De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Johannes Polyander (slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Johannes Polyander (slot)

11 minuten leestijd

Het eigenlijke thema van Polyanders boek: de bekering moet nu, ter afsluiting, nog aan de orde komen. De bekering is bij Polyander niet een bekering tot het geloof, maar uit het geloof. Met name op dit punt blijkt, dat Polyander niet heeft behoord tot de mannen van de Nadere Reformatie. Wij willen eens natrekken wat hij daar precies over gezegd heeft.

Geloof en boetvaardigheid
Al in de Opdracht aan David Nuys zegt Polyander: De bekering tot God bestaat in enige oefeningen des geloofs en vruchten der boetvaardigheid. Zich bekeren is dus een gelóófsoefening. Maar Polyander verbindt aan het geloof de boetvaardigheid. Wat verstaat hij nu onder deze oefeningen? Hij zegt: de eerste oefening is die van het eerbiedig en aandachtig luisteren naar Gods Woord. Daarmee begint dus bij Polyander de bekering. De tweede oefening noemt hij de gehoorzaamheid aan hetgeen de Heere gebiedt in Zijn Woord. De derde oefening is het gebed, het aanroepen van Gods naam, waartoe de gelovigen hun toevlucht nemen in alle nood, met de hoop dat Hij hen zal verlossen en met het voornemen Hem daarvoor te loven en te danken. Zo voltrekt zich dus, in deze drie oefeningen, volgens Polyander, de bekering. Maar, zoals gezegd, de boetvaardigheid komt daarbij en die bestaat in droefheid over de zonde, de begeerte om met God verzoend te worden en ijver om Hem te dienen. Op de achtergrond van dit alles staat bij Polyander het ingeplant zijn in Christus, zodat wij met Hem sterven en opstaan.
Dan wijst Polyander op Jona. In hem ziet men het geloof. Zijn gebed in de vis legt getuigenis af van dat geloof. Wat de zeelieden betreft, op wier schip Jona zich bevond, zij hoorden Jona getuigen van de ene en ware God, geloofden dat en toonden toen die God te vrezen. Bij de Ninevieten ging het evenzo; zij hoorden Jona preken, geloofden zijn woord en toonden toen berouw. Steeds weer zegt Polyander: geloof en boetvaardigheid! In déze volgorde. Het doet denken aan wat wij kunnen lezen in boek III van Calvijns Institutie, waar de boetvaardigheid een vrucht van het geloof wordt genoemd. Gods Geest, zegt Polyander werkt dit in de harten der mensen.
In een stuk waarboven staat Aan de christelijke lezer zegt Polyánder: De hoofdsom van het evangelie is vervat in deze twee delen van de ware bekering, namelijk het geloof en de boetvaardigheid. Dit laat, dunkt ons, aan duidelijkheid niets te wensen over: De bekering bestaat uit geloof en boetvaardigheid.

Ninevé, bekering
Deze werkelijkheid van geloof en boetvaardigheid heeft Polyander opgemerkt bij Jona, maar hij wijst haar in het bijzonder aan bij de Ninevieten. Er staat, dat de lieden van Ninevé geloofden aan God en dan leest men daarna, dat zij een vasten uitriepen en dat zij boetvaardigheid toonden. Heel hun bekering, zegt Polyander, was een werk des gelóófs. En daarin was het eerste hun boetvaardigheid, die zij toonden in hun vasten. Men kan vragen: van welke áárd was hun geloof? Was het een waar geloof? Was het van zaligmakende aard? Op die vragen is Polyander ingegaan. Hij zegt daarvan het volgende. De Ninevieten hebben niet aan Jona geloofd maar aan God; in Jona zagen zij een waar profeet en dienaar Gods. Zulk een geloof, aldus Polyander, kan er niet zijn zonder enige smaak in de goedheid Gods. Zij kregen hoop op Gods genade. Het is waar – dat geeft Polyander toe – dat de Ninevieten niet al dadelijk zijn gekomen tot het ware zaligmakende geloof, hetwelk de Heere Jezus Christus als de beloofde Messias aanneemt en omhelst, maar zij zijn wèl gekomen tot het 'beginsel des geloofs', vertrouwende dat, als zij zich tot God zouden bekeren. Hij hun straf zou afwenden. Wij zijn van oordeel, zegt Polyander, dat de Ninevieten zodanige beginselen van het ware geloof hebben gehad als Rachab te Jericho en als veel later Cornelius de hoofdman. Heeft niet de Heere God zelf getoond, dat de gebeden van de Ninevieten en hun bekering Hem aangenaam waren? Heeft Hij dat niet getoond door die gebeden te verhoren en hen te sparen? En hier komt dan nog bij, zegt Polyander, dat later de Heere Jezus Christus, die een Kenner der harten is, de boetvaardigheid van de Ninevieten zó hoog geacht heeft, dat Hij deze Ninevieten gesteld heeft onder het getal dergenen, die met alle gelovigen en heiligen eenmaal zullen oordelen over de ongelovige Joden en andere kinderen dezer wereld. Polyander verwijst hierbij naar Mattheüs 12 : 41. Zeker, Polyander weet, dat deze zaak door sommigen voor onzeker wordt gehouden, omdat, zoals zij terecht opmerken, de geveinsden schuilgaan in de publieke vergaderingen onder de vromen. Met andere woorden, Polyander weet en geeft toe, dat er Schriftuitleggers zijn, die niet direct geneigd zijn zulk een positief oordeel uit te spreken over de bekering der Ninevieten. Maar hijzelf meent daar recht toe te hebben, vooral op grond van de genoemde tekst uit het Mattheusevangelie. En bovendien, het is te prijzen, zegt hij, om naar de aard der liefde het beste van de Ninevieten te gevoelen. Wat verderop komt Polyander op de kwestie nog een keer terug en zegt hij: Het geloof van de Ninevieten was geen ijdel of schijngeloof. Zij toonden immers berouw, en bovenal: zij beterden hun leven.

Uit het geloof
De Ninevieten hebben dus zich bekeerd uit het geloof – aan die stelling is Polyander trouw gebleven. Men kan zeggen: Zonder die bekering zou hun geloof niet echt zijn geweest en omgekeerd: de echtheid van hun geloof bleek uit hun bekering. Geloof en boetvaardigheid zijn niet te scheiden.

Geen uitstel
Naar aanleiding van de bekering van de Ninevieten heeft Polyander vervolgens ook gewezen op de noodzaak van een onverwijlde bekering. De bekering mag niet worden uitgesteld. Wie in een moeras ligt, zegt hij, zakt er steeds dieper in weg. God de Heere begeert, dat de mensen zich tot Hem bekeren om door Zijn Goddelijke Kracht getrokken te worden uit hun ellende. Men mag daar niet mee wachten. Een 'late bekering' is zelden een goede bekering. Wie er heden niet bekwaam toe is, die zal dat morgen ook niet zijn. En dan citeert Polyander een uitspraak van de kerkvader Augustinus: Alleen van de moordenaar aan het kruis lees ik, dat hij op het laatst van zijn leven tot bekering kwam; het was dus een buitengewoon geval. Polyander voegt hier aan toe: Het is voorwaar te beklagen dat de mensen in deze zaak zo achteloos zijn en zich tot de bekering zo weinig laten bewegen door het woord der prediking. En dan gebruikt Polyander een treffend beeld, hij zegt: Wanneer wij 's nachts een hond horen blaffen, vrezen wij onraad en blijven wij wakker liggen, opdat dieven of moordenaars ons niet zullen overvallen, maar op de getrouwe dienaren van het Goddelijke Woord geven velen geen acht, zij slapen voort in de zonden. Wil dat zeggen, dat Polyander een 'late bekering' voor onmogelijk houdt? Zó ver wil hij beslist niet gaan. Hij maakt er de wederdopers een verwijt van, dat zij de genade Gods beknibbelden. Een late bekering is zelden goed, dat geeft Polyander toe, maar het is niet waar, dat het te laat is, wanneer wij oud geworden zijn of zelfs al op ons sterfbed liggen. De leer van de wederdopers was: Als men met het 'hoofd in het kussen' ligt, dat wil zeggen: op het sterfbed, dan is het te laat. Polyander zegt: Die dat leren zijn beulen en tirannen; de Heere zegt in Zijn Woord: Roept Mij aan in de nood – en dat geldt ook voor hen die in uiterste nood liggen.

Het gebed
Deze laatste opmerking brengt ons bij het thema van het gebed. Ook daarover is in Polyanders boek het een en ander te vinden. En ook daarin is Polyander zijn uitgangspunt trouw gebleven, namelijk, dat wij in al wat wij tot de bekering en de weg der zaligheid te zeggen hebben, moeten uitgaan van het geloof! Bij Jona 2 : 1v wordt al dadelijk door Polyander opgemerkt dat Jona, in de vis, niet tot wanhoop vervallen is. Hij bad! En dat gebed is ontstaan 'uit een vast vertrouwen des harten'. Hij hield God voor zijn Verlosser, krachtens het verbond, dat Hij met Abraham, Izak en Jakob gesloten had. Hij bad met grote ernst. Waarom bidden wij tot God? Niet omdat Hij onze nood niet zou kennen, maar omdat het Zijn bevel is. En dan: wij moeten bidden 'met een waar geloof en een vast vertrouwen des harten', en ons gebed moet steunen op de voorbede van de Heere Jezus Christus. Wij mogen niet twijfelen aan de goede uitkomst van ons gebed. Zo heeft Polyander zijn hoorders en later zijn lezers aangespoord tot een gebed des geloofs!

Predestinatie
Nog één ding. Het is opvallend, dat Polyander in zijn tractaat, waarin toch een aantal van zijn preken zijn verwerkt, maar heel weinig zinspeelt op de leer van de predestinatie. Er expliciete aandacht aan geven ontbreekt zelfs geheel. Een heel enkele keer heeft hij het over de gelovigen als de uitverkorenen, dat is al. Natuurlijk wil dit beslist niet zeggen, dat Polyander de leer van de predestinatie van geen betekenis heeft gehouden. Hij was een van de mede-opstellers van artikelen van de Dordtse Leerregels! Maar hij heeft in geen geval de predestinatie laten overheersen. Het blijkt ook hieruit, dat hij onbekommerd zijn lezers oproept tot een 'aannemen van Christus'.
Polyander wist heel goed, dat dit een werk is van Gods Geest in onze harten en hij zegt dat ook wel, maar nooit zó, dat daardoor de oproep tot geloof en bekering verzwakt wordt. Polyander heeft zich gehouden aan een stelregel, die hij zelf eens aldus formuleerde: 'In de laatste tijd ziet men dat sommige leraren een grote genegenheid tonen om te disputeren en te prediken over de diepzinnigste en de zwaarste verborgenheden des Heeren, inzonderheid over de eeuwige verkiezing van enige zondaren tot het eeuwige leven en de verwerping van enige goddelozen tot hun verdoemenis, maar zij behoren zich te schikken naar het kleine begrip van het grootste deel der christenheid, hetwelk zo hoog niet kan vliegen en moeten daarmee rekenen in het preken'. En dan ook nog dit woord van Polyander zelf: Men bedenke, dat Paulus bij de leer der predestinatie dadelijk voegt de leer van onze zalige roeping tot het geloof in Jezus Christus en van onze rechtvaardigmaking voor God door het geloof. Ik meen: aan deze woorden behoeft weinig te worden toegevoegd.

Besluit
Wij ronden af Polyander heeft behoord tot de zogenaamde 'orthodoxe' theologen van het begin van de zeventiende eeuw. Dat wil zeggen: tot een klasse theologen, waarvoor men in onze tijd niet veel waardering meer kan opbrengen. Hij behoorde niet tot de mannen van de Nadere Reformatie en die worden door sommigen zo hoog verheven, dat er voor anderen geen aandacht en waardering meer is. Hij was een man van Dordt, en ook dat is alweer een reden dat men hem graag terzijde schuift, want Dordt ligt – vooral sinds Barth – in de hoek waar de slagen vallen. En dan zijn er ook – zelfs zeer velen – voor wie 'orthodox' gelijk is aan 'scholastisch', schools, dor en droog. Maar is dat wel zo? Heeft men de preken en gebeden van deze mannen gelezen? Dat er scholastische elementen zitten in hun dogmatische werken willen wij niet ontkennen en wij zijn daar bepaald niet gelukkig mee. Maar het is maar één aspect van de werkelijkheid. Er ligt hier, naar mijn gevoelen, nog een heel veld van onderzoek vóór ons. Belangrijk is ook, dat wij nagaan waar de erfenis van de Reformatie is gebleven. Diepgaand onderzoek zou wel eens kunnen uitwijzen, dat die erfenis bij de orthodoxe vaderen beter bewaard is gebleven, dan bij de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Een breed uitgewerkte kenmerkenleer, zoals men bij de reformatoren niet tegenkomt, komt men evenmin tegen in het boek van Polyander, terwijl het nog wel over de bekering gaat. Het is door en door bijbels; Polyander laat zich leiden door de tekst en bouwt dan daarop zijn toepassingen. Hij stelde ook, in navolging van de reformatoren, het gelóóf centraal en als uitgangspunt bij het schetsen van de weg des heils. Zonder tekort te doen aan boetvaardigheid, wedergeboorte en bekering. Hij was een man van Dordt. Dordt en de Reformatie zijn in de figuur van Polyander linea recta met elkaar verbonden.

K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Johannes Polyander (slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juli 1987

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's