De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

6 minuten leestijd

R. van den Broek, De taal van de Gnosis. Gnostische teksten uit Nag Hammadi, Ambo Baarn 1986, 199 blz., ƒ 35,–.
Dit boek is een verzameling van enkele belangrijke gnostische geschriften, die in 1945 te Nag Hammadi in Egypte werden gevonden. De auteur voorziet deze van commentaar. Het eerste hoofdstuk houdt zich met het gnostische levensgevoel bezig. De term 'gnostisch' is afgeleid van het Griekse woord gnosis, dat 'kennis' betekent. Het is een geestelijk inzicht, dat uiteindelijk te danken is aan openbaring. Men had een zeer pessimistische kijk op de wereld, maar als religie is de gnosis optimistisch. Want gnosis is bevrijdende kennis, kennis die verlost.
Een aantal punten viel me bij de bespreking van de teksten op. Ik moge ze noemen. Eerst werd het psychisch lichaam van de mens gemaakt en pas later zijn stoffelijk lichaam (p. 34). De slothymne van het Geheime Boek van Johannes biedt dezelfde associatie van ideeën (zondige generatie van de vloed-afdaling in de onderwereld-wakker roepen-doop-eeuwig leven) als men aantreft in 1 Petrus 3 : 19 (p. 81). Wat de Johanneische Christus van zichzelf zegt in Joh. 14 : 6 is voor de auteur van het Evangelie der Waarheid een onaantastbare zekerheid (p. 106). Zeer interessant is het vierde hoofdstuk, dat handelt over dood en verrijzenis in gnostisch perspectief. De opstanding realiseert zich reeds in dit leven (men denke aan het Johannes-evangelie), maar tegelijk wordt vaag een vorm van lichamelijke opstanding aangeduid. Me dunkt dat dit punt wat meer uitgediept had kunnen worden. Want met name Paulus heeft het in deze met de gnostici aan de stok gehad. Van den Broek, die bijzonder hoogleraar te Utrecht is, komt tenslotte tot de conclusie dat de mythologische vormgeving van de belangrijkste gnostische systemen in een Joods milieu moeten hebben plaatsgevonden. In hoeverre is deze opvatting juist is, blijft de vraag. Wel moeten er verbindingen bestaan hebben van de gnostiek met de Joodse Apocalyptiek in het algemeen. Het goed ogende boek kan van harte worden aanbevolen in de belangstelling van theologen, theologisch geïnteresseerde gemeenteleden in classici.
dr. J. Broekhuis, Voorthuizen

Drs. A. G. Knevel (red.), Visie op Karl Barth, Kok Kampen 1987, 96 blz., ƒ 16,90.
Dr. G. W. Marchal, J. G. Woelderink, Een kennismaking. Kok Kampen 1986, 155 pag.
Dat er in de serie 'Befaamde theologen' ook over dr. Woelderink ooit een deeltje zou verschijnen, kon worden verwacht. Woelderink mag dan niet een Karl Barth, een Gunning, een Kierkegaard, een Noordmans of een Van Ruler zijn geweest over wie in deze reeks reeds eerder deeltjes verschenen, hij was toch wel een theoloog van zodanig formaat, dat hij voor deze serie in aanmerking kon komen.
Dr. G. W. Marchal, hervormd predikant te Hellendoorn, heeft zich grondig in Woelderinks publicaties verdiept en heeft als resultaat daarvan nu dit boekje op zijn naam staan.
Het boekje bestaat voor een groot deel uit citaten uit Woelderinks werken. Dat is geheel overeenkomstig de doelstelling van deze serie. De verbindende tekst tussen de citaten is van Marchal zelf. Ook die bieden een getrouwe vertolking van Woelderinks opvattingen. Natuurlijk schemert Marchal's eigen waardering in het geheel van het werkje steeds door.
Het gaat achtereenvolgens in de hoofdstukken over de thema's: Belofte, verbond, verkiezing, geloof en bevinding. Daartussendoor gaat het ook over de verhouding Rome en de Reformatie en over de doperse mentaliteit.
Alwie ook maar enigszins vertrouwd is met de geschriften van Woelderink herkent hierin onmiddellijk de zaken die hem zijn leven lang hebben beziggehouden.
Op een sympathieke wijze is door Marchal Woelderinks portret getekend. Wij hebben daar veel waardering voor.
Opvallend is dat door Marchal steeds herhaald wordt dat Woelderink in zijn leven zoveel geleden heeft. Steeds komen wij tegen het woordje 'pijn'. En stellig is het waar dat Woelderink veel geleden heeft; al hebben ook de eervolle dagen (erepromotie) hem niet ontbroken. Bij het huiselijk leed dat Woelderink overkomen is, blijven wij op een eerbiedige afstand staan. Woelderink heeft dat leed als een christen gedragen, met een overgave die ons diep respect afdwingt. Maar Marchal gaat als hij het heeft over Woelderinks leed nog een stapje verder. Woelderink zou ook veel geleden hebben onder wat anderen in 'eigen laring' hem hebben aangedaan. Ook dat zal zeker wel het geval zijn geweest. Ik wil daar niets van afdoen. Maar, naar ik meen vereist dit wel enige aanvulling. Heeft Woelderink het er soms niet ook naar gemaakt? Ik ben ervan overtuigd dat velen op hun beurt door Woelderink diep gekwetst zijn. Ik wil eerlijk bekennen dat ikzelf, zelfs nu nog, na zoveel jaren, als ik het een en ander van Woelderink lees, bij al het goede dat ik bij hem vind, mij toch nog geráákt voel. Eén keer in mijn leven heb ik Woelderink zelf horen spreken, nl. in mijn studententijd. Het was voor studenten, onder leiding van prof. Van Ruler. Het was één pleidooi voor de zgn 'nieuwe koers' in de Hervomde Kerk.
Het heeft mij jarenlang, tot op de dag van vandaag, 'dwars' gezeten. Bij Woelderink lijkt het er verder op dat alwie het niet met hem eens is thuishoort in de 'doperse geestesstroming'. Ik ben ervan overtuigd dat mannen als Hugo Visscher, Severijn en ds. I. Kievit en zovele anderen binnen de Geref. Bond, die meer dan ik zijn tijdgenoten waren, dit nog veel meer gevoeld hebben.
Helaas komt ook in het boekje van Marchal niet tot uitdrukking, dat binnen de Ger. Bond, waartoe Woelderink oorspronkelijk behoorde, maar die hij later de rug heeft toegekeerd, de keus niet was en nóg niet is: óf Woelderink óf dopers. Ik herhaal: zo is het nooit geweest en zo is het nóg niet. Er zijn er binnen de Bond altijd talloze geweest die nóch met Woelderink nóch met Kersten (ik noem diens naam omdat Kersten voor Woelderink zo ongeveer de belichaming is geweest van al wat hij onder 'dopers' verstond) meegingen, die de reformatorische leer van het verbond (zo heerlijk verwoord in onze kerkelijke formulieren) van harte waren toegedaan, maar met Woelderink niet meegingen toen hij deze leer van het verbond dermate vereenzijdigde dat alle spanning tussen 'uitwendig' en 'inwendig' eruit verdween (wat waarlijk niet behoeft te betekenen dat wij een 'inwendig verbond' stellen tegenover een 'uitwendig verbond') en toen hij de Dordtse leer der goddelijke verkiezing niet alleen losliet maar die zelfs, mede onder invloed van de theologie van Barth, ook bestreed.
Hiermee is niet ontkend dat tot op de dag van vandaag toe er in Woeldeink geschriften veel te vinden is wat authentiek reformatorisch is. Wat mijzelf betreft: ik ga met Woelderink mee zover hij écht reformatorisch is, maar dan ook geen stap verder.
Marchal's boekje biedt een 'kennismaking' (ondertitel). Daartoe is het ook in het bijzonder geschikt. Marchal's evaluatie deel ik niet; maar ter informatie dit boekje gaarne.
K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's