Ervaring en bevinding
Het is en blijft een moeilijke zaak om het begrip bevinding te definiëren. Zodra men het verstandelijk benadert, beschrijvend toelicht is men al in de sfeer van het voorwerpelijke. Bevinding is een zaak van het hart. Toch doen we er dunkt me goed aan om voortaan goed te onderscheiden tussen ervaring en bevinding. In de eerste plaats is het zo dat 'ervaring' in onze tijd 'in' is. Daarover schreven we al eerder. Er wordt zelfs gesproken over ervaringstheologie. Als men zulk een theologie op de keper beschouwt is er niets in terug te vinden van wat in de gereformeerde religie bevinding heet. We moeten dan ook niet denken dat er aanknopingspunten zijn. Er is in de moderne ervaringstheologie namelijk geen sprake van de beleving van het zondaar worden voor God en voor de beleving van de rechtvaardiging van de goddeloze, uit louter genade. In de ervaringstheologie gaat het meer om de ervaring van twijfel, vervreemding, van bevangen worden door machteloosheid in verband met het grote lijden van deze tijd, kortom om wat mensen van vandaag ervaren wanneer ze het moderne leven met z'n noden en verschrikkingen op zich af krijgen.
Er is echter een twèède reden waarom het goed is om ervaring en bevinding niet op één hoop te werpen. Enkele weken geleden besprak ik het boekje van Aleid Schilder, 'Hulpeloos maar schuldig', waarin zij onder meer opmerkt dat er behoefte is aan ruimte voor ervaring in het godsdienstige leven. Ze zei dit tegen de achtergrond van haar eigen kerkelijke verleden binnen de Vrijg. Gereformeerde Kerken, waarin ze de ervaring miste omdat alles daar gericht zou zijn op de zuivere leer. Ik schreef toen letterlijk: 'De schrijfster van dit boek komt uit een kerk waar men met bevinding, ervaring weinig raad weet.' Men ziet dat ik hier zélf bevinding en ervaring als gelijkwaardige woorden, als begrippen met dezelfde betekenis gebruik. Mij is intussen gebleken dat dit misverstanden geeft. Daarom waag ik een poging om hier enige verduidelijking aan te brengen.
Ervaring
Het is duidelijk dat ervaring een breder begrip is dan bevinding. Ervaring is een algemeen menselijke eigenschap. Wie bewust lééft erváárt. En zeker wie bewust religieus leeft ervaart wat hij belijdt. Wat is religieus leven zonder ervaring? Een mens is geen robot maar leeft met verstand en gevoel, met emoties en inwerkingen in zijn hart. Daarom gaat het niet aan om bijvoorbeeld in de richting van de Gereformeerde Kerken vrijg. te zeggen dat men daar geen ervaring heeft. Ik ben er van overtuigd dat voor de vrijgemaakt gereformeerden de daad van de vrijmaking bijvoorbeeld een kerkelijk gebeuren van grote vreugde is geweest, die ze in hun beleving diep hebben ervaren. Ik ga een stap verder en beaam gaarne dat het gereformeerd zijn, in de zin van de belijdenis, voor hen een kwestie van ervaring is. Men is immers kerkelijk en theologisch voortdurend met de inhoud van de belijdenis bezig. En wie zou durven zeggen dat dat alleen maar een zaak is van het hoofd, waar het hart buiten staat? Ik corrigeer dus mezelf gaarne als ik in het boven geschreven zinnetje zoveel suggereer als zou binnen de Gereformeerde Kerken (vrijg.) men met ervaring geen raad zou weten. Neem ervaring weg en men heeft ook geen religie meer over.
Bevinding
Wat is dan het onderscheid tussen ervaring in het algemeen en bevinding? Is bevinding dan hetzelfde als gevoel? Het is duidelijk dat in de Schrift het gevoel niet een zelfstandige plaats heeft in het geloof De Schrift zelf zegt – en in de samenvatting van de wet wordt het telkens de gemeente voorgehouden – dat we de Heere onze God zullen liefhebben met geheel ons hart, geheel onze ziel, geheel onze kracht en geheel ons verstand (Luc. 10 : 27). Dat is de vierslag waarom het gaat: hart, ziel, kracht en verstand. Daarin komt het gevoel niet voor. Misschien moeten we zeggen dat het gevoel de gevaarlijkste invalspoort is voor buitenbijbelse insluipsels, omdat gevoel zo sterk ik-gebonden is en daarom een drassige bodem is. Toch moeten we bedenken dat de Schrift ook over het gemoed spreekt. En dat komt wellicht toch wat in de richting van de innerlijke leefwereld van de mens. En als het gaat om ons hart dan is het gevoel hier ook duidelijk bij betrokken. Het gevoel niet als een geïsoleerde grootheid maar in samenhang met hart en verstand. Dingen die ons ter harte gaan zullen ook ons gevoel raken. Ons emotionele leven is daarbij betrokken. Maar het verstand zal altijd het gevoel dienen te corrigeren.
Daarom staat bevinding niet gelijk met gevoel. Er zijn gevoelige naturen en minder gevoelige naturen. Ik besef zeer wel dat bevinding soms wel gelijk gesteld wordt met het tot tranen toe bewogen worden. En zeker, dat komt voor. Maar bevinding raakt toch meer de totale mens, in diens hart, ziel, kracht en verstand. Het Woord van God, als tweesnijdend zwaard 'gaat door tot de verdeling der ziel, en van de geest en der samenvoegselen en des mergs en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten' (Hebr. 4:12). Bevinding is dat het Woord Gods een mens door merg en been gaat, in de veroordeling, in het zich doemwaardig weten voor God en in de vrijspraak.
Maar dan heeft bevinding ook te maken met het woord uit de psalm: 'komt luistert toe gij Godgezinden, gij die de Heer van harte vreest, hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest'. Het gaat als zodanig om het bevinden van Gods daden in het leven van de mens, om het werk des Geestes in het hart.
Bevindelijk leven is dat geestelijk leven, dat gekenmerkt is door ondervinding van het zondaar zijn voor God – voor het eerst en opnieuw – en de bewuste doorleving van de genade. In het bevindelijke leven is er sprake van bekommernis om de zonde, van doorleving van het recht Gods, soms ook van de levende klacht naar God toe: zou God Zijn genade vergeten, nooit meer van ontferming weten? In het bevindelijke leven is geloof dan ook nooit vanzelfsprekend, nooit een louter verstandelijk aanvaarden van wat in een belijdenis voorhanden is.
Wedergeboorte is werk des Geestes zonder ons maar ook in ons. Het komt van de andere zijde maar vindt plaats in het hart van de mens. Toen Luther verstond wat het betekende dat God de goddeloze rechtvaardigt om niet en hij door het geloof deel kreeg aan de rechtvaariging was het alsof hij door geopende deuren het paradijs binnen ging. Er is in de bevinding enerzijds de doorleving van het verdoemelijk zijn voor God maar er is in de bevinding ook het moment van de doorbraak, van het aangenomen worden tot kind Gods, van het vinden van de vastheid en de zekerheid buiten onszelf in Christus, wiens gerechtigheid ons geschonken wordt.
In psalm 88 is overigens ook sprake van een mens, die erover spreekt dat hij vanaf zijn jeugd 'doodbrakend' is, hoewel hij God aanspreekt als 'God van mijn heil'. Juist het psalmboek is een boek, waarin men de heiligen in al hun geestelijke gestalten en ongestalten, hun klachten en uitreddingen, hun angsten en verhoringen, hun verlatenheid en vreugde terugvindt.
Intussen besef ik dat ik bezig ben te verwoorden wat niet helemaal te verwoorden is. We hebben allen dezelfde Bijbel en toch spelen de afzonderlijke Bijbelwoorden in het bevindelijke leven een eigen rol. Me dunkt dat het toch het best is samen te vatten in dit ene, dat bevindelijk leven gekenmerkt is door bewuste bekering, het stilgezetworden op de levensweg en het omgekeerd worden van het leven der zonde tot de dienst aan de levende God. Het is gekenmerkt door het beven voor de majesteit Gods en van Zijn Woord en derhalve het leven in de vreze des Heeren, in de verborgen omgang met Hem.
Orgaan
Soms zeggen mensen dat ze geen orgaan hebben voor het bevindelijke. Ze bevinden nooit iets. Bevindelijke prediking zegt hen niets. Het is echter zo dat élk mens van nature een orgaan mist voor het werk des Geestes. Het gaat in de wedergeboorte om 'een gans bovennatuurlijke, krachtige, zoete, wonderbare werking van de Geest, die in kracht niet onderdoet voor de schepping en de opwekking der doden', zoals de Dordtse Leerregels zeggen. En diezelfde Leerregels zeggen dat de on-wedergeboren mens helemaal dood is in de zonde. De onwedergeboren mens hongert en dorst niet naar de gerechtigheid en het leven en brengt niet voort 'offeranden van een verslagen geest, die aangenaam is voor God'. Dat geldt alleen van de wedergeborenen (IV, 1). Is het deze scherpe afsnijding waarom de Leerregels soms zo aan kritiek bloot staan?
Ook binnen het Verbond gaat het daarom om wedergeboorte en bekering, om toe-eigening des heils. In het bevindelijke leven gaat het dan ook nooit triomfantelijk toe, altijd afhankelijk. Wie de triumf der genade belijdt kan niet anders dan gedrongen wordt tot het voortdurende gebed 'o God, wees mij zondaar genadig'. Verder dan het tollenaarsgeloof komen we niet.
Ik besef dat ik over deze dingen slechts stamelend iets zeggen kan. Maar binnen 'Schrift en belijdenis' moet hier toch telkens over gesproken worden. Want bij alle confessionele verbondenheid binnen de Gereformeerde Gezindte is er toch sprake van verschillende lijnen als het gaat om de toeëigening des heils, en daarom het bevindelijke element in de prediking. De benadering van de gemeente kan zo massief verbondsmatig zijn dat het bevindelijke element, gegeven met de noodzaak van wedergeboorte en bekering ook binnen het verbond, is weggedrukt.
Bij vrijgemaakt gereformeerden is bepaald sprake van sterke nadruk op het Verbond. Hoe zit het dan met de spiritualiteit? Het verbond is een oer-bijbelse notie, die niet zelden tot schade van het geestelijk leven is verwaarloosd, omdat dan namelijk de genadige toezeggingen Gods niet meer aan de orde kwamen. Anderzijds is er in de Schrift sprake van twee soorten kinderen des verbonds. Wanneer dan ook het verbond en de gemeente sterke nadruk krijgen mag gevraagd worden hoe de bijbelse notie van de tweeërlei kinderen des verbonds functioneert. Heeft die bijbelse notie namelijk niet met de toe-eigening van de weldaden van het verbond te maken? Daarover zou eens een diepgaand gesprek geopend moeten worden, waarbij geen caricaturen over en weer worden gemaakt maar waarin gepoogd wordt elkaar wezenlijk te verstaan. Opdat ook duidelijk worde wat nu echte geloofszekerheid is, wat geloof is dat als waar en echt bevonden wordt. De zaak zelf is breder behandeling waard. Tot opscherping voor ons allen. Bij de bronnen van de Reformatie valt voor elke generatie telkens weer heel wat te leren. Het gevaar van vereenzijdigingen, waarbij het verbond alles of niets is, is altijd weer aanwezig.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's