Oprecht geloven
Geloofsproblemen (1)
Wij zaten in de gezellig ingerichte kamer. Op de vensterbanken stonden potten met bloeiende geraniums. De wat oudere vrouw zat tegenover ons en de trekken van haar gezicht toonden een nadenkelijk karakter. Het gesprek ging over het zaligmakend geloof en ineens viel daar de vraag: geloof ik wel echt? Dat is de steeds voortdurende kwelling in mijn leven of ik wel in oprechtheid geloof. Er is zoveel schijngeloof en zelfbedrog.
Met deze vraag zaten wij midden in het probleem van vele ernstige gemeenteleden. Niet immer ontvangen deze die aandacht, waarop zij recht hebben. Het is in menige gemeente zo, dat er meer werk is te doen aan lawaaiige mensen, dan aan stille zielen. Die leven evengoed wel mee. Die ondersteunen de gemeente ondanks vele bezwaren. Die peinzen over de eeuwige dingen na. Maar hun problemen worden maar zelden gehoord. Meestal zoeken ze het antwoord in de Schrift. Ze hebben de predikant niet nodig voor dit en dat. Stil wegschuilende gemeenteleden lijken als diepe bronnen, niet zo diep als ze zijn. De drukke leden lijken het diepst. Maar vergist u niet!
Steeds toch, ook bij de meest normale gang van het leven in het geloof, komt langs de weg van eenvoudig nadenken de vraag aan de orde: geloof ik wel in echtheid en waarheid? De belofte van het Evangelie is toch alleen maar gedaan aan de oprecht gelovigen. Zij is gebonden aan de volharding van het geloof gedurende de verzoekingen. En het geloof zelf in die verzoekingen heeft immer weer te maken met de geestelijke hoedanigheid van het hart. De gelijkenis van de zaaier kan ons dat leren. De zekerheid van de vergeving der zonden met alles wat er bij behoort, rust dus weliswaar op de belofte van het Evangelie, maar sluit toch de veronderstelling in, dat ons geloof proefhoudend is, omdat het uitsluitend de ware gelovigen geldt, dat de zonden worden vergeven.
Bij een helder opgewekt geestelijk leven is geen opzettelijk zelfonderzoek nodig, om zich van de oprechtheid van het geloof te verzekeren. Wie in het klare licht wandelt behoeft niet te vragen of hij wel ziet. Eerst de man die uit een flauwte ontwaakt, vraagt zich af waar hij is, of hij levend dan wel dood is.
Om die oorzaak houdt de Schrift de opwekking tot onderzoek naar de echtheid van ons geloof dan ook wat terug. Op dit punt is het onderscheid tussen de Schrift en de praktische schrijvers van later datum in het oog vallend. Die auteurs wekken ons onophoudelijk op om ons geloof te keuren. De Schrift doet het daarentegen maar een enkele keer. Waardoor komt dat?
De soberheid van de Schrift in deze zaak vloeit voort uit de omstandigheid, dat zij zelf het werk der onderzoeking op zich neemt. Geheel ongezocht. De Bijbel toch is als een klare spiegel, die ons de beeltenis van de rechtvaardige en de goddeloze zo duidelijk voor ogen houdt dat iedere lezer als vanzelf genoodzaakt wordt zichzelf te herkennen.
Zelfonderzoek
In het Oude Testament vinden wij maar één rechtstreekse vermaning tot onderzoek van zichzelf. Wij bedoelen daarmee Zefanja 2 : 1, waar de profeet alleen maar zeggen wil, dat men zich moet onderzoeken om tot het besef te komen, dat men zich bekeren moet. In het Nieuwe Testament vinden wij evenzeer een enkele rechtstreekse opwekking, te weten 2 Cor. 13 : 5. Hier echter is de bedoeling van het verband niet om de Corinthiërs tot kennis van hun geestelijke staat te brengen, maar tot erkenning van Paulus' apostelschap. Nauwkeurige lezing van het verband leidt daartoe vanzelf. Hieruit zien wij duidelijk, dat de plicht tot zelfonderzoek in nauwe samenhang staat met wat wij vleselijke gerustheid en geesteloosheid van het hart noemen. Die situatie is dan aan de orde, dat wij geuren in onze leefgemeenschap. Tevreden zijn met onszelf.
Overzien wij dus de stand van zaken in alle rust, dan is het ook verklaarbaar, dat de prediking juist in tijden van verval met de eis optreedt: beproeft uzelf. Die eis moet dan in de gemeente worden gehoord. Om de gemeenteleden in dat onderzoek een handje te helpen en voor verdwaling te behoeden, gaf men een reeks van merktekens aan, waaraan echt en vals te onderkennen waren. Er verschenen zelfs boeken vol van toetsstenen om goud van doublé te kunnen onderscheiden. Ze dienden tot zelfontdekking, maar tevens om echte gelovigen tot zekerheid van hun staat te brengen.
Het lag in de aard der zaak, dat de gereformeerden vooral met voorliefde naar kenmerken van genade zochten. De rooms-katholieken hebben geen behoefte aan een serie kenmerken, omdat de rooms katholieke kerk immers ontkent dat iemand voor zijn dood volstrekt zeker van zijn zaligheid kan zijn. Maar ook in meer remonstrantse kringen, die de mogelijkheid stellen dat de gelovige door eigen ontrouw zijn geloof kan kwijtraken, en als een afvallige verloren kan gaan, wordt uiteraard minder gewicht gehecht aan het onderzoek naar de echtheid van het geloof Op dat standpunt heeft niet de echtheid, maar de deugdzaamheid van het geloof betekenis. Alle nadruk ligt daar op de volharding. De echtheid van het geloof kan hier niet tot grond van hoop dienen. Ze is geen waarborg tegen afval.
Geloof en zaligheid
In de gereformeerde levenssfeer staat de zaak anders. Daar verbindt men geloof en zaligheid onafscheidelijk aan elkaar, omdat men het geloof als vrucht van een onveranderlijke verkiezing erkent. Daarom ligt het daar voor de hand om de zekerheid van de zaligheid achter zich te zoeken in zijn roeping. Maar om nu evenwel zeker te zijn van zijn roeping, moest men nauwkeurig weten, welke de kenmerken van haar goddelijkheid waren. Geheel vanzelf kreeg de leer der kenmerken een brede plaats in het leven van de gelovigen. Er waren kenmerken van bekering, kenmerken van het geloof; ook van de echte vruchten van beide; er waren kenmerken van kenmerken. Het toetsingsproces werd tot in ongekende hoogte doorgevoerd. Het diende niet alleen het pastorale oogmerk om zelfbedrog te voorkomen en twijfelenden tot zekerheid te brengen, er lag nog iets anders achter dat het belang van de leer raakte. Vele oprechte gelovigen bleken tot een geesteloze staat te vervallen; daartegenover schenen natuurlijk mensen een tijdlang vruchten van geloof en bekering voort te brengen. En wat eiste nu de handhaving van de leer van de volharding der heiligen? Heel duidelijk toch de aanwijzing dat er bij het diepste verval toch nog onuitwisbaar sporen van het geestelijk leven overblijven, maar, omgekeerd, dat alle afval zich uit gemis aan geestelijk leven verklaart. Zo kwam het tot boeken als 'De ware christen op zijn slechtst en de valse christen op zijn best'. Het diende om het onderscheid duidelijk in het licht te stellen!
Schaduwkant
Hoe goed deze ontleedkunde nu misschien ook werkte, er was een grote schaduwkant aan. Velen vonden er oorzaak door meer op hun geloof te gaan zien, om te onderzoeken of het wel echt was, dan op het voorwerp des geloofs, zodat hun geloof uit gebrek aan oefening verzwakte en niet voldoende vrucht voortbracht. Hoe kon men in deze weg tot zekerheid komen? Een geloof, zwak in kracht en arm in vrucht, kan geen stof tot verzekering geven. Dit gevaar intussen is het enige niet. Waar haast alle gemeenteleden gaan twijfelen aan de oprechtheid van hun geloof, schijnt het een teken van roekeloosheid en zelfoverschatting te zijn om het niet te doen. Men begint aldra de twijfel zelf onder de kenmerken van het geloof mee te rekenen. En daar ontstaat van lieverlede een ganse schare van bekommerden, bij wie men tevergeefs de blijdschap zocht, omdat deze alleen uit de hoop geboren wordt. Werd men voor een ogenblik verzekerd, straks twijfelde men weer en zo leefde men tussen hoop en vrees al de dagen zijns levens. Wat dunkt u, zijn er niet streken of gemeenten, waar het rondweg verdacht klinkt de blijde toon der hoop eens te laten horen? De martelgang der gedurige onzekerheid wordt de normale geacht, het leven uit de beloften beziet men als uiterst lichtzinnig. Zo zinkt men weg uit het leven des geloofs naar het leven der dingen van de dag.
Het spanningselement vloeit weg naar de dofheid der redeneerkunst. Rationaliteit vervangt geloof Het dogmatische het gezond mystieke. Het einde van alles is, dat men de zekerheid van uit zijn geloof behouden te worden mist, en er zich bij neerlegt ze te missen, omdat men ze als een toegift acht, die maar enkelen te beurt valt. Men troost zich met de hoop, dat men vóór het sterven nog wel door een bijzondere openbaring of werking des geestes tot het volle licht komen zal; dit geschiedt immers met zovelen? Zo is daar in de gereformeerde levenskring evengrote onzekerheid omtrent de persoonlijke zaligheid regel geworden, als daarbuiten, alleen met dit onderscheid dat het officieel nooit steun in de kerkleer heeft gehad.
Moed
De moed ontbreekt ons als slotsom van het onderzoek vast te stellen, dat men een oprecht gelovige is. Maar ook is de bekwaamheid verdwenen om zichzelf behoorlijk te onderzoeken. Geheel het natuurlijk leven leert het al: het is moeilijk om in het duister iets te vinden. Hoe kan men dan in de geestelijke duisternis van het hart ooit de kenmerken der genade in zich ontdekken? De vogels zijn in de lente vaak tekenen van leven. Maar in de winter zijn ze verdwenen. In de nacht ziet u ze niet. Toch worden die kenmerken meestal in de donkerte gezocht. Staan wij in het licht, dan behoeft u ze niet te zoeken. Men ziet ze geheel vanzelf. Bovendien, er is nog een belemmering om tot de gewenste slotsom te komen. Velen toetsen zich tegelijk aan alle kentekenen tezamen. Nu weten wij dat er trappen in het geestelijk leven zijn; er zijn zwakken, en sterken, zuigelingen en vaders. Maar wat is nu het geval? De oprechte legt, om toch zo getrouw mogelijk met zichzelf te zijn, zich liever een sterkere dan een zwakkere maatstaf aan. In plaats van zich met de kinderen te meten, meten ze zich met de reuzen en de eikebomen der gerechtigheid. Het is in dat geval onnodig te zeggen, dat de vergelijking dan meestal ongunstig voor hen uitvalt. De vrucht van zijn zelfonderzoek neemt de diepgravende twijfel niet weg. De twijfel wordt alleen maar méér.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's