Johannes Polyander (2)
Scholastisch?
Het lijkt ons overdreven wat dr. A. J. Lamping in zijn overigens heel goede levensbeschrijving van Polyander (Leiden 1980), als kritiek uitbrengt op diens wijze van behandeling van bijbelse stoffen. Omdat Polyander steeds begint met een korte uitleg van de tekst en dan daarna overgaat tot de toepassing, zou hij, aldus Lamping 'scholastisch' te werk zijn gegaan. Hier ziet men, naar ons oordeel, te snel leeuwen en beren op de weg. Als dat óók al scholastisch moet zijn, wanneer men de volgorde van uitleg en toepassing bij het behandelen van Schriftgedeelten volgt, dan weet ik niet meer wat dan nog niet scholastisch mag heten.
Ook is het niet waar dat Polyander, zoals Lamping zegt, in zijn exegese dogmatisch zou zijn en in zijn toepassing stichtelijk. Lamping had beter kunnen zeggen, dat Polyander in zijn uitleg heel eenvoudig is en in zijn toepassing zeer praktisch. Lamping heeft met zijn kritiek met name Polyanders boek Spiegel der waere bekeeringhe des sondaers tot Godt, op het oog. Welnu dit boek hebben wij, terwijl wij dit artikel schrijven, vóór ons liggen, zodat wij zijn oordeel kunnen toetsen.
Eerst iets over Polyanders exegese. Het boek is ontstaan uit een aantal preken over het boek Jona, door Polyander gehouden in zijn Dordrechtse periode. In 1591 kwam Polyander in Leiden, als predikant van de Waalse gemeente aldaar, en hij bleef er tot 1611, toen hij benoemd werd tot hoogleraar aan de Academie te Leiden, als opvolger van Gomarus, als theologisch hoogleraar. Pas vele jaren later, in 1626, gaf Polyander een omwerking van zijn preken uit in de vorm van een traktaat, waarvan wij de titel zojuist vermeldden.
Zorgvuldige exegese
Ik kan niet anders zeggen dan dat Polyander in zijn exegese van het boek Jona zorgvuldig te werk is gegaan. Wie hem dogmatisme wil verwijten, moet weten wat hij zegt. Als daarmee bedoeld wordt dat Polyander ervan uitgegaan is dat Jona een historisch persoon is geweest, en dat hij werkelijk in de vis heeft verkeerd en dat alles wat in het boek Jona staat waar gebeurd is, ja dan moet ik zeggen, dat dit inderdaad zo is. Maar ik kan dat geen dogmatisme noemen!
Ik kwam in Polyanders uitleg van dit boek een paar aardige trekjes tegen, die ik de lezers niet wil onthouden. Ergens stelt Polyander de vraag, waarom de Heere naar Ninevé maar één Jona zond. Vorsten van deze wereld, zegt hij, zenden hele gezantschappen. Maar de Heere zond maar één man. God doet zijn werk anders dan de vorsten van deze wereld. Eén enkel man, bovendien nog een man die onwillig was, zond de Heere naar het machtige Ninevé, om het tot bekering te brengen. Zo doet God Zijn werk op aarde.
Jona's vlucht
Bijna vanzelfsprekend is dat door Polyander ook de vraag gesteld wordt, wat toch de eigenlijke reden kan zijn geweest dat Jona vluchtte, naar Tarsis wilde gaan inplaats van naar Ninevé. Polyander heeft daarover de volgende gedachten. Jona was bang dat hij een leugenachtig profeet zou worden bevonden. Indien de stad eens niet zou vergaan, wat dan? Jona, zegt Polyander, was een nederig mens, hij kon het niet verdragen dat, indien zijn profetie niet zou uitkomen, Gods naam gelasterd zou worden. Maar dit is niet het enige antwoord dat Polyander weet te geven op de zojuist gestelde vraag. En dat is maar gelukkig ook, want het argument is wel curieus bedacht, maar lijkt ons toch zeer onwaarschijnlijk. Jona heeft, aldus Polyander, de last ook te zwaar gevonden; hij was nog bevangen met zwakheid des vleses. Hij was bang dat de Ninevieten hem om zijn prediking kwaad zouden doen. En hij was ook bang voor zijn eigen volksgenoten. Stel dat de Ninevieten zich zouden bekeren, zouden dan niet de joden woedend zijn? Zij zagen niets liever dan de ondergang van Ninevé en zij zouden het Jona kwalijk nemen dat hij dat, door zijn oproep tot bekering, had verhinderd. Er komt bij, zegt Polyander, dat het iets geheel vreemds, iets geheel nieuws was dat een joods profeet naar de heidenen ging, die onbesneden waren. Het leek in strijd met Gods beloften. Had de Heere niet tegen Israël gezegd: alleen heb Ik uitverkoren (Deut. 4 : 6v)? Ziehier Jona's argumenten om niét naar Ninevé gaan. Intussen, hij had, aldus Polyander, geen wettig excuus. Gods bevel gaat boven alles.
Ontrouw
Bijzonder treffend vind ik wat Polyander, nog steeds sprekend over de vlucht van Jona, opmerkt over Jona's ontrouw. Met zijn vlucht heeft Jona in tweeërlei opzicht gezondigd. Immers, hij ging niet alleen niet naar Ninevé, wat zijn opdracht was, maar hij verliet tegelijk zijn eigen volk, waarvoor hij eveneens een opdracht had. Hij bleef niet waar hij was en hij ging niet naar de plaats waar hij wezen moest. De schapen die hem toevertrouwd waren liet hij in de steek, hoewel hij niet van plan was om te gaan waarheen de Heere hem riep. En dan komt er ook nog bij, zegt Polyander dat hij per schip zich uit de voeten maakte, dat wil zeggen zonder enige noodzaak zijn leven in gevaar stelde, immers de zee is een gevaarlijk element.
De vis
Vervolgens, Polyander heeft ook over de vis, die Jona opslokte, het zijne weten te zeggen. De soort waartoe deze vis behoorde, interesseerde hem niet veel. Er is ons niet veel aan gelegen, zegt hij. Op de Nederlandse kusten zijn weleens heel grote vissen aangespoeld, soms van 60 of 70 voet lang of nog langer. Jona kwam dus terecht in een grote vis. Ik weet, zegt Polyander, dat een mens zonder lucht niet kan leven. En hoe was het dan met Jona? Polyander weet maar één antwoord: Het was een wonder! Maar waar men op letten moet is dit, dat Jona God had willen ontlopen en de vis niet heeft kunnen ontlopen. Hoe onzinnig is het als een mens God wil ontvluchten. En dan de toepassing: Hoe onzinnig is het als kerkmensen het Heilig Avondmaal mijden en zo God willen ontvluchten. De kwestie van de avondmaalsmijding heeft Polyander hoog gezeten. Wij komen daar nog op terug. Nu al blijkt dat hij het mijden van het avondmaal gelijk heeft gesteld met het vluchten van Jona.
De dieren
In Jona 3 : 7 lezen wij dat in Ninevé als teken van berouw ook de dieren moesten vasten. Wij lezen daar: 'Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets eten, laat ze niet weiden noch water drinken'. Het klinkt ons wat vreemd in de oren. Dat, als teken van berouw, in bepaalde omstandigheden ménsen vasten, lijkt ons aannemelijk. Maar waarom nu ook de dieren? Die vraag is ook door Polyander gesteld. Hij zegt – om de vraag nog wat aan te scherpen –: de bekering bestaat toch immers in geloof, kennis van Gods wil en in de begeerte om Hem te behagen? En hoe kunnen dan dieren tot vasten gedwongen worden? De oplossing die Polyander biedt, luidt als volgt. Het was omwille van de mensen dat de dieren in Ninevé moesten vasten. De dieren zijn immers door de Heere om 's mensen wil geschapen. Zijzelf staan niet schuldig. Maar hun lot is verweven met dat van de mensen. Komt Gods toorn over de mensen, dat gaat – omwille van de mensen – die toorn ook over de dieren. Zij zijn zoals alle schepselen, naar het woord van Paulus, de ijdelheid en dienstbaarheid onderworpen. De Ninevieten hebben ook hun dieren laten vasten, als een teken van ootmoed. Om God te bewegen tot barmhartigheid. Trouwens, als het oordeel Gods doorgang had gevonden, dan zou dat ook de dieren getroffen hebben. Er komt bij, dat het vasten van de dieren, dat wil zeggen hun niet eten en drinken, dat hun onthouden werd, voor de Ninevieten zelf een aansporing was tot grotere verslagenheid en vernedering. Hoe kunnen soms paarden opgetuigd en versierd worden. Maar in Ninevé brak men daarmee. En tenslotte, nu de Ninevieten hun dieren niet meer behoefden te verzorgen, kregen zij zelf meer tijd vrij om te kunnen vasten en bidden. Polyander maakt het aanscholiwelijk: Wat een gehuil en geblaat van dieren. En daarbij dan ook nog het geween van de kleine kinderen, en het schreien, zuchten en klagen der ouderen! Zo bekeerde zich Ninevé.
Berouw
Was er berouw bij God, zoals Jona zei: 'Ik wist dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende van het kwaad' (Jona 4 : 2)? Het is een vraag die al vaak gesteld is en ook door Polyander wordt gesteld. Zijn antwoord is: Gods voornemen blijft altijd vast en onveranderlijk, maar Zijn dreigementen door Zijn dienaren zijn altijd conditioneel. Dat wil zeggen: er is een indien aan verbonden. Ze zijn conditioneel, zegt Polyander, ook wanneer dat niet uitdrukkelijk gezegd wordt. Dus in Jona's prediking lag een stilzwijgende voorwaarde besloten. Zou Ninevé zich bekeren, dan zou de stad niet ondergaan. Zou Ninevé zich niét bekeren, dan zou de stad wel ondergaan. Berouw in de menselijke zin van het woord is er dus bij God niet. Wat in Zijn eeuwige Raad besloten ligt voert Hij uit. De reden waarom Gods dreigementen 'conditioneel' zijn, is volgens Polyander dat het Hem vooral erom gaat barmhartigheid te betonen. God heeft er niet lust in om een hele stad te verwoesten. Hij wil liever barmhartigheid bewijzen. Daarin in het bijzonder stelt Hij Zijn eer. Het is droevig dat Jona dat niet beseft heeft. Bij hem vindt men het tegenovergestelde. Hij was wraakgierig. Jona had zich in de bekering van zovelen van harte moeten verheugen.
Proefje
Ziehier een proefje van de manier waarop Polyander bezig is geweest met de stof die hij behandelde. Het is onmiskenbaar dat hij getracht heeft de zin van de tekst te verstaan, wat een eerste vereiste is voor een goede exegese. Polyanders preken over het boek Jona moeten, zoals wij dat noemen, 'exegetisch verantwoord' zijn geweest. De toepassing in de preek moet rusten op de exegese. Indien wij dat nog niet wisten, kunnen wij het leren van Polyander, een van onze 'Dordtse vaderen'.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 14 juli 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 14 juli 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's