Het getuigenis van de kerk in een tijd van ontkerstening
Zoals bij vele lezers wel bekend zal zijn is er al enkele jaren voor de EO microfoon op zaterdagavond een panelgesprek – in wisselende samenstelling – waaraan wordt deelgenomen door prof. dr. W. H. Velema, dr. W. J. Ouweneel, drs. E. van Middelkoop en ondergetekende. Van tijd tot tijd lopen we dan tegen het onderwerp 'het spreken der kerk' op. Hoe heeft de kerk te spreken en te getuigen in deze tijd, waarin de ontkerstening toeslaat?Bij alle overeenstemming, die er met betrekking tot Schrift en confessie daaromtrent is bij de reformatorische gesprekspartners, zijn er soms ook min of meer in het oogspringende verschillen. We spraken af dat ieder daarom zijn gedachten over dit thema eens op papier zou zetten, zonder eerst van de ander iets gelezen te hebben. In dit nummer van ons blad treffen de lezers nu drie artikelen, die onafhankelijk van elkaar zijn geschreven.Prof. dr. W. H. Velema, hoogleraar aan de Theologische Hogeschool van de Christelijke Gereformeerde Kerken, schrijft onder het titel 'Moet de kerk niet spreken?'. Drs. E. van Middelkoop, vrijgemaakt gereformeerd, medewerker Tweede Kamerfractie G.P.V. schrijft over 'De confessionele kracht naar overheid en volk'. Ondergetekende gaat op het thema in onder de titel 'Het getuigenis van de kerk in een tijd van ontkerstening'.v. d. G.
De secularisatie
Over de secularisatie op zich wil ik in deze bijdrage over het kerkelijk getuigenis in een tijd van ontkerstening niet te breed uitmeten. De kerk is in de naoorlogse jaren meer en meer gesmaldeeld. Kon men in de vorige eeuw nog van Nederland als van een gedoopte natie spreken, thans hebben we veeleer te maken met een generatie, die als zonen van de verloren zoon getypeerd kan worden. Velen zijn ten enenmale vreemd aan het getuigenis van het Woord Gods. In snel tempo zijn christelijke tekenen in onze samenleving verdwenen en soms vervangen door anti-christelijke tekenen. De wet des Heeren, waarvan de Reformatie beleed dat die behalve een ontdekkende functie en een functie der dankbaarheid ook een politieke functie had, is méér en méér naar de rand van het volksleven gedrongen. In een geseculariseerde samenleving heerst het zelfbeschikkingsrecht van de mens. Aan Israël werd echter onder het Oude Verbond zijn zelfbeschikkingsrecht ontnomen omdat het horig was aan de levende God. Daarom had de wet van God een normerende betekenis voor het volksleven. Een geseculariseerde samenleving verdraagt echter geen normen van buitenaf. 'Geen God en geen Meester' is dan het devies.
We zien de gevolgen van het wegvallen van het Gebod Gods, dat 'ten goede' is, in de samenleving: uitslijting van de bijbels genormeerde waarde van huwelijk en gezin, verminderde bescherming van het menselijk leven in de begin en de eindfase, het niet meer veilig zijn van 'mijn en dijn', oprukkende machten van verslaving, om zich heengrijpend materialisme, vandalisme en criminaliteit, het wegvallen van de zondag als tempel van God in de tijd.
De kerk naar binnen
In een tijd, waarin zekerheden wankelen, normen van het Woord meer en meer wegvallen en als niet terzake worden beschouwd en vreemde machten mens en samenleving bedreigen, is innerlijke concentratie van kerk en gemeente op het wezenlijke het eerst nodige. Juist in een tijd van ontkerstening en ontkerkelijking is het zaak dat de gemeente bij het Woord Gods bewaard wordt en blijft. De gemeente vandaag staat in de windvang van de tijd en ligt derhalve open voor alle verschijnselen, die in de samenleving opgeld doen. Juist dan zal de kerk haar agenda niet door de wereld mogen laten bepalen maar door wat God in Zijn Woord eist en belooft. Hoe zal vandaag de gemeente en hoe zullen vandaag de leden der gemeente afzonderlijk onbesmet bewaard blijven voor de wereld? Door concentratie op het ene nodige; door het toeven aan de voeten van Jezus, in de gestalte van Maria; door de nadruk op levensheiliging: weest heilig, want Ik de Heere ben heilig. De eerbied voor Gods Majesteit en heiligheid en het beven voor Zijn Aangezicht en derhalve het horen naar Zijn stem mogen vandaag wel in het bizonder kerk en gemeente doortrekken. Een gemeente, die niet meer werkplaats van de Heilige Geest is, waar harten worden omgebogen tot de dienst aan de levende God, zal weerloos staan in de stormen van de tijd.
Kerk naar buiten
De concentratie op het wezenlijke binnen de gemeente neemt de opdracht tot getuigenis naar buiten intussen niet weg. De apostolaire opdracht is onopgeeftaar. Wanneer we naar de Schriften belijden dat er sprake is van twee wegen, van eeuwig wel en eeuwig wee, dan krijgt de opdracht 'gaat dan heen, onderwijst alle volkeren' bizondere klem. Het is bijbels ontoelaatbaar en geestelijk onverklaarbaar als de gemeente zo introvert, is dat ze haar roeping om getuigenis van het Evangelie te geven, dichtbij en ver weg, opgeeft en zich louter op haar eigen basis terugtrekt. Een ten dode wankelende wereld heeft recht van Godswege op de boodschap: wij bidden u van Christuswege laat u met God verzoenen. Zending en evangelisatie mogen geen stiefkinderen van de gemeente zijn maar zijn vruchten van een levende betrokkenheid op het Woord Gods, uiting van bewogenheid om hen, die ten dode wankelen. Er mankeert iets als de kerk afdingt op de haar van God gegeven roeping om, zoals de apostelen in hun tijd, er ook vandaag op uit te gaan om te prediken, te dopen tijd en te onderwijzen. Bovendien zal blijken dat een levende gemeente gééft, maar dat een gevende gemeente tevens ontvangt. De zegenende ziel zal vet gemaakt worden.
De praktijk zal overigens leren hoe weerbarstig een post-christelijke samenleving is voor het getuigenis van het Evangelie. Wanneer in het algeméén al geldt dat de mens van nature een vijand is van het Evangelie des Kruises, dan zal dit nog te sterker het geval blijken te zijn wanneer ooit de gaven van de Heilige Geest gesmaakt werden. Wie dán ongehoorzaam wordt is niet meer tot bekering te brengen, zegt de schrijver van de Hebreënbrief (Hebr. 6:10).
Intussen behoeft het nauwelijks betoog dat het ook in de evangelisatiearbeid gaat om de concentratie op de Enige Naam tot Zaligheid gegeven. Anderzijds is de handreiking aan de mens in nood ten zeerste verbonden aan de prediking van het Evangelie. Het is op zich al onmogelijk om het volk de gehoorzaamheid aan het gebod Gods, aan de inzettingen en rechten des Heeren voor te houden, en het volk niet tegelijkertijd te confronteren met het Boek, waarin God Zich openbaart. Maar het is op zich nèt zo onbarmhartig om wel de zonde in de samenleving aan te vrijzen en niet de gevolgen van de zonde bij de concrete zondaar op te vangen. Wanneer we – om één voorbeeld te noemen – vandaag geconfronteerd worden met de gevolgen van de zonde van verslavingen of van een vergroeide sexuele moraal (aids) dan kan en mag de kerk niet volstaan met louter ach en wee te roepen. Dan zal ze ook daadwerkelijk handreiking hebben te doen en pastoraat hebben te oefenen aan verdoolden en geraakten. Wat dat betreft is het Réveil in de vorige eeuw ook voor vandaag een lichtend voorbeeld. Een duidelijk getuigenis aangaande het Evangelie, met zicht op geloof en bekering als levensnoodzakelijk voor de mens, ging gepaard met een concrete opvang van de verschoppelingen en de getroffenen in de samenleving. Zodat van Groen van Prinsterer in de Haagse schildersbuurt werd gezegd, dat, wanneer ooit de zaak daar kort en klein zou worden geslagen, diens huis zou blijven staan. Men had namelijk ook de bewogenheid om de concrete mens bij hem en zijn vrouw gezien.
Profetisch
Toch zou het te weinig zijn als we, wat de roeping der kerk betreft, zouden blijven staan bij de evangelisatie als enige concrete roeping van de kerk naar buiten.
De profeten hebben onder het volk Israël gestaan, het volk vermaand en in de Naam des Heeren toegesproken en geoordeeld wanneer ze vreemde goden dienden. Maar het valt telkens weer op hoe de profeten ook, wanneer ze zich concreet profetisch tot het volk richtten, de koningen, de overheden, de volkeren, de steden, de wereldcentra van die dagen in hun boodschap betrokken. De profetie gaat over (tegen) Assyriers, Filistijnen, Moab, Damaskus, Efraïm, Egypte, Morenland, Duma, Arabic, om maar een aantal voorbeelden bij de profeet Jesaja te noemen. God staat in de vergadering der goden, der overheden, zingt psalm 83 profetisch. En hoe vaak gaat het met name in de psalmen niet over de majesteit van Gods koninkrijk, waarbij de hele aarde profetisch in het blikveld ligt? En is het alleen maar literaire inkleding als opgeroepen wordt de Naam des Heeren onder de volkeren bekend te maken?
Hoe hebben verder de apostelen niet tot voor koningen en overheden getuigd en uitgezegd dat Jezus Kurios, Heere is! En spreekt het boek Openbaring niet duidelijk over de eer en heerlijkheid der volkeren, die in het Nieuwe Jeruzalem zullen worden ingedragen? Ik duid slechts kort aan maar genoeg hopelijk om duidelijk te maken dat de kerk, de gemeente in haar profetische verkondiging de volkeren, de overheden op het oog mag hebben. Profetisch zal hen worden voorgehouden: zo spreekt de Heere.
Historische ontwikkeling
Me dunkt dat we deze profetische roeping van de kerk, die vanouds ook naar reformatorisch belijden in de kerk hier te lande gestalte kreeg, tot grote schade van volk en kerk zijn kwijt geraakt.
In artikel 36 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis belijdt de kerk zèlf inzake het ambt en de roeping der overheid. Deze belijdenis wil uiteraard niet alleen naar binnen toe beleden worden maar ook naar buiten toe worden uitgezegd, wil de overheid ook wéten dat ze dienaresse Gods is en 'het volk ten goede' heeft te regeren, dat wil zeggen naar de geboden en beloften van het Woord des Heeren. Historisch gezien is onze natie – de toenmalige staten – zelfs ontstaan uit de belijdenis van de gereformeerde religie in de kerk der Reformatie. Aan de kerk is het Woord Gods toevertrouwd en de kérk zal dan ook de overheid vanuit het Woord moeten voorlichten.
In de vorige eeuw, zeker na de Doleantie is echter helaas de bijbels-christelijke roeping naar de samenleving toe méér en méér toebedeeld aan de christelijke organisaties en verenigingen. We zullen moeilijk kunnen zeggen dat dat rechtstreeks 'naar de Schrift' is, al is hier wel sprake van een praktische mogelijkheid, een praktische vormgeving om aan het persoonlijke getuigenis en de persoonlijke verantwoordelijkheid gestalte te geven. Maar dat neemt de eigen roeping van de kerk niet weg. De profetische roeping van de kerk is altijd meer dan positiebepalingen van welke goede organisatie dan ook door middel van rapporten of publieke uitspraken. Helaas is in ons land het christelijk getuigenis naar volk en overheid toe verschoven van de kerk(en) naar de organisaties. Met als consequentie dat als de organisaties vervlakken, dé-confessionaliseren, ver-algemenen het christelijke getuigenis nauwelijks meer doorklinkt.
De kerk is méér dan een organisatie en zal derhalve – wil ze haar eigen profetische roeping niet blokkeren – zelfs de handen vrij moeten houden ten opzichte van elke politieke of maatschappelijke organisatie, zelfs ook ten opzichte van een staatkundige ordening, die een christelijk stempel draagt. Haar profetisch spreken is niet minder dan een ambtelijk spreken en dat kan zelfs nodig zijn naar christelijk-hetende verbanden, partijen of regeringen toe.
Als zodanig is het een groot goed geweest in onze samenleving – ik bedoel ten principale – dat de Nederlandse Hervormde Kerk in 1951, met de invoering van de Nieuwe Kerkorde, weer vrij kwam van de regelementenbundel van Koning Willem I, waardoor zij horig was geworden aan de staat. De kerk kon en mocht weer vrij spreken in de samenleving. Ze kon zich met herderlijke boodschappen richten tot de gemeente, ten aanzien van die zaken, die rechtstreeks het gemeentelijke of geestelijke leven raken (de sacramenten, de pinkstergroepen, huwelijk en gezin, liturgische vragen, het Schriftgezag) maar kon zich ook met boodschappen richten tot volk en overheid.
Concreet
Nu is het uiteraard zo dat, wannéér de kerk spreekt ze ook inderdaad bijbels zal moeten spreken. Ze zal ook alleen mógen spreken wanneer de gehoorzaamheid aan het Woord Gods echt in het geding is. Ze zal zich dan ook niet in elke willekeurige politieke kwestie mogen mengen, wil er niet sprake zijn van een vermenging van verantwoordelijkheden in kerk en politiek; wil niet het eigen ambt der overheid in het gedrang komen. Maar als zich dingen voordoen in de samenleving, die zich niet verdragen met het Woord Gods en als die ook nog een keer politiek gestimuleerd worden dan heeft de kerk de roeping om te spreken.
De vraag blijft dan dus wèl recht overeind of de kerk over de haar aangelegen vragen spreekt en er op de juiste wijze op ingaat. Ongetwijfeld zijn er door de hervormde synode na 1951 waardevolle boodschappen uitgegeven die een opscherpende functie hebben gehad naar volk en overheid toe. De zwakte van het hervormd kerkelijk spreken in de naoorlogse jaren is echter ongetwijfeldvaak geweest, dat soms gezwegen werd over zaken, die rechtstreeks het Woord Gods regardeerden, rakende symptomen van ontkerstening en Godsverzaking in eigen samenleving, terwijl de kerk er vlot bij was om te spreken over politieke situaties ver weg, waarbij het nog de vraag was of het Woord Gods rechtstreeks gebóód te spreken (ik denk aan de kwestie Biafra weleer). Daar staat tegenover dat andere kerken in het gehéél niet spraken. En de zwakte van kerken van gereformeerde signatuur in ons land is bovendien dat wél de aandrang wordt gevoeld om af te manen van zonden, die in het persoonlijke vlak liggen, juist ook waar die zich breed maken in de samenleving, terwijl er eigenlijk geen oog is voor de sociale zonden in de samenleving.
Ds. J. C. Sikkel heeft eens gezegd dat een ware Reformatie in twee dingen bestaat: 'vooreerst hierin dat de kerk weer Jezus Christus gaat erkennen als haar enig Hoofd en Zijn Woord als haar eigen leefregel. En in de tweede plaats dat zij zich weer wendt tot het ellendige, om dat te behouden… Een gemeente die zegt het eerste te willen en het tweede niet zoekt mist het bewijs der oprechtheid'.
Nu zijn we de laatste decennia als kerken meer en meer met de neus op de feiten van de secularisatie gedrukt. Dat heeft er met name toe geleid dat er ook binnen de Gereformeerde Gezindte strake is geweest van een ontwaken van de verantwoordelijkheid om naar buiten getuigenis te geven inzake punten, die de persoonlijke ethiek raken (homosexuele praxis, euthanasie, abortus, zondagskwesties). Maar als het dan gaat om de grootschalige ethische vragen – b.v. de kernbewapening en het rassenvraagstuk – wordt gemakkelijk een afwerende houding aangenomen. In de trant van: de kerk weet wél over kernwapens en Zuid Afrika te spreken, maar over andere onderwerpen zwijgt ze. Me dunkt dat ook het omgekeerde geldt, namelijk dat we ons als kerken druk maken – en terécht – over ethische vraagstukken als abortus, euthanasie e.d. maar over het sociale onrecht zwijgen. Terwijl de voorbeelden uit de Schrift voor het grijpen zijn dat ook het sociale onrecht profetisch aan de kaak wordt gesteld, zowel bij de oud-testamentische profeten als b.v. bij Jacobus.
Me dunkt dat het tot de wezenlijke roeping van de kerk behoort – en de noodzaak ertoe zal zich scherper aftekenen naarmate de ontkerstening voortschrijdt – om profetisch te spreken inzake de machten van de tijd (secularisatie, fascisme, marxisme/communisme, rassisme), inzake de naleving van het gebod Gods, het volk ten goede (diefstal in het groot of in het klein, huwelijk en gezin, doodslag in het groot en in het klein) en inzake wat in Gods oog onrecht is onder de mensen (het vertrappen van de ellendige).
Het zou kunnen zijn dat, als de kerk wérkelijk haar profetische roeping verstaat, ze dat in de (nabije) toekomst met het martelaarschap moet bekopen. Maar de kerk zál uitzeggen dat God de hoogste Souverein en dat Christus Heere is.
Ik besluit met een (door mij al eens eerder geciteerde) uitspraak uit een brief van de Zuid Hollandse synode van 1582 aan de Leidse magistraat: 'De kerkelijke macht begrijpt (heeft te maken mét, v. d. G.) alle zaken. Want zij vindt in het Gods Woord wat zij in alle zaken raden zal. Want er is niets in de gehele wereld waartoe zich hei Woord niet uitstrekt. Daarom dwalen zij grotelijks, die plegen te roepen: wat heeft de kerk met de republiek van doen en met de wapenen en de koks? Maar als de dienaren bemerken dat in zodanige zaken de Wet Gods overtreden wordt waarom zouden zij het dan niet bestraffen en uit het Woord Gods vermanen dat zij van de zonde afstaan?'
Een ge-reformeerde kerk is een profetische kerk. Een profetische kerk is intussen alleen die kerk, die het profetische Woord heeft en hoog houdt.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's