Geestelijk leven, tijdgebonden?
(Beantwoording van de tijdens de jaarvergadering schriftelijk gestelde vragen)
Daar er op de jaarvergadering geen gelegenheid meer was om op de vragen in te gaan, die naar aanleiding van mijn inleiding zijn gesteld, geschiedt de beantwoording in de Waarheidsvriend. De vragenstellers is dat beloofd. En voor mij is het ietwat gemakkelijker geworden, omdat ik er nog eens rustig over na kon denken.
Ik begin steeds met de weergave van de vraag (bij sommige kan ik volstaan met er een uitroepteken achter te zetten). Daarna volgt een kort antwoord.
Was de preek van dr. Wielenga uit 1911 ook tijdbetrokken?
Men zou de preek zelf eens moeten lezen om het antwoord op deze vraag te geven. Naar mijn inzicht ligt de zgn. tijdbetrokkenheid er in deze preek niet duimendik bovenop. Het is ook niet zo simpel om in onze prediking noch het risico van de tijdgebondenheid noch dat van de tijdloosheid te lopen. Toch zou ik in de preek van Wielenga wel een aantal zaken willen aanwijzen, die duidelijk maken, dat de prediker een gemeente voor zich zag, die leefde in een bepaalde tijd en met bepaalde vragen. Zo wijst Wielenga in de inleiding van zijn preek op het Amerikaanse Pragmatisme dat in zijn dagen zijn intocht heeft gedaan. 'Men roept: "Het christendom is dood" en wil de hemelse godsdienst door een aardse, de verticale door de horizontale lijn vervangen'. Een nieuw christendom dus, dat leer en leven tegen elkaar uitspeelt en dat de vrucht van het christelijk leven zoekt zonder de wortel. Vanuit de tekst waarover Wielenga preekt (Joh. 15 : 16) best een goede toespitsing op de eigen tijd. Ook andere dingen uit de preek zouden te noemen zijn. Maar ik volsta met de verwijzing naar de inleiding van de preek als een voorbeeld ervan, hoe een preek waarin het hart van de christelijke religie klopt tegelijk ook open vensters kan hebben naar eigentijdse vragen.
Hoe is eventueel met een woord als wedergeboorte al dan niet tijdbetrokken om te gaan?
Bedoeld is door de vraagsteller de wedergeboorte 'in engere zin', zoals hij me in de pauze meedeelde. Met andere woorden: Als wij in onze prediking over het werk van de Heilige Geest spreken in de zin van wat de Dordtse Leerregels in hoofdstuk III/IV.11 de ware bekering als uitwerking van Gods welbehagen noemen, kan dat dan ook tijdbetrokken? De Heere bekeert al de Zijnen vandaag toch niet anders dan drie eeuwen geleden of dan in de dagen van de apostelen? Is deze bekering/wedergeboorte, zijnde het verborgen werk van Gods Geest in het binnenste van de mens, niet een zaak van de binnenkamer waar de buitenwacht en waar de tijd volstrekt buiten staat?
Op deze vragen zou ik willen antwoorden, dat er in het werk van God in het mensenhart een altijd eender, schokkend en heilzaam gebeuren plaatsgrijpt, waar mensenwoorden slechts van kunnen stamelen. En laat dat stamelwerk in de prediking dan a.u.b. niet achterwege. Onderzoek het maar eens wat van Lydia gezegd wordt in Hand. 16 : 14 (de Heere heeft haar hart geopend, zodat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd). Maar mag ik er dan tevens op wijzen, dat de Heilige Geest zowel cum verbo (door het Woord d.i. samen op met het Woord) als per verbum (door middel van het Woord) werkt. En als Hij door middel van het Woord werkt, dan ook door dat gepredikte woord dat concreet aanwijst, waarin ons zondaar-zijn bestaat, wat het is tot Christus te vluchten en uit Hem te leven en waarin de geestelijke heiligmaking bestaat (in de breedste zin van het woord). En het is dat gepredikte (tijdbetrokken) Woord Gods dat in de vrijmacht van de Geest wordt gebruikt tot 's mensen geestelijke vernieuwing.
Geestelijk leven niet tijdgebonden; maar de zaken van deze tijd schudden toch geweldig aan dit geestelijk leven?
Ik denk aan het Hogepriesterlijk gebed van de Heere Jezus (Joh. 17) waarin onze overste Leidsman en Voleinder des geloofs bidt: 'Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze… Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden… (vs. 15, 18). In de wereld dus, niet van de wereld. En daar brandt de haard van alle aanvechting. Zo zij het. Jezus zei:… 'Hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen' (Joh. 16 : 33).
U noemt geestelijk leven in één adem met christen-zijn: Als iemand dit geestelijk leven tijdgebonden acht, is het dan wel juist om zulk een iemand christen te noemen? En kunnen we met zulk een iemand wel samen op weg?
Onze Heidelberger besluit het antwoord op de vraag naar de algemene christelijke kerk (antwoord 54), met de belijdenis: 'Waarvan ik een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven'. Dat levend-lidmaat-van-de-kerk zijn houdt een geestelijk leven in, waarvan ik in mijn inleiding op de jaarvergadering heb gezegd, dat het niet tijdgebonden is. En dat begrip tijdgebondenheid heb ik in mijn inleiding op een bepaalde wijze ingevuld. Welnu, deze manier van tijdgebondenheid, tijdgebonden christenheid acht ik een tijdverschijnsel. En ik ben bereid om te zeggen, dat dat wezenlijk verschilt van wat de Schrift ons leert m.b.t. het ware geloof. Toen Filippus, de evangelist (Hand. 8) de neger uit het land van Candacé onderwezen had, vroeg hij hem daarna te willen belijden wat hij had gehoord, nl. dat Jezus Christus de Zoon van God was. Deze en andere kernen van belijden zijn de onopgeefbare kentekenen van elk christelijk geloof. Wanneer wij echter de vinger willen uitsteken naar anderen, moeten we wel bedenken, dat 'de kerk over het innerlijk van de mens nooit heeft geoordeeld'. De vraagsteller heeft het enkele malen over 'zo iemand'. Hij bedenke dus wel wat deze oude stelregel, die altijd in de kerk opgeld deed, wil zeggen. Het aanwijzen van een diep verval van het kerkelijk en geestelijk leven, is nog wat anders dan alle 'iemanden' die tot die kerk behoren van schijngeloof en tijdgeloof beschuldigen. Wat aangaat het proces van Samen op Weg, zegt de Gereformeerde Bond, dat er in een samengaan van deze beide kerken geen heil is te zien, omdat het niet veilig en heilzaam kan heten, dat kerken die in een zo diep verval verkeren, uit andere oorzaken dan uit een diepe (h)erkenning van elkanders geloof en belijden, elkander in een kerkelijke eenheid zoeken.
Acht u het gewenst, dat de katechismus regelmatig behandeld wordt?
Ja ik, van ganser harte. In de leerdiensten met de Heidelberger als leidraad wordt de gemeente het merg van de christelijke leer aangereikt. Zodat elke vader en moeder die met een kind voor de doop staan, ook kunnen weten, wat zij zeggen, als ze van harte instemmen met 'de leer die alhier geleerd wordt'. 'De eenvoudige Heidelberger, houdt daaraan vast, kinderen' (Kohlbrugge).
Kunt u de opmerking over confessionalisme toelichten?
Onder confessionalisme versta ik een zich formeel beroepen op de belijdenis(geschriften) van de kerk, zonder dat het hart van de religie der belijdenis daarin meespreekt. Hoewel de belijdenis ons zelf ervoor waarschuwt om 'geener mensengeschriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijk te stellen met de Goddelijke Schriften…' (art. 7 NGB), lopen er toch ook vandaag nog wel mensen rond die de Heilige Schrift afgrendelen door een formeel en formalistisch beroep op de belijdenis. Terwijl het toch een oude gereformeerde regel is, dat de belijdenis, hoe vaak ook getoetst en hoezeer 'accoord van gemeenschap', open blijft staan voor het beroep op de Schrift. Wat mij betreft: Door veel onder zoek van Gods heerlijk Woord ben ik steeds hartelijker en inniger verbonden geraakt aan de belijdenis van onze kerk. Ik heb dus geen behoefte aan een gravamen (bezwaarschrift). Maar ik zou het ieder die naar de belijdenis wil leven, wel willen vragen, of hij/zij ook 'de religie van de belijdenis' in een hartelijke geloofsverbondenheid met de levende God mag kennen.
Is er onder ons niet het gevaar van de dreun (oude waarheden zeggen) zonder ze te vertolken voor het huidige geslacht? Maar evenzeer het gevaar van de vervaging en verdamping van de Waarheidsbeleving?
Deze vraag acht ik een antwoord te zijn op de vorige vraag. Daarom geef ik hem slechts door.
Ik besluit met de vermelding van twee vragen (lange vragen die ik kort samenvat). De eerste gaat over de noodzaak van aparte bidstonden voor reveil of reformatie. Nu, de vraagsteller zal wel weten, dat een reformatie of reveil niet te organiseren is door menselijke aktiviteiten, ook niet door veel gebeden. Maar ik weet – met hem – evenzeer, dat God op het noodgeschrei van Zijn kinderen, waarin zij Hem als een waterstroom aanliepen, vaak grote wonderen heeft gedaan. Laten we daarom maar beginnen met elke zondag deze bede om reveil/reformatie een centrale plaats te geven in de voorbeden op de kansel. En laat dit gebed ook niet vergeten worden in de kleine kring (kringen in de gemeente en huiselijke gebeden). Graag aan de hand van Bijbelgedeelten waarin dit roepen tot God ons door God zelf is voorgezegd.
Een predikant vertelde eens aan Spurgeon, hoe rijk God Zijn bediening zegende. Elke zondag boordevolle kerken. Maar hij vertelde hem ook, dat God hem had laten zien, dat dat niet te danken was aan zijn activiteiten. Elke zondag zat er op het trapje van de kansel een eenvoudige man te bidden. Een Aäron. Een Hur. En in zijn gebeden hoorde hij 'het geruis van een overvloedige regen'.
Een brief die mij via de PTT bereikte, maar die inhaakte op de inleiding op de jaarvergadering, wijst tenslotte op de wijze van zondagvieren, voor onze kinderen van groot belang. Hoe bezorgen we onze jongeren goede zondagen? En: zijn Hervormd-Gereformeerde mensen bij de buitenwacht bekend als mensen bij wie het hart van het Evangelie klopt? Naast alle andere vraagstellers dank ik ook deze voor het meedoen en meeworstelen. Hij doet zelf enkele suggesties om de zondag te maken tot een heerlijke dag voor heel het gezin: kerkgaan, spelletjes met moeder, ergens een bloemetje brengen, je huiskamer openstellen, een praatgroepje stichten, een bejaarde ergens mee helpen. Hij pleit voor ontmoetingsplaatsen met een lage drempel. Graag ter aanbeveling. Voor een goed funktionerend geestelijk leven is de dag des Heeren van groot gewicht. En de briefschrijver voelt haarfijn aan, dat het hieraan onder ons nog wel eens kon schorten… Mij dunkt, er zijn op zondag zoveel dingen mogelijk, dat die dag echt niet slechts als een verbodsdag in het geheugen van de kinderen behoeft te blijven voortleven. Als wij werkelijk vanuit het hart van de zaak (en daar reken ik een regelmatige kerkgang op zondag bij) in een rechte vindingrijkheid met onze kinderen bezig zijn (en die dag niet slechts gebruiken om zelf te bekomen van de jacht van het leven), zullen wij hen kunnen laten zien, hoe kostbaar die ene dag per week is. Bovendien, laat uw kinderen kinderen van veel gebeden zijn.
Met dankbaarheid voor alle reacties en voor de ervaring van 's Heeren bijstand op onze jaarvergadering bovenal, besluit ik deze vragenbeantwoording.
C. den Boer (Bilthoven)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's