De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De confessionele kracht van de kerk naar overheid en volk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De confessionele kracht van de kerk naar overheid en volk

11 minuten leestijd

Aan het eind van zijn boek 'De kerk in het midden' waarschuwt ir. J. van der Graaf voor een versmalling van de prediking tot de vragen van het persoonlijk heil. Terecht wijst hij erop, dat de prediking het hele leven behoort te omvatten, omdat het Woord het hele leven omvat en omdat het gebod Gods zeer wijd is en de beloften Gods, bij onderhouding van het Gebod, eveneens. Ik zeg het hem graag na. Het Evangelie spreekt de mens aan in het hart van zijn bestaan, het is gericht tot het hart van Jeruzalem (Jes. 40 : 2), kortom het is totalitair. Zo behoort het Woord gepredikt te worden in de kerk. Dat is functioneel haar taak. Niet de kerk heerst totalitair over het leven van christenen, maar zij predikt het allesomvattende Evangelie, waardoor christenen bijbels toegerust staat en maatschappij in kunnen gaan.

Kaalslag christelijk leven
Wie in onze tijd zo de samenleving ingaat zal in de meeste gevallen aan den lijve ervaren, dat hij een vreemdeling is in deze wereld. Van Calvijn is de bekende uitdrukking, dat er in het burgerlijk leven 'een openbare gedaante van religie' moet zijn. In onze tijd zien we daar heel weinig van. In het bijzonder na de Tweede Wereldoorlog is er sprake geweest van een kaalslag van christelijke elementen in ons openbare leven. Het Kamerlid, dat op zondag Gods openbaringswoord hoort verkondigen omtrent de overheid als instelling Gods en dat vervolgens op maandag in de Tweede Kamer 'doorvertelt', wordt welwillend aangehoord en vervolgens genegeerd. Hij is buiten de orde. De overheid is immers neutraal en Gods Wet wordt gerekend tot de particuliere regels voor het leven van christenen. Hij mag nog meepraten over belangwekkende zaken als aids, de criminaliteit, de levensbescherming enz., zolang zijn argumentatie maar democratisch is en niet wordt 'ontsierd' door een verwijzing naar normen die 'van buiten komen'. Natuurlijk kan en mag een christen nooit vrede hebben met een dergelijke secularisatie van het openbare en maatschappelijk leven. Gods naam behoort ook daar groot te worden gemaakt, te worden geëerd. Daar zal het primair om moeten gaan en dus niet slechts om de bescherming van de vrijheden van een bedreigde christelijke minderheid. Al zijn die vrijheden natuurlijk alleszins beschermenswaardig.
Hoe nu deze voortgaande kaalslag tegen te houden? Is dat nog wel mogelijk? En zo ja, ligt hier misschien een taak voor de kerk? Wie dit laatste zou willen bepleiten is overigens wel gewaarschuwd. De politieke smaakmakers in ons land zitten op een dergelijke boodschap bepaald niet te wachten. Kardinaal Simonis kan erover meespreken. Wie in zijn spreken man en paard wil noemen kan erop rekenen, dat hij vervolgens voor de rechter zijn burgerlijk-democratisch fatsoen moet bewijzen.
Het zou niet goed zijn op deze gronden af te zien van het geven van een christelijk getuigenis. Het moet voor een christen niet iets bijzonders zijn wanneer zijn getuigenis weerstand oproept of hem zelfs zijn vrijheid wordt ontnomen. Hij treedt dan slechts in het voetspoor van Petrus en Paulus.
Ongeloofwaardig kerkelijk spreken
Toch behoeft deze constatering niet te leiden tot een pleidooi voor het spreken van de kerk. Daarvoor zal eerst de vraag moeten worden beantwoord of dit wel een taak van de kerk is. Kan het profetisch getuigenis alleen maar worden gegeven via de officiële spreekbuizen van de kerk? Stellig niet, maar wie op een dergelijk standpunt wil staan zou ik de gangbare praktijk van; het kerkelijk spreken van de afgelopen decennia willen voorhouden. Talloze synode-uitspraken, herderlijke schrijvens, pastorale brieven enz. enz. zijn ten bate van de gemeente, de overheid en het volk naar buiten gebracht. Daarbij heeft zich het eigenaardige verschijnsel voorgedaan, dat enerzijds in de grote kerken in confessioneel opzicht een steeds grotere tolerantie werd aanvaard, waar anderzijds synodes in politiek-maatschappelijk opzicht steeds dwingender en stelliger uitspraken deden. De radicaliteit van het Evangelie werd als het ware uit de gemeente van Christus zelf weggehaald en met kerkelijke autoriteit aan overheid en samenleving opgelegd. Men mene niet dat deze paradoxale situatie voor de buitenwacht verborgen is gebleven. En dat heeft de geloofwaardigheid van dergelijke kerkelijke uitspraken fundamenteel ondermijnd.
Wie evenwel geconfronteerd wordt met deze kerkelijke uitspraken en uit wil gaan van de goede bedoelingen van de kerkelijke autoriteiten, die zal ook willen letten op de inhoud van het spreken. En dan moet het wel opvallen dat, generaliserend gesproken, zo concreet en gedetailleerd veelal gesproken is over de inrichting van staat en samenleving, zo weinig en onbelijnd is gesproken over de drieslag ellende, verlossing en dankbaarheid. Het spreken van de kerk heeft zich meestal losgemaakt van het preken van de kerk. En dat heeft ertoe geleid, dat de onbarmhartige radicaliteit van bevrijdingstheologie tot zelfbeschikkingsrecht de boventoon voerden. Het hoge woord moet er maar uit: dit kerkelijk spreken is eerder een bijdrage geweest aan de secularisering dan een bestrijding ervan. De lezer zal zich kunnen voorstellen, dat er weinig dingen zo ondermijnend zijn voor het werk van een confessie-getrouwe politicus als de confrontatie met een fundamenteel van zijn zienswijze afwijkend kerkelijk rapport van zijn eigen kerk, dat hem van democratische zijde minzaam wordt voorgehouden. Dit overkwam bijvoorbeeld de heer Borgman van het CDA, die bij zijn goede argumentatie in het euthanasievraagstuk fors voor de voeten werd gelopen door een rapport over dit onderwerp van een deputaatschap van de synode van de Gereformeerde kerken (synodaal). Een beschamende en verdrietige vertoning!

Bescheiden spreken
Nu heft het verkeerde gebruik het goede gebruik natuurlijk nog niet op. Met de constatering, dat het gangbare kerkelijke spreken een failliete boedel is geworden, zijn we er natuurlijk niet. Wel kan het aanleiding geven tot verootmoediging en bescheidenheid. Dat past ook beter bij de kerk dan pogingen om in het gevlei te komen bij de politieke smaakmakers, de publieke opinie en de voorhoede van het theologisch denken. In zijn recente publikatie 'Het spreken en het preken van de kerk' beperkt prof. dr. W. H. Velema het spreken van de kerk tot wat hij noemt 'noodsituaties'. Als bijvoorbeeld kerkleden niet bij machte zijn om hun christelijke getuigenis in de samenleving te doen horen heeft de kerk een plaatsvervangende of aanvullende taak. Daarnaast wijst hij op een corrigerende taak van de kerk in het geval dat de gelovigen onvoldoende zicht hebben op wat de Heere gebiedt. Dan moet de kerk haar eigen leden door het publiek getuigenis in de samenleving corrigeren. Dit lijkt me een goede plaatsbepaling van het spreken van de kerk. Zo wordt de kerk geen actiegroep of een maatschappelijke discussiepartner. Belangrijk lijkt me ook, dat in een dergelijk spreken de band met het preken bewaard kan blijven. Want de prediking van het Woord is het hart van de kerk. Het is het middel waardoor God Zijn gemeente vergadert. Daarom is het adres van die prediking altijd de gemeente zelf. Zo pakt God ook de zonde in de wortel aan: in het hart van de mens. Zo geformuleerd is het spreken van de kerk natuurlijk een zeer bescheiden instrument. Er moet heel wat gebeuren wil de kerk naar buiten spreken. Maar het past in de traditie van Guido de Brès, die de Nederlandse geloofsbelijdenis bijna letterlijk Filips II voor de voeten wierp. En het past ook bij Calvijn, die in het voorwoord van zijn Institutie nadrukkelijk zijn uitleg van de gereformeerde leer aan de Franse koning aanbood. Beide handelingen hadden duidelijk ook een politieke strekking. In het bijzonder in de Nederlandse Geloofsbelijdenis werd aan de politieke machthebber van die tijd voorgehouden, dat christenen geen oproerkraaiers waren, maar een vredesfactor in de samenleving. Christenen zijn goede burgers, die naar Romeinen 13 de overheid in geweten willen gehoorzamen. Geen enkele overheid, waarbij nog iets leeft van het besef instelling Gods te zijn, zal voor een dergelijke presentatie ongevoelig zijn. Het bestaan van een dergelijke vredesfactor is immers ook het belang van de overheid. Het is niet zo moeilijk om dit historisch voorbeeld naar onze tijd te halen. Als minister-president Lubbers, zoals hij recentelijk deed, zich beklaagt over het verval van de rechtstaat en het uigeholde rechtsbesef bij veel burgers, dan mag hij weten, dat er nog altijd christenen en kerken zijn in ons land, die 'allen eren, de broederschap liefhebben, God vrezen en de keizer eren' (1 Petrus 2 : 17). Ook mag hij weten, dat in die kerken in de concrete catechismusprediking niet wordt gezwegen over zaken als fraude, zwart geld, belastingontduiking enz.

Voorbede en toerusting
Ook de voorbede voor de overheid zal een belangrijke plaats hebben in het kerkelijk gebed en het gebed van de gelovigen. Dat is bepaald niet een kleurloos gebed om algemene wijsheid en kracht, maar een bidden dat het regiment van Christus in het regeerbeleid zal uitkomen. In 1980 hebben de Gereformeerde Kerken (vrijg.) een bidstond gehouden in verband met de plannen tot legalisering van abortus. En dit jaar naar aanleiding van de voortwoekerende euthanasiepraktijk. Het is dan een goede zaak als het houden van een dergelijke voorbede wordt bekendgemaakt aan de overheid.
Niet in een brief met concrete politieke aanbevelingen, maar als een helder getuigenis van het heilzaam karakter van Gods Wet voor deze vraagstukken. En eveneens kan vooraf mededeling worden gedaan van een dergelijke bidstond in de mdedelingenrubrieken van de lokale pers. De bevolking mag juist dan weten, dat de kerkdeuren niet toegesloten zijn. Nu gaat het mij er zeker niet om een dergelijk bescheiden spreken van de kerk vervolgens weer zoveel mogelijk te maximaliseren. Ook al besef ik, dat de grenzen hier vloeiend zijn. De kerk moet haar kracht niet zoeken in het doen van veel uitspraken, maar in het toerusten van de gemeente om een heilig leven te leiden en daarvan naar buiten toe getuigenis te geven. Dat is de eerste en aangegeven weg om het christelijk getuigenis in de wereld te brengen. In de prediking worden de gelovigen als het ware op het goede been gezet, waarna ze buiten de kerk, in staat en maatschappij, hun rechte spoor trekken. In de kerk wordt de gelovigen de eerste beginselen van schriftuurlijke politiek en maatschappelijke aktie bijgebracht. Als mondige leden van de kerk zijn zij er vervolgens zelf verantwoordelijk voor deze beginselen uit te dragen en uit te voeren. Een christelijke politieke partij en een christelijke school zijn zelfstandige instituten, maar ze zijn met een intieme band verbonden met de prediking van de kerk.

Confessie maximaliseren
Wil het christelijk geloof daarom als een zuurdesem werken in onze samenleving, dan moet niet allereerst het spreken van de kerk worden gemaximaliseerd maar de confessie! Daarbij gaat het zeker niet alleen en misschien zelfs niet primair om artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, al dan niet theocratisch gelezen. Van de grote en soms onverwachte betekenis van een onverkorte handhaving van de confessie wil ik een voorbeeld geven, dat mij onlangs onder ogen kwam.
Enkele weken geleden verscheen een boekje met gesprekken met de gereformeerd-vrijgemaakte hoogleraar prof. J. Kamphuis. Hij vertelde daarin onder meer van een ontmoeting met een gereformeerde dominee en een baptiste in Roemenië: de broederschap in de verdrukking. De Roemeense dominee stelde aan de orde het goed recht van de kinderdoop. Kamphuis vertelt, hoe hij in dat gesprek de baptiste voorhield: 'Ik vind het zo jammer, dat u de enige bom, die onder het communistische wereldstelsel gelegd is door God zelf, namelijk de kinderdoop, vergeet aan te zetten. Want de kinderen zijn niet van de staat, maar van God en dat moet je vitaliseren!' Ik vind dat in dit verband een mooie term: vitaliseren. Het geeft aan, dat de confessie moet worden geleerd en doorleefd. Dan blijkt hoe politiek-relevant de confessie kan zijn. Niet alleen in een communistische wereld. Want wie in Nederland de confessie op het punt van de doop wil vitaliseren komt binnenkort wellicht op de christelijke school onze overheid tegen, die met een wet gelijke behandeling de humanistische confessie van de zelfgenoegzame mens wil opleggen. Ook is er weinig fantasie nodig om in te zien hoe belangrijk het vitaliseren van de confessie van de doop kan worden als de voortgang op het gebied van genetische manipulatie en dergelijke maatschappelijk en wettelijk in regelgeving wordt vastgelegd. Als gelovigen uit de kerken van de Reformatie elkaar zo zouden kunnen vinden op het punt van het maximaliseren van de confessie: wat een vitale kracht zou daarvan kunnen uitgaan ten bate van volk en overheid!

E. van Middelkoop

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De confessionele kracht van de kerk naar overheid en volk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's