De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Israël en de schuldvraag
In de eerste week van april verzond het moderamen van de Generale Synode van de Ned. Herv. Kerk aan kerkeraden en predikanten een verklaring in de vorm van een brief in antwoord op veler verzoek een duidelijk wegwijzend woord te spreken in de discussie die is ontstaan in en buiten de kerken rond de opvattingen van het echtpaar Goeree. Ik neem aan, dat u dan weet, waar het over gaat. De Goeree's trekken een rechte lijn van de verwerving van Jezus door de Joden naar het lijden dat de eeuwen door over dit volk gekomen is. De verklaring heeft in de kerkelijke pers wel enige aandacht gekregen, maar over de inhoud is betrekkelijk weinig gezegd. Mij bereikten enige kerkeraadsverslagen waarin melding gemaakt werd van de brief, adhesie betuigd werd over wat gezegd is over de uitspraken van de Goeree's door de synode, maar op het eigenlijke onderwerp van de brief nauwelijks ingegaan wordt. In deze verklaring wil het moderamen, zo schrijft men, 'met klem benadrukken, dat in catechese en verkondiging de schuld aan het lijden van Jezus niet aan het Joodse volk verweten mag worden, noch aan het Joodse volk van toen, noch aan de Joden in later tijd'.
In de Kroniek van Kontekstueel (jani 1987) gaat ds. T. Poot in op deze uitspraak. Poot acht het terecht dat de synode zich over deze zaak uitspreekt, maar acht de vorm – een A4-tje – onvoldoende, en is van mening dat de inhoud oppervlakkig en zelfs onbijbels is. Poot vervolgt dan:

'Als het moderamen bedoelt te zeggen dat de kerk – geroepen uit de volkeren – niet in de positie is om het Joodse volk verwijten te maken, dat dat ónze zaak niet is, dan graag accoord. Maar ik meen, gelet op het geheel van de brief, te moeten lezen dat de opvatting, als zou het Joodse volk schuldig zijn aan het lijden en de dood van Jezus, een foute is. Maar wat moet ik dan aan met de verkondiging van de apostelen, zoals ons die overgeleverd is in het boek Handelingen, om me daartoe nu maar te beperken? Ik citeer enkele woorden: Jezus, de Nazoreeër, een man, u van Godswege aangewezen… hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood.' (Hand. 2 : 22, 23). 'Mannen van Israël, gij hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend… en de Leidsman ten leven hebt gij gedood.' (3 : 14, 15). 'Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij (-) de Rechtvaardige, waarvan gij nu verraders en moordenaars geworden zijt.' (7 : 51, 51).
Het is duidelijk dat hetzelfde bijbelboek niet alleen de mannen van Israël, maar ook Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen (wij dus) schuldig acht aan het lijden en de dood van Gods heilige Knecht Jezus, Die Hij gezalfd heeft (4 : 27, 28). De ganse wereld, Israël en de volkeren, staan schuldig aan Golgotha! Wie nu, om beweringen als die van de Goeree's te ontzenuwen, breder: om antisemitische uitingen te bestrijden, het Joodse volk disculpeert, zoals het moderamen dat doet, doet onrecht aan Israëls Messias en aan het volk van de Messias. Het behoort – Stafanus maakt dat zo onthutsend duidelijk in zijn rede – tot de weg en het werk van alle gezalfden des Heeren en dus ook tot de weg van De Gezalfde bij uitstek om door eigen volk verworpen te worden. 'Hij kwam tot het zijne en de zijnen hebben Hem niet aangenomen' (Joh. 1 : 11). Maar wel namen zij Jezus aan uit de hand van Pilatus en leidden Hem naar Golgotha, waar zij Hem kruisigden (Joh. 19 : 16-18). Het is naar de schriften van het oude en het nieuwe Verbond, wezenlijk voor Gods Messias dat het zo met Hem gaat. Wie dat uit Joods-vriendelijke overwegingen liever verzwijgt, verduistert Gods raad en voornemen ten aanzien van zijn heilige Knecht. En doet ook onrecht aan het Joodse volk zelf. Door Israëls aandeel in het lijden van Jezus te verdonkeremanen nemen we Israëls nee tegen Jezus als Messias eigenlijk niet serieus, behandelen we de Joden als onmondige kinderen, die beter maar niet verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor hun daden. Op zulk oppervlakkig filosemitisme volgt meestal een verscherpt anti-semitisme.
Israëls rechtvaardiging geschiedt niet, evenmin als die van ons, die uit de volken zijn, op grond van schuldeloosheid, maar uit genade, die om Christus' wil aan goddelozen bewezen wordt, in de weg van het geloof.
Zijn daarmee nu de Goeree's gedekt in hun uitlatingen? Dat zij verre. Wie geeft hun en ons het recht als rechter op te treden ten opzichte van Israël? Wie zal uitmaken welke Gods wegen zijn met zijn volk in genade en gericht? Wie ook maar in de verte de gedachte oproept dat wij ons wel zouden mogen opwerpen als executeurs van Gods strafgericht aan zijn volk vergrijpt zich aan de Heere en aan Zijn oogappel. Als de Vader naar buiten gaat om de jongste zoon te spreken (Lucas 15 : 25 e.v.) dan blijve de jongste binnen in de feestzaal. En als hij al iets vermoedt van wat zich daar buiten tussen de Vader en de oudste afspeelt, dan beve zijn hart om zijn broeder en zien zijn ogen uit naar de dag waarop de oudste en de jongste zoon samen feest zullen vieren in Gods huis en uit één mond de God en Vader van onze Heere Jezus Christus zullen verheerlijken!

Ik ben van oordeel, dat het goed is dat deze dingen zo gesteld worden. Ongemerkt verzeilen we in een situatie waarin alles wat niet strookt met een bepaalde Israël-theologie antisemitisme genoemd wordt en waarbij je op één hoop gegooid wordt met de Goeree's. Dat maakt de discussie uitermate vermoeiend om niet te zeggen: hachelijk. En toch, als ik niet meer mag spreken van de schuld van Israël, samen met die van de volkeren, hoe zal ik dan ooit uitkomen bij mijn eigen schuld. In de spiegel van Israel's houding aanschouw ik immers mijn eigen beeld. Het rampzalige in uitspraken als die van de Goeree's is onder meer, dat in hun visie voor dat laatste geen ruimte meer is. Christenen gaan zich als rechter over Joden opwerpen. Dat Joden hierdoor hevig beledigd zijn ert gegriefd is terecht. Maar bijbels-theologisch kan men er niet om heen te blijven spreken van het aandeel van Israël in de verwerping van de Messias Jezus. Dat is niet het laatste woord. Het gehele Nieuwe Testament weet van de vasthoudende trouw van God jegens zijn ontrouwe Verbondspartner, een trouw die deuren opent naar de toekomst. We kunnen echter de door Poot genoemde teksten – en er zouden meerdere te noemen zijn – niet uit de Bijbel schrappen. Anders gezegd: We mogen geen voedsel geven aan een schiftingsproces waarbij mij onwelgevallig zijnde teksten worden verzwegen, weggeëxegetiseerd of als niet-gezaghebbend worden verworpen. Op die manier blijft er een Bijbel over, die zegt wat wij graag willen dat gezegd wordt. Ook om die reden, is het goed alert te zijn. We zullen inderdaad het Joodse neen serieus moeten nemen. Zo gaan we ook ontdekken het wonder van het Ja van Gods genadig ingrijpen, waardoor goddelozen behouden worden. Romeinen 9-11 staat niet los van Romeinen 3 : 21-31. Nogmaals, niet wij mogen ons als rechter opwerppen – als het moderamen dat bedoelt te zeggen, graag accoord – immers juist als we de ernst van de apostolische prediking aan het adres van Israël, waarin de schuldvraag aan de orde komt, beseffen, gaan we zelf onder het oordeel door. Zo wil de Geest ruimte scheppen voor het wonder van de vreemde vrijspraak, omdat de Rechter in onze plaats het gericht gedragen heeft tot heil van Israël en de volken.

De sjofar en de geschiedenis
Een van de muziekinstrumenten die in Israel's eredienst tot op vandaag een rol spelen is de sjofar, de ramshoorn. We lezen reeds in Ex. 19 hoe de verschijningvan de Heerebegeleid wordtdoor het allesdoordringende geluid van de ramshoorn. Dr. J. v. d. Linden schrijft in het Centraal Weekblad van 19 juni over de betekenis van de ramshoorn. Als de ramshoorn wordt geblazen, denkt Israël aan het gebeuren op de berg Moria, de offerande van Izaak. De sjofar vervult de rol van 'manende herinnering'.

Daarom speelde door heel de vaak donkere geschiedenis van het joodse volk de sjofar zo'n grote rol. De mogelijkheden van het instrument zijn beperkt, daarom zijn de wijzen waarop de ramshoorn moet worden geblazen nadrukkelijk voorgeschreven. Wie een geoefend oor heeft, hoort er drie verschillende melodieën in: de wekroep, als een signaal; de zangroep, 'die als een triller in de lucht blijft hangen' en de jubelroep, die lang blijft naklinken in de oren en het hart.
Alle stadia van de ontmoeting met de Eeuwige worden in die melodieën ervaren; de roep om op te staan, de vreugde om de grote daden van de Eeuwige, die oneindig is in barmhartigheid, en de jubel die Hem groot maakt.

Op de nieuwjaarsdag, begin van een nieuwe tijd, met al zijn bbekoring en onzekerheid, komt de sjofar de kleine mens eraan herinneren dat hij niet alleen op de wereld staat, dat ook de wereld niet wordt vergeten, niet is losgelaten om in wanhoop en hopeloosheid ten onder te gaan. De Eeuwige herinnert zich de wereld, zoals Hij zich de namen van zijn kinderen herinnert. Het fortissimo bij de Sinai – het geluid van de sjofar werd gaandeweg sterker – overstemt alles wat zich denkt te kunnen verzetten tegen de trouw en de majesteit van de Eeuwige, die Abraham en Izaak het geleide gaf uit de dood naar het leven.
Hij is die God, die zich de wereld herinnert, zijn volk daarin. Onze wereld heeft van Hem een begin gekregen. Hij staat ook borg voor het einde aller dingen. Hij had het eerste Woord en zal het laatste hebben. Abraham heeft dat Woord gehoord en met de ram opende het voor hem een nieuw perspectief. Daarom wekt de ramshoorn in het joodse volk de hoop die niet sterft. Door heel de Schrift klinkt dan ook de sjofar.

Oude Testament
Rav Saädya Gaon, een middeleeuwse joodse geleerde refereert aan minstens tien teksten waarin sprake is van de sjofar en zijn uitwerking op de luisteraars. Een enkele kan ik hier maar noemen.

De nieuwjaarsdag, dat nieuwe begin roept de nagedachtenis op aan de schepping, het eerste begin. De Eeuwige is de Schepper, Hem is gegeven alle macht. Zoals bij de inhuldiging van een nieuwe koning trompetten en bazuinen klinken, zo roept David in Psalm 98 : 6 zijn volk op: "Met trompetten en bazuingeschal (het geluid van de sjofar); juicht voor de Koning, de Heere."
De joodse nieuwjaarsdag is de eerste van tien dagen van boete en berouw. De sjofar laat dan de wekroep horen; laat ieder die berouw heeft, boete doen, en als hij daartoe niet komt, hij zij gewaarschuwd. De overtreders van de wetten van de Tora weten wat hun te wachten staat. Het geluid van de sjofar roept het beeld op van de majesteit van Israëls God, die zijn volk zijn stem doet horen. Het volk beefde voor de ontzagwekkende grootheid en majesteit van Hem, de Eeuwige (Exodus 19 : 6).
Jesaja vergelijkt de woorden der profetie met de sjofar (Jesaja 58 : 1): "Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin (sjofar)." Nog meer klinkt door in het geluid van de ramshoorn. Aan Jeremia herinnert hij, die de ondergang van de tempel profeteerde: eremia 4 : 19: "Mijn hart jaagt in mij, ikkan niet zwijgen; want bazuingeschal (de roep van de sjofar) hoor ik, strijdrumoer!" Amos wijst de mens zijn plaats temidden der catastrofes (Amos 3 : 6): "Wordt de bazuin (sjofar) in de stad geblazen, zonder dat de inwoners opschrikken?"
Aan het laatste oordeel in het laatst der dagen herinnert ook de sjofar, Zefanja 1 : 14: "Nabij is de grote dag des Heeren… een dag van duisternis .. een dag van bazuingeschal (de sjofar wordt geblazen) en van krijgsgeschreeuw." Tot op de jongste dag zal de sjofar dienst blijven doen (Jesaja 27 : 13: "En het zal te dien dage geschieden, dat er op een grote bazuin (sjofar) geblazen zal worden en zij die verloren waren in het land Assur en die verdreven waren in het land Egypte zullen komen en zich nederbuigen voor de Heere op de heilige berg te Jeruzalem."
Tenslotte roept Jesaja alle inwoners der aarde op om als de sjofar wordt geblazen en men de banier op de bergen opheft, om dan te luisteren, want het is het Woord van de Eeuwige dat op de muziek van de sjofar het hart van kleine mensen wil bereiken.'

De Jood hoort in de muziek van de sjofar heel de geschiedenis van de wereld en van de ontmoeting van God en mensen doorklinken. Van der Linden wijst er op hoe in Hebreeën 12 de ontmoeting bij de Sinai opgenomen is in de weg van God met zijn gemeente naar Sion, de stad van de levende God. Israëls geschiedenis zoals de profeten die vertolken en het uitzicht in deze profetie naar de toekomst zijn ook voor ons tot dankbare herinnering en blijmoedig verwachten gegeven. De bazuin weerklinkt. Ook in het laatste Bijbelboek is er sprake van. Door het venster van de beloften zien we uit naar de grote toekomst waarin de volkeren samen met Israël zich mogen verheugen in het heil van de God van Israël.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's