Uit de pers
Wij en de derde wereld
In het Centraal Weekblad van 24 juli plaatst prof. dr. W. Albeda kritische kanttekenmgen bij de neiging van velen de eerste wereld van het Westen en de derde wereld van de ontwikkelingslanden tegenover elkaar te plaatsen en het Westen in staat van beschuldiging te stellen voor de armoede daarginds. Albeda wil uiteraard met ontkennen dat er in het Westen belemmeringen liggen voor de ontwikkeling ginds. Toch stelt hij de vraag of zelfbeschuldiging zin heeft? Die schuldgevoeens zijn vanuit het impenalistisch en kolomalistisch verleden verklaarbaar – ook Albeda kon zich daar tijdens een recent bezoek aan Indonesië niet aan onttrekken –, die schuldgevoelens worden voorts door het Oostblok propagandistisch uitgebuit. Maar er gaat z.i. van de stelling, dat de armoede daar onze schuld is een ontmoedigende werking uit.
Ontmoedigend is het ook wanneer men met veel slimheid uiteen weet te zetten, dat alle ontwikkelingshulp uiteindelijk weer terugkomt bij de rijke landen. Daarmede wordt dan bedoeld, dat het ontwikkelingsgeld grotendeels weer in de rijke landen besteed wordt. Maar wat wil men? Alleen geld, of veeleer datgene dat met zulk geld te koop is, hier of elders in de wereld? Van geld alleen wordt niemand wijzer. In laatste instantie gaat het erom dat een deel van onze produkten direct of indirect ter beschikking komt van de 'Derde Wereld'.
Eerlijk gezegd begrijp ik nooit a. hoeveel zin zulke negatieve redeneringen hebben en b. dat men niet inziet, dat daarmee één van de weinig mogelijke positieve acties van de rijke landen ondermijnd wordt. Wat men over dit onderwerp soms in kerkdiensten kan horen, doet niet onder voor de meest onredelijke partijpolitieke propaganda.
En dit alles vindt plaats in een tijd, waarin hier en daar de grens tussen 'Eerste' en 'Derde' wereld wordt overschreden. In veel gevallen is er van echte ontwikkeling sprake. Er zijn reeds 'nieuw geïndustrialiseerde' landen, die men gevoegelijk kan schrappen van het lijstje van landen aan wie ontwikkelingshulp moet worden geboden. Voor een aantal landen geldt, dat de oude Amerikaanse slogan actueel wordt: 'trade, not aid', geen hulp maar handel. Voor anderen geldt, dat er nog geen sprake is van ontwikkeling. In Afrika ligt in de meeste landen de levensstandaard niets hoger en hier en daar zelfs lager dan in de jaren zestig het geval was. In Latijns Amerika blijft de ontwikkeling traag.
Ontwikkelingssamenwerking behoort een zeer hoge prioriteit te hebben en te houden in de rijke landen. Die prioriteit heeft die samenwerking kennelijk nog niet. Zolang het zo ligt, lijkt het verstandig niet met zoveel cynisme te spreken als vaak voor progressief doorgaat.
Natuurlijk kan dit niet betekenen dat ontwikkelingssamenwerking niet open zou staan voor kritiek. Al steun ik de visie van ons parlement, dat ontwikkelingssamenwerking niet behoort te worden getroffen door bezuiniging. Discussie er over blijft nuttig en nodig.
Het is en blijft een ingewikkeld vraagstuk. Zo'n artikel als van Albeda leert je weer eens, dat het goed is niet alleen een theologische bril op te zetten in de bezinning op het vraagstuk van rijkdom en armoede, maar ook economische aspecten en vooral het verschil in situatie per land en per werelddeel in het oog te vatten. Misbruik van een artikel als dat van Albeda is literaard ook mogelijk. Misbruik zou het m.i. zijn als we met een beroep op Ambeda's verhaal onze westerse consumptieve levensstijl zouden menen te kunnen rechtvaardigen. Zelfbeschuldiging kan vruchteloos zijn. Zelfrechtvaardiging is niet minder een kwaad. Een kritische toetsing blijft nodig. Daar en hier. En zoveel maakt dit verhaal ons duidelijk dat ontwikkelingshulp in ons politiek bezig-zijn prioriteit moet blijven houden.
Kuyper en Lohman (1837-1987)
Dit jaar wordt de 150e geboortedag herdacht van twee staatslieden die in de Nederlandse politiek en de samenleving een grote rol hebben gespeeld: jhr. mr. Alexander Frederik de Savornin Lohman en dr. Abraham Kuyper. Lohman, de telg uit een regentengeslacht en Kuyper, de 'klokkenist der kleine luyden' (Jan Romein) hebben in menig opzicht verschillende sporen getrokken. Wie Kuyper zegt, denkt onwillekeurig direct aan de Doleantie van 1886, maar daarnaast is er zijn betekenis op nog menig ander terrein. Lohman is terecht in mei van dit jaar herdacht door de Unie 'School en Evangelie' als voorvechter van het christelijk onderwijs. Beiden waren overtuigd christen en hebben gepoogd christelijk geloof en maatschappelijk gebeuren te verbinden. Bij alle persoonlijke en politieke verschillen waren zij één in het geloof.
Want verschillend waren zij. Dr. J. de Bruijn, hoofd van het Historisch documentatiecentrum van de VU voor het Nederlands protestantisme, gaat in het juni-nr. van Rondom het Woord op hun onderlinge verhouding in. Hij herinnert aan de karakterisering van Gerretson die Kuyper en Lohman eens 'vijanden in het natuurlijke, broeders in het bovennatuurlijke' genoemd heeft. Verschillen in karakter en temperament gaven van meetaf aan aanleiding tot conflicten. Ook de verschillende posities die zij innamen, bemoeilijkte de samenwerking. Lohman trad jarenlang als Kamerlid op, Kuyper leidde de A.R.P. buiten de Kamer. Ook toen Lohman in 1890 minister werd, waren er grote spanningen. De politieke breuk kwam in 1894. Daarover schrijft de Bruijn:
Het verschil van inzicht dat op deze gebieden altijd al latent aanwezig was geweest tussen de aristocratische Lohman en de volksman Kuyper, trad in de jaren negentig manifest op de voorgrond en leidde in 1894 tot een breuk n.a.v. de kieswet van de liberaal Tak van Poortvliet. Voortaan ging Lohman op politiek gebied zijn eigen weg, als leider van de vrij-antirevolutionairen, en later van de Christelijk-Historische Unie (1908), die met haar lossere partijverband in sterke mate het stempel zou dragen van Lohmans vrijheidsliefde.
Twee jaren later, in 1896, werd de politieke breuk bezegeld met een persoonlijke breuk, als gevolg van Lohmans ontslag van de VU. Hoe gegriefd Lohman was door Kuypers optreden, die hij verantwoordelijk achtte voor zijn ontslag, blijkt wel uit het feit dat hij een jaar lang elke persoonlijke omgang met Kuyper meed, en zelfs weigerde hem de hand te drukken. Omdat zij elkaar echter dagelijks in de Kamer tegenkwamen, werd deze toestand op den duur onhoudbaar. Na een jaar herstelde Lohman daarom de omgang weer, met een schrijven van 19 april 1897, waaruit ik enkele fragmenten citeer, omdat zij typerend zijn voor Lohmans stemming jegens Kuyper. De brief geeft tevens aan op welke basis de samenwerking tussen hen weer werd omvat:
'Nu ik de stad, waarheen ik mij om de Vrije Universiteit te helpen begeven had, voorgoed heb verlaten, is het wellicht het juiste oogenblik over onze onderlinge verstandhouding een woord te schrijven. (…) Met opzet heb ik, ik ontken dit niet, willen toonen dat – het smart mij nog het te moeten uitspreken – onze oude vriendschap verbroken is. Die te herstellen ligt buiten onze macht; liefde kan als gebod worden opgelegd, vriendschap niet. Maar dit is nu eenmaal zoo. Geen vriendschap is niet hetzelfde als vijandschap, en de houding door mij aangenomen kan licht als een bevrijs van vijandschap door u of door de wereld worden opgevat. Ook die bestaat bij mij niet. Gij hebt, naar mijn innige overtuiging, mij groot onrecht aangedaan, maar het oordeel daarover laat ik over aan den Heere onzen God. Ik kan dat onrecht gelaten aanvaarden, omdat God het toegelaten heeft, en over menschen heb ik niet te oordeelen. Indien ik wist dat gij uwe daad tegenover mij als onrecht erkendet, en gij behoefte gevoeldet aan vergeving, zou ik u zeggen: die hebt gij reeds lang. Ik laat dus wat voorbijgegaan is rusten; ik hoop den verderen weg, met 's Heeren hulp, alleen te gaan, en met mijn gezin geduldig te dragen wat Hij ons oplegt. Maar ik ben bereid mijnerzijds u dezelfde achting te betoonen, die ik gewend ben aan uwe vrienden, welke zich eveneens tegen mij gekeerd hebben, te betoonen, opdat alle schijn van vijandschap worde vermeden. Heb ik sedert het voorgevallene op Seinpost noch u de hand toegereikt, noch, anders dan in onvermijdelijke noodzakelijkheid, een woord tot u gesproken, thans zou ik begeeren dat dit anders werd, en dat, waar de omstandigheden ons in aanraking tot elkander brengen, met voorbijzien van het voorgevallene onze verhouding voortaan niet verschilde met die welke in de gewone samenleving gebruikelijk is. Dat ik mijn vrijheid van spreken en oordelen, ook in het openbaar, wensch te behouden, eene vrijheid waarvoor ik veel heb opgeofferd, spreekt vanzelf.'
Kuyper nam de toegestoken hand van Lohman aan, en daarmee was in elk geval het zakelijke contact weer hersteld. Lohman bleef sindsdien distantie in acht nemen jegens de persoon van Kuyper, maar steunde hem in politieke kwesties waar dat nodig was. Vooral tijdens Kuypers ministerschap (1901-1905), toen Lohman in feite als leider der regeringspartijen in de Kamer optrad, waren Lohmans adviezen en steun van grote waarde. Het blijkt o.m. uit de correspondentie over de spoorwegstaking van 1903, waarbij Lohman als adviseur van het kabinet aandrong op krachtig optreden tegen de stakers, maar na aanneming van de anti-stakingswetten ook pleitte voor matiging en barmhartigheid. Ook steunde Lohman Kuyper in de strijd voor wijziging van de wet op het hoger onderwijs, en werkte hij er, gezien de voorgeschiedenis op loyale wijze, aan mee dat aan de graden van de VU de effectus civilis werd verleend. Kuyper had bij zijn aftreden als minister dan ook alle reden Lohman te danken Voor de broederlijke wijze waarop gij deze vier jaren het kabinet op alle manier gesteund hebt'.
Lohman antwoordde op voor hem karakteristieke wijze: 'Wat mijne medewerking aangaat, ik heb die steeds met genoegen verleend. Hoe teleurstellend voor mij het vroeger voorgevallene moge geweest zijn, in geen geval mocht ons land, mocht onze partij daar meer dan onvermijdelijk was onder lijden. Ik was, zo vervolgde hij met een verwijzing naar Kuypers kritische houding jegens het kabinet-Mackay, 'bij uw optreden, overtuigd, dat, zoodra gij zelf aan het roer stondt, eenige dingen anders door u zouden worden ingezien dan vroeger, en dat gij u omtrent mijne inzichten een onjuiste voorstelling had gemaakt. Daarom kon ik mijne medewerking toezeggen. Maar gij hebt mij die ook gemaklijk gemaakt; gij hebt, in mijn oogen, u meer dan eens zelf overtroffen.'
Kuyper was na 1905 politiek op een zijspoor gerangeerd. Zijn liberale tegenstanders waren fel gebeten op hem en spaarden hem hun (venijnige) kritiek niet. Ook in eigen kring was zijn positie niet onomstreden. De Bruijn wijst er op dat jongere antirevolutionairen zoals Idenburg, vaak liever bij Lohman te rade gingen dan bij Kuyper. Lohman bleef na 1905 nog tot 1921 Kamerlid. Zijn langdurige ervaring, zijn opstelling en grote kennis van zaken maakten, dat hij bij velen groot gezag had; zelfs bij zijn felste tegenstanders genoot hij achting.
Het is boeiend na zoveel jaar kennis te nemen van de ontwikkelingsgang van deze beide markante figuren alsmede van het oordeel van hun tijdgenoten. Veel is verleden tijd geworden. Het protestants-christelijk volksdeel bevindt zich thans in tijdsconstellatie gekenmerkt door de secularisatie, die ook het eigen huis niet voorbijgaat. Kennisname van het verleden is nodig en nuttig om ontwikkelingen in de eigen tijd te verstaan. Een beweging als Samen op weg en de geheel verschillende reakties daarop is zonder kennisname van het verleden niet te verstaan. Hetzelfde geldt in politiek en samenleving. Daarom is het goed, dat in dit jaar op allerlei wijze aandacht geschonken wordt aan het levenswerk van Kuyper en Lohman. En daarom nam ik graag uit dit boeiende artikel van dr. J. de Bruijn enkele fragmenten over. In de hoop dat het u nieuwsgierig maakt naar meer.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's