De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Johannes Polyander (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Johannes Polyander (3)

9 minuten leestijd

Al was Polyander geen man van de 'Nadere Reformatie', praktisch was hij wel. Zo goed als elke tekst in het boek Jona heeft hem een gelegenheid geboden om aansporingen, vermaningen en ook wel waarschuwingen te doen horen. Zij geven ons enig inzicht in Polyanders 'ethiek'. Zij zijn niet alleen interessant, maar – zo lijkt ons – ook voor het heden menigmaal nog waardevol.

Overheid
Wij beginnen bij: de overheid. De Gereformeerden in het verleden voelden zich altijd nauw betrokken bij de politiek. Polyander ook. Ergens in zijn boek keert hij zich tegen de wederdopers, met name de volgelingen van Menno Simons, die, zoals Polyander zegt, zo smadelijk doen over het 'overheidsambt' en menen dat christenen zich daarvan onthouden moeten en dat allen die dat ambt aanvaarden maar 'goddeloze lieden ' zijn. Polyander stelt daar kort en goed tegenover: Juist christenen zijn het bekwaamst om een overheidsambt te bekleden.
Hoewel Polyanders boek niet speciaal gewijd is aan het thema 'de overheid', komen wij er toch heel wat in tegen wat op de overheid betrekking heeft. Naar aanleiding van Jona's roeping tot het profetenambt merkt hij op, dat heden de dienaren des Woords 'middellijk' geroepen worden, en dat het recht van de verkiezing van dienaren des Woords bij de gemeente ligt; maar, zegt Polyander met, 'goedvinden en bewilliging van de christelijke overheid'. De overheid moet er dus ook in gekend worden. Betekent dit dat volgens Polyander de overheden door de kerk naar de ogen gezien moeten worden? O neen! Moest niet Jona ook de koning van Ninevè gaan vermanen? Vorsten en grote personen, merkt Polyander op, willen niet bestraft worden, maar toch zullen Gods dienaren niet mogen zwijgen. De overheid moet in haar ambt geëerd worden, maar zij staat onder Gods Woord, en Gods dienaren zullen dat Woord ook de overheid moeten laten horen.

Recht en doodstraf
De meeste aanleiding tot opmerkingen over de overheid vindt Polyander daar waar in het boek Jona verhaald wordt wat de zeelieden met Jona gedaan hebben, nadat hij door het lot als de schuldige was aangewezen. Niet dadelijk hebben de mannen Jona opgepakt en in de zee geworpen, hoewel hijzelf gezegd had: Neemt mij op en werpt mij in de zee… Een mensenleven, zegt Polyander, was hun heel wat waard en zo moet het ook zijn. Ook voor de overheid. Toch: uiteindelijk kwam het ervan, Jona is opgenomen en in de zee geworpen. Polyander ziet daarin een strafoefening. Op dat moment oefenden de zeelieden het ambt van overheid uit. Moordenaars moeten, als zij uit moedwilligheid handelden, met de dood worden gestaft. Doen zij dat niet, zegt Polyander, dan staan zijzelf mede schuldig aan de moorden die gepleegd worden. Op vele plaatsen is de overheid veel te slap. Men noemt dat 'barmhartigheid' maar in (3) werkelijkheid is het 'wreedheid'. Wel zullen overheden altijd eerst een goed onderzoek moeten instellen. Zij mogen in de strafoefening niet onzorgvuldig te werk gaan. Rechters zullen ook nooit uit persoonlijke wraak mogen handelen. Laten zij, als zij moeten spreken. God bidden om wijsheid opdat zij niet de onschuldigen veroordelen en de schuldigen vrijspreken. Even later komt Polyander er nog eens op terug. Slappe overheden zondigen ernstig, wanneer zij onder de schijn der barmhartigheid kwaaddoeners ongestraft laten. Gebruiken magistraten en rechters niet het zwaard tot straf van de kwaaddoeners, dan brengen zij Gods toorn over het land. Een andere gelegenheid om de taak van de overheid te omschrijven vindt Polyander in wat wij lezen over het optreden van de koning van Ninevè. Toen hij hoorde van Jona's prediking stond hij op van zijn troon, bedekte hij zich met een zak, zat hij neer in de as, en liet hij uitroepen dat heel het volk zou vasten en zich verootmoedigen, want: Wie weet, God mocht zich wenden, en berouw hebben… (3 : 6vv). Polyander ziet hierin als in een spiegel, dat élke overheid moet zorgdragen voor de religie, de ware godsdienst moet voorstaan en handhaven. Hij zegt erbij: Vooral koningen en magistraten die belijdenis doen van de ware religie! God moet door overheid en volk gediend worden, dat wilde Polyander hiermee zeggen.

Kerkelijk leven
Maar niet alleen de overheid had Polyanders zorg en interesse, nog meer de kerk en haar dienaren. Wij komen in zijn boek nog al wat klachten tegen. In het begin van de zeventiende eeuw, toen Polyander zijn boek uitgaf, was de Gereformeerde Kerk in ons land lang niet in alle opzichten aan de maat. Al in de Opdracht aan zijn zwager David Nuys klaagt Polyander erover dat er zovele 'mondchristenen' waren. Al meer dan 50 jaar wordt in de Nederlanden het Woord Gods zuiver gepreekt en toch zijn er, getuige hun levenswandel, nog zovele onzuivere christenen. De maatstaf die Polyander aanlegde tot beoordeling daarvan was bepaald geen te hoge. Nergens bespeurt men in zijn boek iets van wetticisme. Nergens stelt hij allerlei bijna onmogelijk te volbrengen eisen. Hij is heel wat milder in dit opzicht dan Willem Teellinck was. Over het vasten spreekt hij in uiterst gematigde zin. De bekering is, zoals wij nader zullen bespreken, bij hem een vrucht van het geloof! Maar ook in dit geval bleef er toch nog wel wat te klagen over. Zo heeft Polyander het nog al voorzien op de libertijnen. Hij zal daarbij zeker gedacht hebben aan bepaalde magistraatspersonen, hoewel aan hen niet alleen. Polyanders bezwaar is dat zij de hand lichten met Gods Woord. Zij stellen zich tevreden met een inwendig christendom. Hun redenering was: Het doet er niet toe hoe men leeft, als men maar inwendig vroom is! Alsof, zegt Polyander, men inwendig vroom zou kunnen zijn als men uitwendig, voor het oog der mensen, Gods wet overtreedt.

Christelijk leven
Doch afgezien van de libertijnen bleven er nog genoeg anderen over die evenmin vroom leefden. Er zijn er, aldus Polyander, die wanen dat zij beter zijn dan de libertijnen. Zondags ziet men ze in de kerk, als het Avondmaal bediend wordt ziet men ze aan de Tafel, op de biddagen laten zij het hoofd een beetje hangen, maar verder… Wat verderop in zijn boek spreekt Polyander over dronkaards, hoereerders, onderdrukkers van de armen. Hij zegt: vooral in de steden en andere grote plaatsen! Wat boosheid heerst er al niet in heel de 'gereformeerde christenheid'. Eén zonde vooral trof mij bij het lezen van heel het repertoire dat Polyander opvoert. Ieder weet: ook in de eeuw van Polyander woedden er herhaaldelijk pestepidemieën. Ontzettende toestanden waren daar het gevolg van. Families vochten soms om een paar planken voor een doodkist. Er werden heldendaden van opofferingsgezindheid verricht. Maar er gebeurden ook dingen die ons schokken vanwege alle gebrek aan moraal. Polyander geeft er ons een staaltje van. Hij spreekt over mensen die zelf besmet zijnde met de pest, en de dood voor ogen hebbende, opzettelijk andere mensen met diezelfde ziekte gingen besmetten. Samen dood! En niet ik alleen! Daar staat tegenover, zegt Polyander, wat wij van Jona lezen. Liever wilde hij zelf alleen sterven dan dat de zeelieden om hem zouden vergaan, en daarom zei hij: Neemt mij op en werpt mij in de zee.
Hebben Gods mannen, vraagt Polyander, dan vergeefs al sinds vele jaren hun stem laten horen tegen Neerlands gruwelijke zonden? Zijn wij vergeten de plagen die over ons gekomen zijn? Hoe lang woedt nu al niet de (80-jarige) oorlog? Heeft de Heere zich jegens ons volk onbetuigd gelaten? Werd niet Leiden ontzet, na een zwaar beleg? Alle Leidenaren konden het beamen. Polyander herinnert ook aan wat de Spaanse vloot, de Armada overkwam. Dat was in 1588, maar men wist het zich nog goed te herinneren. God beschikt over water en winden.

Voorzichtig
Soms richt Polyander zich speciaal tot de dienaren des Woords. Preken moeten zij; dat moest Jona immers ook. Zij moeten voorzichtig zijn in hun levenswandel. Polyander heeft daarvoor een heel mooi beeld. Iemand die op een toren staat moet veel voorzichtiger zijn en zich dus goed vasthouden om niet te vallen, dan iemand die op de begane grond loopt. Hij wil zeggen: laten de predikanten en allen die 'hoog' staan extra voorzichtig zijn!

Landlopers
Polyander heeft verder als goede raad voor zijn ambtsbroeders, de predikanten: ge moet wettig tot het ambt geroepen zijn, en dan bent u dat, neemt dan uw taak op waar het ook is; ook al is het nog zo bezwaarlijk. Evenwel: predikanten mogen zich niet indringen in de gemeente van een ander. Iemand kan wettig geroepen zijn, maar daarom staat het hem nog niet vrij om te gaan preken waar hij maar wil; predikanten mogen geen 'landlopers' zijn, zoals de wederdopers.

Avondmaal
Er is één punt in de kerkelijke praktijk dat Polyander erg hoog heeft gezeten. Hij komt er tenminste telkens op terug. Wij hebben het al eerder genoemd: de mijding van het Heilig Avondmaal. Hij zegt daarover het volgende. Het is niet genoeg het Woord Gods te horen, ook de sacramenten moeten worden gebruikt. Velen weten dat ook wel, en toch doen zij het niet; zij mijden het Heilig Avondmaal. Dit is, zegt Polyander, de oorzaak van de 'slappigheyt' in de religie. Heel veel kwalen in het kerkelijke leven herleidt Polyander dus tot het mijden van het Avondmaal. Het Avondmaal rust namelijk niet op het gezag van mensen. Het eerste wat wij erin overwegen moeten is Gods bevel. Jona ontvluchtte zijn goddelijke roeping; datzelfde ziet Polyander bij hem die het Avondmaal mijden. Ik citeer nu letterlijk: 'Ik vraag: wat excuus zullen diegenen hebben voor het wenden en hoe zullen zij verontschuldigd kunnen zijn, die heden ten dage om zo geringe zaken en uit kleinachting het gebruik van het Heilig Avondmaal nalaten, daar de Heere zelf ons het zo nadrukkelijk beveelt met de woorden: Doet dat enz.'. Het is een ongehoorzaamheid die God niet ongestraft zal laten; al is het dat Hij ze met Jona niet allen in de zee verdrinkt, zo zijn zij het nochtans waardig. De ongehoorzaamheid is een grote zonde! Ik zou uit Polyanders boek nog meer van deze en dergelijke uitspraken omtrent de Avondmaalswijdig kunnen citeren, maar laat het hierbij. Polyander was een man van Woord èn Sacrament. Hij gaf niemand valse rust, ook niet degenen die maar al te gemakkelijk zich onttrokken aan wat de Heere in zijn goedheid ons geschonken heeft. Ergens staan in zijn boek de woorden die hij bijkans regelrecht aan een van onze Formulieren ontleend heeft, namelijk: Wij mogen, als wij in zonden gevallen zijn, aan Gods genade niet vertwijfelen! Niemand wordt zalig om zijn waardigheid of verdiensten, alleen uit genade ontvangen wij de vergeving der zonden. Wie daaruit leeft zal het Avondmaal niet kunnen voorbijlopen. God wil gediend worden in zijn instellingen. Uit gehoorzaamheid; de gehoorzaamheid des geloofs!

K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Johannes Polyander (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's