De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

15 minuten leestijd

Een nieuwe encycliek over Maria
Vanwege het feit dat ongeveer 2000 jaar geleden Maria geboren is heeft paus Johannes Paulus II een officieel stuk, een rondschrijven aan de r.k. kerk, doen uitgaan over, zoals de ondertitel van dit document, deze encycliek luidt 'de heilige maagd Maria in het leven van de pelgrimerende kerk'. Het thema, reeds door het tweede Vaticaanse Concilie aan de orde gesteld, krijgt in dit pauselijk schrijven een brede uitwerking: Maria wordt gezien als degene die de pelgrimerende kerk voorgaat naar de toekomst, ja in haar, middelares en verlosseres, heeft de kerk die eindpaal al bereikt. In Protestants Nederland van juli/aug. 1987, geeft drs. K. Exalto een kritische bespreking van deze pauselijke brief Exalto wijst er op, dat de traditie ook in deze brief de Schriftgegevens overwoekert:

'Heel belangrijk is uiteraard welke bronnen door de paus in zijn encycliek gebruikt zijn. Wie volstaat met slechts een enkele blik te werpen in dit pauselijke document, kan gemakkelijk op een dwaalspoor worden gebracht. Er worden namelijk zoveel bijbelteksten door de paus gebruikt. Steunt deze encycliek dan op de Schrift? Is de rooms-katholieke Marialeer bijbels? Ik zou wel iedereen die deze encycliek in handen krijgt willen aanraden eens goed na te gaan welke teksten door de paus genoemd worden en vooral hoe ze door hem gevuld worden. Ettelijke keren komen wij dezelfde teksten tegen, Lk 1 : 28; Lk 1 42; Jh 2 : 5; Jh 19 : 26-27 en Hd 1 : 14. Op de in terpretatie van die teksten kom ik nog terug. Waar ik nu nog op wijzen wil is, dat door de paus een hele vloed van bijbelteksten gebruikt wordt die in geen enkel opzicht ter zake dienen. Zij hebben op iets heel anders betrekking dan op Maria. Eén voorbeeld, als de paus een hele reeks teksten aanvoert om te bewijzen dat er een goddelijk heilsplan is (par. 7), dan zal geen gelovig mens het in zijn hoofd halen om dat tegen te spreken, maar als de paus dan onmiddellijk daarop Maria erbij haalt, dan lijkt het wel of al deze teksten zijn stellingen bewijzen, maar in werkelijkheid is het niet meer dan schijn. Er is in deze encycliek een handig gegoochel met teksten. Allerlei stellingen omtrent Maria worden gewoon aan die teksten vast-gelapt, maar het zijn zeer vréémde lappen op het schone kleed van de goddelijke waarheid.
Opvallend is ook dat de paus juist op de beslissende momenten als hij zijn stellingen omtrent Maria wil bewijzen géén bijbeltekst voorhanden heeft. Hoe zou het ook kunnen? Bijvoorbeeld, als het gaat over Maria's onbevlekte ontvangenis of over haar hemelvaart of over haar voorbede in de hemel voor de kerk hier op aarde, of over de stelling dat wij haar mogen aanroepen, dan redt de paus zich er op een heel ándere manier uit. Hij zegt: de traditie leert; of hij zegt: De kerk leert; of hij zegt: Vaticanum II zegt; of hij zegt: De liturgie leert ons… Enkele voorbeelden: Maria is op een meer verheven wijze (door hemelvaart) verlost – dat leren de documenten van de kerk (10). Maria is de moeder van alle mensen – dat leert de traditie (24). Maria is de nieuwe Eva – volgens de traditie (37). Pius XII en Vaticanum II leerden dat Maria ten hemel is opgenomen – in aansluiting aan traditie (41). Vaticanum II heeft nieuw licht geworpen op de taak van Maria de kerk – in aansluiting op de traditie (42). Maria is de moeder van de kerk en zet in de hemel haar moederlijke taak voort voor ieder lid van Christus' lichaam – dat zei paus Paulus VI (47). Met de "vrouw" in Openb. 12 : 1 is Maria bedoeld – dat zegt de kerk (47).
Schriftbewijzen worden dus voor al deze stellingen niet gegeven; daar waagt de paus zich niet aan; het kan hem niet onbekend zijn dat die Schriftbewijzen er niet zijn. Kerk en traditie moeten dan uitkomst bieden. Die nemen hier de plaats in van de Schrift, zij vervangen de Schrift. De Schrift is uiteindelijk maar een secondaire bron van geloofswaarheid. Ze kan, en nog wel op beslissende momenten, genegeerd worden.'

Ook al is de toon verhullend, de oude en bekende Mariadogma's worden door de paus overgenomen en onderstreept, evenals de Mariadevotie. Een sterk accent wordt gelegd op de medewerking van Maria. De r.k. kerk leidt dit af uit het woord van Maria tot de engel Gabriel in Luc. 1 : 38: 'Mij geschiede naar uw woord'. In de latijnse vertaling is sprake van fiat. Dit fiat werd en wordt opgevat als een vorm van medewerking, wat met de griekse tekst volstrekt in strijd is.
Exalto schrijft hierover:

'Maria zou dus meegewerkt hebben aan de realisering van het mysterie van Christus, ik gebruik nu de eigen woorden van de paus. Maar dat is niet het enige, want Maria werkt ook mee – wij hoorden het al – aan het ter wereld brengen van de gelovigen (23). Zij werkt mee, zegt de paus, aan het heilswerk van haar Zoon (40). Zij werkt voortdurend sámen met Christus (41). Zij zit naast Hem op de troon. En de kerk put uit die medewerking (44). Alle heil voor de toekomst ziet de paus afhangen van de medewerking van Maria. Ongeveer aan het einde van de encycliek roept hij dan ook heel de kerk op om voor de toekomst de wegen voor te bereiden voor Maria's medewerking (50). Als Maria maar medewerking wil verlenen aan Christus, dan is er volgens de paus nog dageraad. Alles hangt van háár af. Men kan ook zeggen: alles hangt van de (roomse) kerk af als die maar wegen bereidt waarop Maria gaan kan, dan komt het goed.
Een ander punt is natuurlijk dat de paus er niet onderuit kan deze medewerking van Maria, haar verlosserschap, haar middelaars af te grenzen van het middelaarschap van Christus. Maar niet zo erg veel is het wat de paus daarover te zeggen heeft. Hij heeft het almaar over Maria, niet over Christus.. Over Christus slechts inzover Hij bij Maria noodzakerlijkerwijs wel ter sprake móet komen. Zo duidelijk is de Schrift, die zegt dat Christus onze enige Middelaar is, dat de paus deze terminologie ook af en toe gebruikt. Maar ook niet méér dan dat. Nergens functioneert het! Tevergeefs zal men in deze encycliek zoeken naar enige bredere uiteenzetting van dit ene middelaarschap van Christus. Nergens zal men tegenkomen, dat het woord enig ook inhoudt dat het genoegzaam is. Neen, het is volgens de paus bepaald niet genoegzaam. Het middelaarschap van Maria moet erbij komen. En dat heeft zelfs zijn hoofdaandacht. Om de zaak glad te strijken zegt de paus – een verhullende tactiek – dat de bemiddeling van Maria "in Christus" is. Wat is dat "in Christus"? (38). Ook zegt de paus, dat Maria's middelaarschap dat van Christus "bekrachtigt" (24). Ik vraag: wat betekent dat? Is Christus soms zo zwak in zijn Middelaarswerk, dat Hij een bekrachtiging door Maria nodig heeft? Kan Hij het niet alleen aan? Een Christus die de hulp van een ánder, Maria, nodig heeft, kan toch nog onmogelijk de enige Middelaar worden genoemd. Hier loopt de paus vast in de netten van zijn eigen betoog. Het is een gekunsteld betoog. Omdat het niet alleen náást de Schrift staat, maar er zelfs duidelijk tegenover. Aan het slot van zijn encycliek verraadt de paus hoe verward hij geraakt is in zijn gekunstelde redenering; hij zegt daar: De kerk richt zich zowel tot de Verlosser als tot Zijn Moeder met de aanroeping: Kom te hulp (52). Men lette op de formulering; zowel-als, zowel Christus als Maria! Niet tot Christus alleen, óók tot Maria. En dan toch spreken over een énige Middelaar; ra, ra, hoe kan het? Neen, van de enigheid van Christus' middelaarschap is in deze encycliek niet meer dan een schaduw overgebleven. Terwille van de Maria-verering, een Christus-ontering!
De paus wil oecumenisch zijn. Wat voor een oecumene staat hem voor ogen. Hij zegt: sámen opzien naar Maria als naar onze gemeenschappelijke moeder die bidt voor de eenheid van de familie van God (30). Dit is een oecumene waarin wij ons niet kunnen vinden. Daarvoor is Christus ons te lief.
En daarvoor is in Christus ook Maria ons te lief In Christus behoort zij tot de grote familie van allen die in het geloof geleefd hebben en gestorven zijn, te beginnen bij de allereerste en eindigend bij de allerlaatste. Wij zijn bereid, ten volle, om Maria haar eer te geven. Zij is een voorbeeld van geloof en ware ootmoed. Ze was een rijk begenadigde. De Heere heeft in zijn barmhartigheid op haar, die ook maar een arme zondares was, neergezien, en haar begiftigd met de genade van het moederschap van onze Heere. Zijzelfheeft er geen ogenblik aan gedacht om zichzelf zoveel toe te kennen als de kerk van Rome gedaan heeft en nóg doet. Haar eigen Lofzang is eigenlijk de allerbeste weerlegging van de encycliek van paus Johannes Paulus II. Zij heeft God geprezen, haar énige Verlosser, haar énige Middelaar. Wij wensen het te houden bij Maria, bij de ware Maria, de bijbelse Maria. En alleen zo kunnen wij het ook houden bij Christus. Een Maria "vol van genade" en een énige Christus neen dat past niet bij elkaar, maar wel: een énige Christus en een begenádigde Maria. De bijbel kent alleen een begenádigde Maria en de bijbel kent alleen een énige Middelaar, Jezus Christus!'

Jaren geleden verweet de bekende r.k. auteur Gerard Brom de protestanten dat bij ons 'het venster in de richting van Maria dichtgespijkerd blijft'. Anders gezegd: het uitzicht op de luister van Maria zou ons ontbreken omdat we in onze vooringenomenheid niet meer onbevangen naar de Schrift zouden kunnen luisteren. Met name door Berkhouwer is er toen op gewezen, dat het reformatorisch protest tegen de r.k. Mariologie juist voortkwam uit een gehoorzaam luisteren naar de Schrift, waarbij de reformatoren wel de unieke positie van Maria erkenden, maar de kwaliteiten en titels Rome haar toekende volstrekt afwezen. De soberheid waarmee de Schrift spreekt staat in schril contrast tot de toon van deze encycliek. Willen we ons laten leren in wat de Schrift zegt over Maria, dan kunnen we b.v. uitnemend terecht in de indrukwekkende uitleg die Luther gegeven heeft van de lofzang van Maria. Want daar staat Maria in het licht Christus, haar Verlosser en Heere, niet als medeverlosseres, maar als begenadigde. Gerechtvaardigd door het geloof alleen, door Christus alleen.

Kohlbrugge's preken: evangelie voor hulpbehoevenden
Onder deze titel geeft dr. S. Gerssen in In de Waagschaal van 8 aug. 1987 een impressie van de prediking van Kohlbrugge. Gerssen wijst er op, dat Kohlbrugge niet in een theologische school te plaatsen is noch een theologische school gevormd heeft. Hij staat terzijde van het theologisch bedrijf maar als de grondvragen aan de orde komen, spreekt hij een beslissend woord mee. Een dogmadek zonder Kohlbrugge mist, zegt Gerssen, pit en merg. Het is bekend hoe Kohlbrugge de Afscheiding heeft afgewezen, als een poging de Heere God het werk uit handen te nemen in eigenwilligheid. Het blijft dan altijd weer curieus dat Kohlbrugge in Elberfeld predikant werd van een opzichzelf staande gemeente. Gerssen schrijft daarover:

'Kohlbrugge trad toe als lidmaat van de officiële kerk en spande zich in voor deze groep een erkende plaats binnen het geheel van de gemeente te verwerven. Er vonden intensieve gesprekken met de kerkeraad plaats waarin de wet en het leven der wedergeborenen, de zondeloosheid van Christus, de visie op kerk en separatie en de sacramenten aan de orde werden gesteld. Na veel onderhandelingen met de regering in Berlijn kwam het tot het zgn. Religionspatent, dat verlof gaf tot een vrije gemeente, een soort noodgemeente naast de officiële kerk. Nadat het ondanks veel moeite niet was gelukt een predikant uit de landskerk te vinden, die bereid was de bevestiging en de handoplegging te verrichten, werd Kohlbrugge daar in 1848 met handoplegging door de ouderlingen tot dienaar des Woords bevestigd.
Dat in deze gang van zaken iets inconsequents school kan en hoeft niet ontkend te worden, maar het onderscheid met de gezindheid van de Afscheiding is duidelijk. Men zag zichzelf niet als een terugkeer tot de zuivere kerk, maar eerder als een buitenpost ten dienste van de landskerk in haar geheel. De Niederländisch-Reformierte Gemeinde heeft zich nooit uitgezaaid in nieuwe gemeenten, zulks niet wegens gebrek aan belangstelling maar uit principe. Wel is ze in brede kringen vruchtbaar geweest; uit deze gemeente zijn in de loop der jaren opmerkelijk veel jonge predikanten voortgekomen, die in de grote kerk in Duitsland, Bohemen en Nederland hun dienst met toewijding hebben vervuld. En ook Kohlbrugge zelf is nooit als gastpredikant in een afgescheiden kring opgetreden. Hoewel een officiële rehabilitatie vanwege de Hervormde Kerk is uitgebleven heeft hij zich altijd gevoeld als behorend tot deze Kerk en ging hij daar later met eenweker gevoel van ontroering in kerkdiensten voor. Dat gebeurde voor het eerst in 1856 in Vianen en later bv. in de Domkerk te Utrecht en te Amsterdam. Hij was toen te sterk met de gemeente van Elberfeld vergroeid, maar dit beroep heeft hij wel beleefd als een geschenk uit de hemel.'

De prediking van Kohlbrugge kan niet ademen in de besloten kring van de gelijkgezinden, maar heeft de ruimte nodig van de verlorenheid en van de genade. Gerssen wijst er dan ook op, dat het geen toeval is, dat Kohlbrugge altijd het meest weerklank gevonden heeft in de Hervormde Kerk. Wat is het nu dat deze preken zo boeiend maakt?

'Wij treffen hier nauwelijks fascinerend nieuwe theologische of exegetische gezichtspunten. De taal is duidelijk die van de bevindelijke stroming. Wie in die wereld is groot geworden begrijpt zonder moeite waar de prediker het over heeft. Het gaat inderdaad om niet meer dan om een paar markante accenten, die intussen wel met zoveel klem gelegd worden, dat daardoor de hele constellatie van de traditionele preek verandert. God en mens worden rechtstreeks met elkaar geconfronteerd, de naam van Immanuel wordt als door een verrukt kind gespeld en de aangevochtenen worden zonder enig voorbehoud getroost.
Kohlbrugge stond niet op de kansel om de waarheid uiteen te zetten of om gevoelens op te roepen, maar als pastor om het troostambt van de Heilige Geest uit te oefenen, om de beloften van het heil zonder enige terughoudendheid uit te delen. In deze preken gebeurde er werkelijk wat en wie ze leest ondergaat dat nog steeds. Boven alle tegenstrijdigheid uit en tegen alle ervaring in wordt het nochtans van het geloof uitgeroepen en gehandhaafd. Zo'n prediking vraagt om een bepaald gehoor: mensen voor wie het evangelie een soort verstandelijke conclusie is, die uit de belofte getrokken wordt, maken het zichzelf te gemakkelijk. Het gehoor van Kohlbrugge is de aangevochten mens, die steeds minder weet waar hij zich bergen moet en die met al zijn gelovigheid zich voelt verloren gaan. De vraag kan daarom niet zijn of deze prediking nog wel aktueel is (dat is ze buiten alle twijfel), maar of wij niet te oppervlakkig zijn om deze spanning onder de bediening van het Woord nog te kunnen ondergaan.

Een paar accenten
Het gaat inderdaad om niet meer dan om een paar accenten, maar daardoor verandert wel het hele speelveld van de verkondiging. God en de mens verwisselen van plaats en het objectieve en het subjektieve schuiven in elkaar. Als het over Christus gaat gaat het over mij en als het over mij gaat gaat het over Christus. Men komt de theologie die hier achter zit niet op het spoor door een traditioneel handboek voor de geloofsleer op te slaan en daar dan een paar specifiek kohlbruggiaanse kanttekeningen bij te plaatsen.

Men zou die geloofsleer bij hem eigenlijk van achteren naar voren moeten lezen zodat men begint bij de heiligheid van de wet en de ware heiliging des mensen om dan te ontdekken wie Jezus Christus is voor ons en zo te verstaan wat het beeld Gods is waarin wij geschapen zijn. Zo doet bv. Haitjema het als hij in diskussie treedt met Van Lonkhuyzen. Niet om dat in een nieuw soort geloofsleer onder te brengen, maar om het te laten staan waar het behoort, namelijk in de verkondiging. Noordmans heeft ons immers geleerd dat een prediking waarin het dogma niet wordt scheefgetrokken onbekwaam is om de troost des Geestes te vertolken.
Ik zie er bewust van af in een aantal leerpunten de theologie van Kohlbrugge op een rij te zetten. Zo'n ordelijk verhaal zet hem gemakkelijk in een ijskast en maakt een abstraktie van wat levende verkondiging was en is. In elk woord der Schrift hoort Kohlbrugge het volle heil in Christus en dat vertolkt hij al naar de Geest het hem geeft uit te spreken. Dat geeft aan zijn prediking iets monotoons, maar bij nader inzien is die monotonie toch eerder schijn. Altijd gaat het om de wet, die ons in de ware heiliging uit handen wordt genomen, omdat wij er volstrekt niet mee weten om te gaan en die door Christus, in onze plaats, ter hand en ter harte genomen is en aan ons in de weg van het geloof als de vervulde wet wordt toevertrouwd. De grond van alle zonde is daarom ons ongeloof, dat naast die vervulde wet zelf nog iets tot stand wil brengen.'

Rechtvaardiging en heiliging worden bij Kohlbrugge ten nauwste op elkaar betrokken. Ze worden ons geschonken in het kruis en de opstanding van Christus. Hij is het die rechtvaardigt en heiligt. Wie Kohlbrugge's preken systematiseert tot een objectief betoog haalt er het hart uit. Het zijn preken die in de aanvechting verstaan worden. Daar klinkt het 'nochthans' van het geloof. Het geloof dat in hulpeloosheid en hopeloosheid alles vindt in Christus.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's