Een geoefend leven (3)
Een vorig keer eindigde ik met de stelling, dat het de Heilige Geest belieft in de harten te werken, daar waar aan het Evangelie recht wordt gedaan. Hoezeer de Heere ook met een 'kromme stok' een rechte slag kan toebrengen, het is zéér zeker niet de bedoeling dat deze 'kromme stok' door ons gehanteerd wordt. Wij mogen niet wijzer zijn dan God. Het behaagt Hem door de levende verkondiging van Zijn Woord ons te onderwijzen. En de verkondiging van Zijn Woord houdt in: wet en evangelie, evangelie en wet. Evenwichtig! Door die verkondiging werkt en versterkt Hij het geloof.
De apostelen
Inzake de verkondiging hebben de apostelen ons een goed voorbeeld nagelaten. Zij zijn weliswaar uitgegaan van de vrijmacht Gods. Een enkel voorbeeld uit de Schrift toont ons dit aan. In de Handelingen lezen wij, dat er zovelen geloven als er verordineerd zijn tot het eeuwige leven. Vooral Paulus legt in Romeinen 9 de vinger bij de vrijmacht Gods. Er staat in de verzen 11-13: 'Want als de kinderen (Ezau en Jacob) nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit de Roepende: zo werd tot haar (Rebekka) gezegd: De meerdere zal de mindere dienen. Gelijk geschreven is: Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat'. Ook lezen wij in de verzen 15 en 16 van Romeinen 9 dat God tot Mozes zegt: 'Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben. Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des onfermenden Gods'.
Paulus en de andere apostelen wisten heel goed, dat b.v. Paulus kan planten, Apollos kan nat maken, maar dat het God is die de wasdom geeft. Zij waren er goed mee op de hoogte, dat het geestelijk leven alleen door de Heere wordt gewerkt. Zonder Zijn zegen zou er niets tot stand komen. Het geloof is.een gave van God. Het geloof komt in ons hart niet op. Het wordt ook niet door onze hand bewerkt. Noch ontstaat het door onze voet naar het westen of het oosten te richten. Ook al deden wij dit laatste: het land van de avond zou ons dat geloof niet geven en hét land van de morgen ons dat niet brengen. Het is – om zo te zeggen – een eenzijdig werk van God.
Nu moeten wij het bovenstaande niet verkeerd opvatten. Ik kan mij namelijk niet altijd aan de indruk onttrekken, dat men de vrijmacht Gods gebruikt om een goddeloos en zorgeloos leven voort te zetten. Men zal het niet altijd openlijk zeggen, maar heimelijk probeert men God de schuld te geven dat men nog altijd niet tot het leven is gekomen. En zo leeft men onbekommerd en goddeloos voort. Men moet echter maar zijn mond houden overen niet gaan wegschuilen achter de vrijmacht Gods, wanneer men nooit eens heeft geprobeerd om veertien dagen achtereen de Heere te zoeken. Want er gaan géén mensen verloren omdat zij teveel geroepen hebben, wel omdat zij het te weinig hebben gedaan.
Bovendien moeten wij er eens op letten, dat de apostelen – hoewel zij van de vrijmacht Gods wisten – nooit begonnen zijn met deze vrijmacht te verkondigen. In navolging van hun Heere en Heiland zijn ze hun verkondiging begonnen met de roeping. De Heere roept welmenend, ernstig en vriendelijk. De apostelen hebben de middelen gebruikt en het volk geleerd de middelen biddend te gebruiken. Die middelen heeft de Heere gezegend! Daardoor zijn jongeren en ouderen tot het geloof gekomen en het in het geloof opgewassen. Wil dit laatste ook nu gebeuren, dan zal in de gemeente Gods het Evangelie gepredikt moeten worden, de sacramenten moeten worden bediend en de tucht gehandhaafd moeten worden.
Door de verkondiging van het Woord wordt dus het geloof gewerkt en door het gebruik van de sacramenten wordt het versterkt.
En dan moeten wij maar niet gaan wroeten in de vrijmacht Gods, noch de verkiezing Gods uiteenrafelen. Wie zijn wij? G. Boer merkt in één van z'n preken uit Hebreeën 11 op, dat wij nog minder zijn dan een mug. Inzake de verkiezing kunnen wij bij Calvijn in de leer gaan die ons voorhoudt dat Christus de spiegel van de verkiezing is. Christus die onvoorwaardelijk heeft gezegd: 'Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen'. Maar ook I. Kievit heeft hierover iets bijzonder troostvols gezegd. Hij schrijft o.a. in 'Verbond en prediking', dat de verkiezing Gods zijn bedding vindt in het Verbond. En in het Verbond worden ons dan toch maar al de weldaden en schatten van de Middelaar, ja de Middelaar Zelf toegezegd. En tenslotte noem ik in dit verband F. Bakker die in z'n 'Gebedsgestalten' dit schrijft, dat de verkiezing geen muur is waartegen men oploopt, maar een poort. En die poort is: Christus!
Niet scheiden wat God heeft samengevoegd
Ik wees er reeds eerder op, dat het een groot kwaad is, zeg maar gerust een grote zonde, wanneer de middelen der genade niet gebruikt worden of daarmee nonchalant wordt omgegaan. Blijkbaar wil men dan toch wijzer zijn dan God, die ons aan deze genademiddelen heeft gebonden. Veel wordt er in onze tijd geklaagd over lauwheid in het geloofsleven. Er is inderdaad veel lauwheid. Wie trouw pastoraal werk verricht kan wel eens moedeloos daarover worden. Naast veel lauwheid is er soms ook vaak weinig zekerheid-en blijdschap des geloofs te constateren. Ik schrijf nu wellicht wat in mineur, daarom haast ik mij om neer te schrijven, dat ook het tegendeel – Gode zij dank – is op te merken. Soms verbaas je je als pastor dat er een teer geloofsplantje ontkiemt bij een jonger of ouder iemand bij wie je het niet zou verwacht hebben. Ook gebeurt het dat mensen voor het eerst óf opnieuw Christus in het geloof mogen omhelzen en in de armen van Christus door de Geest naar het Vaderhart van God worden gedragen en levensgemeenschap hebben met de drieënige God, wat concreet gestalte krijgt in woord en daad. Ook in onze tijd gaat het welbehagen Gods gelukkiglijk door Zijn hand voort. Dit moet, dit mag gezegd worden. Daarover mogen wij ons verheugen en daarmee dankbaar zijn.
Bij al het goede dat God in levens openbaart en werkt, is toch doorgaans het beeld van geestelijk leven in de gemeente niet opwekkend. Hiervoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Voorop stel ik, dat het niet ligt aan de Heere. Hij wil alles schenken. Hij wil het geestelijke leven werken en onderhouden. Neen, de oorzaak ligt werkelijk niet bij God. Als wij over oorzaken spreken en daarmee over schuld, dan zullen wij die bij onszelf moeten zoeken. Er is de onbekeerlijkheid van ons hart en de zuigkracht van het ongeloof. Doch dat niet alleen. Een van de oorzaken waarom de oppervlakkigheid toeneemt en het geloof en de zekerheid van het geloof op een laag pitje staan is toch wel dat de genademiddelen niet trouw en voldoende worden gebruikt. Om die reden is er een afglijden. Trouwens ook een afwijken naar de ene óf de andere zijde. Wij kunnen door onvoldoende gebruik van de middelen der genade zowel links als rechts van de weg afwijken. Maar hoe het ook zij: men is van de weg. En als men eenmaal van de weg is, worden de uitwassen steeds groter. Er ontstaan gevoelens en zogenaamde zekerheden die bepaald niet in overeenstemming met het Woord zijn. Daarom is en blijft het appèl: trouw blijven aan het Woord, aan het gehele Woord. Het Woord tot op de naad en de draad onderzoeken. Het is ons als een middel van God gegeven. Hij bindt ons daaraan. Zijn belofte is dat Hij Zijn Woord in hart en leven door Zijn Geest wil verklaren en toepassen. Het is werkelijk geen stoute veronderstelling als ik schrijf, dat er meer geloof en geloofszekerheid zou worden aangetroffen in de gemeente, wanneer wij ons hielden aan het Woord alleen. Hiervoor moeten wij de tijd nemen. Persoonlijk, maar ook in ons gezinsleven.
Het Woord in het gezin
Als vader of moeder dienen wij zelf met het Woord bezig te zijn, maar wij hebben ook onze kinderen daarin te laten delen. Door het Woord moeten wij zelf onderwezen worden, maar ook onze kinderen. leder mens, ieder kind moet wederomgeboren worden. Al jong kan het zaad der wedergeboorte d.i. het Woord in het hart ontkiemen. Daarom is het een goede zaak de kinderen reeds jong mee te nemen naar de kerk. Ze hieraan te gewennen is van groot belang. Weliswaar zullen zij niet altijd alles begrijpen, maar men weet toch maar nooit hoe de Heere datgene wat zij wèl begrijpen aan die kinderharten zegent. Daarover moet niet bepaald gering gedacht worden óf geringschattend over gesproken worden.
De kinderen dus maar jong brengen onder de prediking van het Woord. Nu zal het juist zijn als iemand stelt dat dit nog niet zo moeilijk is als zij klein zijn, maar als zij ouder geworden zijn kan dit soms grote moeite geven. Menig ouder heeft hierover zorgen. Ondanks alle goede bedoelingen ziet men toch dat zijn òf haar kind, wanneer het de volwassen leeftijd gaat bereiken, met de kerk niet meer zoveel op heeft. De kerk en de prediking van de kerk wordt verlaten. Ook onder ons komt dit voor. Wat hieraan als ouder te doen? Dwingen? Ik denk niet dat dit veel zal helpen. Wat kan men bovendien aan zegen verwachten van een kerkgang als er vóór die kerkgang harde en bittere woorden zijn gevallen. Het kind zit met wrok tegen vader of moeder in de kerk, terwijl het hart van vader of moeder vol is van wat er thuis is gepasseerd. Het is en blijft een moeilijke zaak, vooral dan als men als ouder mag weten van de genade Gods in eigen leven en hoe de Heere die genade door het Woord en door de Geest heeft gewerkt.
Ik denk dat alleen een zachte hand en een biddend hart helpt. Vooral het gebed is van uitermate groot belang alsmede ook dat de kinderen zien welk een groot goed het is de Heere te kennen. Laten zij ondanks alles toch ondervinden, dat zij bij ons behoren en wij het goede voor ze zoeken. De liefde overwint. Hardheid en dwang daarentegen vervreemden. En nu denk ik, dat wij als ouders wel zijn geroepen tot liefde, ook tot liefde voor één van onze kinderen die de kerk verlaat of verlaten heeft, maar dat wij niet geroepen zijn tot hardheid die vervreemding van ons bewerkt. Hiermee is vanzelfsprekend niet bedoeld, dat wij slap moeten zijn. Want laten wij eerlijk zijn: soms kunnen wij ook als ouders er de oorzaak van zijn, dat ons kind een verkeerde weg opgaat. Wanneer wij alles maar goed praten en menen met de mantel der liefde alles te moeten bedekken, dan staan wij niet alleen Gods werk in eigen leven in de weg, maar ook in dat van onze kinderen. Wij kunnen dan wel heel rechtzinnig zeggen: 'och, de Heere breekt wel door alles heen', maar dat is dan méér om onze slapheid, onze goddeloosheid goed te praten dan dat wij de oorzaak bij onszelf zoeken en deze oorzaak oprecht belijden voor Gods aangezicht.
In onze tijd spreken wij over een voorbeeldfunctie. Als ouders hebben wij inderdaad een voorbeeldfunctie! Wat leven wij zelf uit? Woorden wekken, voorbeelden strekken. Over de kerkgang heb ik iets geschreven, maar hoe staat het met de Schriftlezing in onze gezinnen? Wellicht niet zo best. In gesprekken met a.s. bruidsparen en ook wel met jongeren waarin het ging over het gebruik van Gods Woord bij hen thuis is mij herhaaldelijk gebleken dat de Schrift slechts één keer op een dag openging. Sommigen vertelden zelfs, dat het alleen op zondag gebeurde bij de middagmaaltijd. Men las dan met elkaar het gedeelte waaruit de dominee die ochtend had gepreekt. Dat is alles toch wel erg minimaal en zéker niet voldoende voor een gezond geestelijk functionerend leven. Nu kunnen natuurlijk de gezinsomstandigheden van dien aard zijn, dat niet alle maaltijden gezamenlijk kunnen worden gebruikt, maar als ouders hebben wij er toch wel op toe te zien, dat ons huis niet op een cafetaria gelijkt waar nu eens de één en dan weer de ander de maaltijd gebruikt.
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's