje te bezegelen en het op weg te zetten door de wildernis van de tijd met zijn tien Woorden, de toekomst tegemoet. Dan vertelt de schrijver van het boek Exodus: "Het geschiedde op de derde dag" – weer die drie dagen, zo veelbetekenend in de Schrift – "toen het morgen werd, dat er donderslagen en bliksemstralen en een zware wolk op de berg waren… de hele berg beefde zeer Het geluid van de bazuin" – dit is dus de ramshoorn – "werd gaandeweg zeer sterk."
Dan beeft het volk. De majesteit van de Eeuwige in vuur en rook wordt begeleid door het allesdoordringende geluid van de ramshoorn.
Waarom nu juist die ramshoorn? Rabbijn Rodriques Pereira heeft me dat eens uit de doeken gedaan. Als de sjofar wordt geblazen, denkt Israël vóór alles aan dat beslissende moment uit zijn geschiedenis, daar op die andere berg, Moria, die de Eeuwige aan Abraham wees voor de zwaarste test in zijn leven: de binding van Izaäk. Toen het er op ging lijken dat de man die toch al afgesneden was van zijn verleden – "ga uit uw land…" – ook nog zijn toekomst zou moeten opgeven in het offer van zijn enige zoon, die hij liefhad, Izaäk, raakte de ram met zijn horens verward in de struiken. De Eeuwige had inderdaad Zichzelf een ram ten brandoffer gekozen. Als de smart om wat dreigde, is weggenomen en plaats maakt voor het verlossende Woord, gaan de deuren naar de toekomst weer open door dat plaatsvervangend offer van dat dier, die ram. Zijn horens, die hem de dood brachten, herinnerden de nakomelingen van lzaäk aan het wonder van Moria, het wonder van de Eeuwige, die uitkomst bood tegen de dood.
Die horens en het geluid dat zij geven, zijn voor het joodse volk "een manende herinnering". Het volk beluistert daarin de stem van de Eeuwige, die op beslissende momenten van de geschiedenis het laatste Woord heeft.
Vandaar dat geluid van de ramshoorn als de Eeuwige na het verlossend heil van de exodus zijn volk het geleide wil geven van zijn Woord en bindend recht. Het geluid van de sjofar – fortissimo gaandeweg siertoer – op die derde dag, op die plaats, moest voor heel Israël wel een onvergetelijke herinnering blijven.
Daarom speelde door heel de vaak donkere geschiedenis van het joodse volk de sjofar zo'n grote rol. De mogelijkheden van het instrument zijn beperkt, daarom zijn de wijzen waarop de ramshoorn moet worden geblazen nadrukkelijk voorgeschreven. Wie een geoefend oor heeft, hoort er drie verschillende melodieën in: de wekroep, als een signaal; de zangroep, "die als een triller in de lucht blijft hangen" en de jubelroep, die lang blijft naklinken in de oren en het hart.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's