De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een geoefend leven! (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een geoefend leven! (6)

11 minuten leestijd

Onthouding
Wil het geloof groeien, zo zal de gelovige zich toch ook van allerlei dingen hebben te onthouden. Het schijnt mij toe, dat men in onze tijd bang is voor onthouding. Al heel snel wordt gedacht aan het middeleeuwse kloosterleven en wordt het in verband gebracht met verdienstelijkheid van onze kant. Of als men dit niet doet, dan is men toch huiverig voor onthouding, omdat men niet uit de toon wil vallen en door anderen niet voor 'wereldvreemd' gehouden wil worden. Desondanks is de onthouding voor een christen een geboden zaak, ook een bijbels legitieme zaak. Het doel van de onthouding is niet dat wij er beter van zullen worden óf dat wij daardoor zullen opvallen, Neen, het doel daarvan is: de eer van God. Om die reden dient onthouding gepraktizeerd te worden, opdat het geloof zal groeien. Onthouding behoort dus tot de oefeningen des geloofs en is gericht op de eer van God. Nu is het niet zó, dat wij ons onthouden van die dingen die ons hart ingeeft. Op ons hart kunnen wij nooit aan. Zelfs na eens ontvangen genade is én blijft dat arglistig. Ons hart is nooit of te nimmer een objectieve maatstaf. Het moet steeds opnieuw bijgesteld worden door het Woord. Daarom is het Woord de enige objectieve maatstaf die ons gegeven is inzake de praktizering van de onthouding. In Gods wil en wet hebben wij de regels om naar te leven. De wet Gods die heilig is en goed! De wet Gods die evenzeer boventijdelijk is als God onveranderlijk is!
Een vraag is van welke dingen in het leven wij ons hebben te onthouden? Sommigen zouden graag zien, dat er nu een heel register zou worden opgesomd zoals dit in de vroege middeleeuwen en daarna wel gebeurd is. Ik ben er voorzichtig mee, omdat het gevaar van casuïstiek dan levensgroot aanwezig is en veruitwendiging met zich meebrengt. De casuïstiek kan de gedachte wekken, dat het wel met ons in orde is, wanneer wij het één precies doen en wij het andere nauwgezet nalaten. De redelijke godsdienst bestaat echter niet uit regel op regel of gebod op gebod. Godsvrucht is allereerst casuïstische voorschriften te willen geven. Door casuïstiek te bedrijven kan men de gewetens binden. Een wel zeer ongeoorloofde zaak, wanneer men dit doet door allerlei menselijke uitspraken als Goddelijk bevel weer te geven. Met dit alles neer te schrijven, ben ik mij bewust dat ik de zaak van de onthouding op losse schroeven zet. Toch is dit volstrekt niet mijn bedoeling. Met dit alles heb ik bedoeld te zeggen, dat wij ons hebben te richten naar de algemene voorschriften van het Woord Gods. Dat wil zeggen, dat de christen zijn persoonlijke vrijheid behoudt in onderworpenheid aan het geopenbaarde Woord van God. En wie zich nauwkeurig houdt aan het geopenbaarde Woord van God kan daaruit heel goed opmaken van welke dingen hij zich heeft te onthouden. Alles wat niet in overeenstemming is met Gods wil en Gods wet is contrabande. Wel in de wereld, doch niet van de wereld.

Het vasten
Meermalen wordt in de Schrift gesproken over vasten. Op bepaalde tijden, wanneer de nood van de zonde bijzonder groot was en die nood dat eiste, onthield men zich van voedsel en drank. Van David lezen wij o.a. dat hij zo verbaasd was over zijn zonde, dat hij vermagerde, zodat zelfs zijn beenderen geteld konden worden. En toen Saulus van Tarsen bekeerd werd, at en dronk hij niet gedurende drie dagen.
In de vroeg-christelijke kerk kende men de gewoonte in de lijdenstijd om zich bij de overdenking van het lijden en sterven van Christus te onthouden van alle vrolijkheid. Ook liet men wel voedsel en drank staan òf maakte daarvan een zeer matig gebruik. Ook vindt men het vasten later in de Rooms-Katholieke kerk terug. Alleen werd het daar een uitwendige handeling en werd er verdienste aan toegekend. Het gebruik op zich is evenwel niet te veroordelen, hoewel het aan de kerk van het Nieuwe Testament nergens geboden is als een Goddelijk bevel. Niettemin is er om met H. Goedhart te spreken nog wel iets meer over te zeggen. De bedoeling van het vasten moet wel bekend blijven. Het was immers uitdrukking van verootmoediging der ziel. Nederigheid des harten kunnen wij niet missen, ook al wordt het vasten niet in een bepaalde zin gepraktizeerd.
Ook W. L. Tukker schrijft hierover in een meditatie over 'het vasten' (Gereformeerde Weekblad 1963). Hij schrijft daarin o.a.: 'Ik vraag mij af: zijn wij niet een vadsig soort christendom geworden, die ons natje en droogje weten te hebben en die ons in de religie geen ding weten te ontzeggen'. Nu, bijna een kwart eeuw verder, kunnen wij dit ons nog altijd aantrekken. Wij vasten niet en zijn er zeer verheugd over, dat het niet nodig is, want wij kunnen ons niets meer ontzegggen. H. Goedhart merkt op: 'offers voor Gods naam en zaak worden (behoudens een hoogst enkele uitzondering) niet gebracht. Wie een kerkelijke of liefdadige kollekte een offer noemt spreekt onwaarheid. Hiermee is niet bedoeld, dat ieder zich arm moet geven, maar het ontbreken van incidentele offers, gebracht voor de zaak van Jezus, verschraalt ons geloofsleven zeer. Wij kunnen niets missen. Het is te vrezen, dat wij tegen het apostolisch vermaan de wereld door en door gebruiken willen, ja, dat wij zozeer een vriend van de wereld zijn, dat wij niets van ons aards bezit kunnen overgeven voor God en zijn dienst en tot heil van onze naaste. Mogen wij leren vasten in deze betekenis, dat wij ons iets geoorloofds ontzeggen voor de zaak der gerechtigheid'. H. Goedhart ziet evenals W. L. Tukker het vasten in ruimer verband. In dat verband wijzen zij op de opvatting over het vasten in de gereformeerde theologie van vroeger eeuwen, die ook sprak van een vasten in ruimere zin. Hieronder werd verstaan een zich onthouden van allerlei dingen die tot zonde trekken. Zulk een vasten is altijd geboden. En dit moet dan op alle zonden betrokken worden. Voor zulk een vasten zou ik pleit willen voeren, omdat dit nauwer aan God en Zijn Woord verbindt. Daarentegen is het ook niet verkeerd als men zich matigt in het gebruik van voedsel en drank. De Schrift leert ons dienaangaande soberheid die wij niet uit de weg mogen gaan. Als het alles maar leidt tot verootmoediging voor God en tot een opwassen in de kennis en de genade van onze Heere Jezus Christus. Hoe het ook zij: het vasten in ruimere zin behoort zeker tot de werkzaamhden van het geloof. En deze werkzaamheden behoren zeker niet tot de geringsten. Want ik verzeker u dat het een geweldige strijd is om zich te onthouden van alle dingen, die tot de zonde trekken. Zonder strijd echter geen overwinning. En Gode zij dank behoeven wij die strijd niet in eigen kracht te voeren. De Here geeft kracht en sterkte, want ook dit is waar: 'wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren'. Ook de wegen der onthouding!

Omgang met Godvruchtigen
Het is, meen ik, Groenewegen geweest die eens heeft gedicht: 'zoete banden, die mij binden aan het lieve volk van God'. Hoe dat woord 'lieve' geïnterpreteerd moet worden, is niet helemaal duidelijk. Gods kinderen zijn niet altijd zo lief. Soms zijn er knap lastige mensen onder. Daarom houd ik het er maar voor, dat wij alleen van 'het lieve volk van God' kunnen spreken, omdat de liefde Gods in het hart is uitgestort. Deze liefde Gods nu geeft inderdaad een band aan elkaar. Zij herkennen elkaar aan die liefde Gods en zoeken elkaar op. Eertijds had men daarvoor de gezelschappen. Behoudens een enkele gezelschap zijn deze vrijwel verdwenen. Over het gezelschapsleven wordt heel verschillend gedacht. Het valt niet te onderkennen, dat het er op de gezelschappen echt niet altijd zo 'gezond' aan toeging. Soms legde men elkaar de handen op en werden allerlei gevoelens van meer waarde geacht dan het eenvoudige geloof dat opkwam uit de Schriften. Ook werden de kleinen in de genade nog wel eens op het hart getrapt, omdat zij nog niet zo ver waren geleid als een 'doorgeleid' kind van God. Eigenlijk was het met die kleinen in de genade nog niets. Bovendien gebeurde het ook wel, dat men na een eerste avondmaalgang door de deelnemers van het gezelschap onderzocht werd op 'staat en stand'. Menigeen werd gewogen en te licht bevonden tengevolge waarvan menigeen in grote zielenood kwam. Een andere uitwas was, dat de gezelschappen soms een heel eigen leven gingen leiden. De kerk, de gemeente verloren zij uit het oog en vonden hun heil alleen in het gezelschap. Door deze dingen neer te schrijven, wil ik toch niet in de rij gaan staan van hen die zich enkel negatief uitlaten over het gezelschapsleven. Neen, er valt van die gezelschappen ook wel wat positiefs, zelfs heel veel, te zeggen.
Zoals bekend zal zijn vertoonde de laatste helft van de negentiende eeuw een grote opbloei van de gezelschappen. Dit vond zijn oorzaak in de opbloei van het geestelijk leven en de geestelijke opwekking in die dagen. Er was een grote begeerte om met elkaar te spreken over de weg des levens en over wat op die weg gekend en ondervonden werd. Deze gezelschappen hebben in die tijd zeer bevruchtend op het gereformeerd kerkelijk leven ingewerkt. Ik volsta met twee voorbeelden te noemen. Het was Kuipenga in Ulrum, die Hendrik de Cock tot de ontdekking van de gereformeerde waarheid bracht. En in Beesd was het een eenvoudige vrouw nl. Pietje Baltus, die de ogen van Kuyper opende voor de kracht van de beleving der waarheid naar Gods Woord. Menig dienaar des Woord heeft toen in de gemeente zijn tweede leerschool gevonden, waar door eenvoudige vromen hun ogen geopend werden voor de schoonheid van de gereformeerde belijdenis.
Op het goede gezelschap sprak men van hart tot hart. Daar liet men iets zien en horen van het verborgen geestelijke leven. Daarmee kon men elkaar opwekken en ook tot troost en ondervrijzing zijn. Goede gezelschappen hebben nogmaals altijd bevruchtend op het kerkelijk leven ingewerkt, vooral wanneer zij onder bekwame leiding stonden. Op een enkele na verdwenen echter na 1900 al deze gezelschappen geruisloos. Hiervoor zijn een aantal oorzaken op te sommen. Ik noem er slechts één nl. de voortgaande scheuring van de kerk. Een treffende toelichting daarvan las ik in een levensbeschrijving van een ouderling van onze kerk, die tientallen jaren leider en voorganger van een gezelschap geweest is. Als hij oud geworden is en op zijn levensweg terugziet, schrijft hij over de gezelschappen. Het is dan kort na 1900. Hij vertelt van een geestelijke opwekking in zijn woonplaats in de jaren 1850 tot 1860: 'Als ik nu mag terugzien, een veertig jaar geleden, hoe onze gemeente gezegend was met een volk, dat de Heere vreesde, ja, dan mag ik zeggen bij eigen ondervinding, hoe aangenaam het was, dat wij bij elkaar kwamen. Toen was ons samenzijn een opbouwen van elkaar in de vreze des Heeren. Er was menig aangename avond waarvan wij mochten zeggen, dat de Heere in ons midden was. En zo waren wij onder elkaar als broeders van een en hetzelfde huis. In die tijd was er geen woordenstrijd over bijzaken, maar dit lag op de voorgrond om te bespreken de stukken, die nodig waren tot onze zaligheid'. Wanneer deze ouderling dit alles schrijft heeft de kerkelijke scheuring zich reeds voltrokken. Het gezelschap waarin hij oefende viel uiteen doordat de één zich bij die en een ander zich bij een andere kerk voegde. Kerkmuren werden zo hoog opgetrokken, dat Gods kinderen elkaar niet meer zagen.
De gezelschappen – ik schreef het reeds – zijn vrijwel allen verdwenen. Wat is ervoor iii de plaats gekomen? Ik denk niet, dat wij het verenigingsleven in onze tijd met de gezelschappen kunnen vergelijken. Van hoeveel belang het ook is, maar zowel wat de vorm betreft als het inhoudelijk, ziet het verenigingsleven er toch anders uit. Soms probeert men het gezelschapsleven weer van de grond te krijgen door na de viering van het Avondmaal deelnemers uit te nodigen om met elkaar nog eens te spreken over wat de Heere in het Avondmaal geschonken heeft. Doch hierover een volgende keer iets meer!

G. S. A. de Knegt, P.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een geoefend leven! (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's