Kinderen des lichts
'Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis'.1 Thess. 5 : 5
Een dief in de nacht. Stil binnengeslopen en zijn slag geslagen terwijl iedereen sliep. Wat een schrik! Wat een ontsteltenis! Zo zal velen de wederkomst van Jezus tot een grote schrik zijn. Ze hebben er niet op gerekend. Ze leven in de duisternis van het ongeloof. Ze leven volop in het genot en de zorg van het aardse leven. Soms gaan ze zelfs helemaal op in de zonde.
Zo hoeft het met de gemeente van Thessalonika niet te gaan met de wederkomst van Christus. Zij leven immers niet in de duisternis?! Nee zij zijn allen kinderen des lichts, en kinderen des daags. Zo zegt de apostel Paulus dat tegen hen. Klopt dat wel?
Wat is licht en wat is duisternis? Als we dat maar weten – ook voor onszelf – zijn we al een heel eind. Nu, licht, dat heeft alles te maken met Christus. Hij sprak: Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben'.
Door de zonde is de duisternis over de aarde gevallen. Een diep donker, dat geen mens kan doorbreken. Aleen de reine Zoon van God, die uit de lichte hemel naar de duistere aarde kwam. Hij heeft Zich voor zwarte zondaren in het diepe donker van de godverlatenheid begeven. 'En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. En omtrent de negende ure riep Jezus met grote stem: Eli, Eli Lama sabachthani, dat is: Mijn God, mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten,! (Matth. 27 : 45, 46). Toen werd het licht. God was bevredigd, en toonde weer Zijn vriendelijke aangezicht aan Zijn Zoon. En in Hem voortaan aan al degenen die in Hem geloven.
Christus wordt verkondigd. En in Hem wordt het licht in de donkere wereld. Kinderen der duisternis, die de satan toebehoren, en leven alsof er geen God is, komen tot bekering. Christus wordt hen noodzakelijk en dierbaar. Dat brengt licht. Hij is immers het Licht? Als de zonne der gerechtigheid straalt Hij aan de levenshemel, en wat wordt alles dan heerlijk verwarmd en kostelijk verlicht.
'Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des daags.' Zo zegt Paulus dat tegen de gemeente van Thessalonika. En zo mag het toch ook in de christelijke gemeente verwacht worden? Is men daar meestal niet gedoopt, ook in de naam van Hem die het Licht der wereld is? Hoort men daar vaak niet al van jongsaf de lichtende boodschap des heils verkondigen? Wil in die gemeente Gods Heilige Geest juist ook niet werken? Wil God juist daar niet ook Zijn verbond gedenken? O, dan moeten we, ook in de christelijke gemeenten vandaag, Paulus toch eigenlijk na kunnen zeggen: 'Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des daags'. Het mag vanuit Gods onpeilbaar diepe zondaarsliefde echt wel zo zijn. God wil dit goede Zijn gemeente in leven en sterven echt niet onthouden.
Ondertussen zal het wellicht velen van ons maar moeilijk afgaan om Paulus in onze gemeenten gewoonweg na te spreken. Er is soms zoveel duisternis, dat de woorden je in je gezicht zouden terugvliegen, omdat ze niet áánkomen. Nu ze mogen wis en zeker ook niet fungeren als geruststellende pleisters, die de ongerechtigheid en de zonde maar moeten camoufleren.
Maar het zou misschien niet kwaad zijn, om de woorden te gebruiken, om elkaar in de gemeente te laten zien, wat wij van Christuswege, en in Hem van Godswege mogen en kunnen zijn. Wat zal het leven als kinderen der duisternis bij velen dan onder druk komen te staan. Wat zal het velen in de gemeente dan moeilijk, ja onmogelijk gemaakt worden, om nog langer onbekeerd te blijven. Om wel kerkganger te zijn, maar niet te geloven. Om door de buitenwereld wel christen genaamd te worden, maar het voor Christus niet te zijn.
O, voelde ieder het maar aan, dat het in de gemeente niet kan, dat je nog in de duisternis leeft; dat het onder het volk van Christus een schande is, als wij het Woord horen, maar er niet bij leven. Ja, verstonden wij er maar meer het Gódonterende van. Voelden we het maar veel meer, dat we ons een verschrikkelijke straf vergaderen in de dag des oordeels, omdat we de weg des lichts wel geweten hebben, maar niet bewandeld hebben.
'Wist ik die weg maar!', roept u uit? O, u vindt de weg zeker als u biddend aan de voeten van Christus gaat liggen. Hij Die Zelf alles is, zal u de weg wel wijzen. Hij zal u nader onderwijs geven van Zichzelf, opdat u Hem mag omhelzen, als de Uwe. Ik mag u bij voorbaat wel zeggen dat Hij niet zover weg is, als u vanuit uw bange gevoel wel meent en vermoedt. Hij is u zeer nabij!
'Gelukkig, dat ik geloof', zegt u. Zeker, als dat werkelijk het geval is. Een vraag aan u: leeft u dan ook als een kind des lichts? Ik bedoel: wandelt u ook als een kind des lichts? Dan zult u namelijk dag aan dag op Christus georiënteerd zijn. U zult verlangen naar de omgang met Hem, en u zoekt Gods aangezicht gedurig in het gebed. U bent bang voor de aanvallen van de satan, en u wapent u daartegen met het borstwapen des geioofs en der liefde, en met de helm van de hoop der zaligheid (vs. 8). U zoekt ook te leven als een wakker christen. Wakker om de komst van Christus te verwachten. Velen slapen. Ze zijn er op geen enkele manier attent op, dat Christus morgen kan weerkomen, de roes van het leven heeft ze totaal te pakken. U onderkent dat gevaar; u hebt u door Gods woord laten oproepen tot nuchterheid en waakzaamheid, en u zoekt wakker te blijven, opdat de lamp voor de Bruidegom blijft branden. Met het oog daarop bent u ook steeds weer verlegen om de olie des Geestes.
Geen eenvoudig leven, vindt u? Dat valt mee. Het is de eenvoud van het zelf niets meer te willen en te kunnen wezen, maar Christus alles in je laten wezen. Je laten overweldigen door Zijn persoon. Zijn werk. Zijn woord, en Hem zo laten heersen. Het leven als kind des lichts is zo niet mijn leven, maar zijn leven. Wat ik mag zijn, dat ben ik niet, maar Hij is het. Wat ik mag voortbrengen, is niet mijn produkt, maar Zijn produkt.
Wandelen als een kind des lichts, dat is leven bij Hem, Die is en Die was, en die Komen zal. Dat is ook: al maar meer naar Hem toeleven. Dat is een stervend leven. Want voorzover ik er nog ben, ga ik hoe langer hoe meer ten onder; want dat proces zet zich maar door, ook al ben ik in wezen allang ondergegaan. Het is een strijd tussen Geest en vlees. De uitkomst is ondertussen wél zeker; want die is in veilige handen. In Christus' handen. En Hij heeft reeds overwonnen. O, blijde dag, als Zijn blinkende gestalte zal verschijnen. Dan zal Hij mij voorgaan naar de plaats waar geen macht meer is, en waar geen zon of maan meer nodig is, omdat de heerlijkheid Gods haar heeft verlicht, en omdat het Lam Zelf haar Kaars is.
A. de Lange, Wekerom
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's