Te vroeg geloven mogelijk?
Geloofsproblemen (2)
Men placht vanouds als vaste regel te stellen, dat het ware geloof niet ontstaat dan na een behoorlijke voorbereiding. Er is niets tegen de juistheid van deze stelregel in te brengen. Overziet u de gangen in de natuur, welnu, daar vindt u geen sprongen. Aan de volle zomer gaat de lente vooraf; aan de regen de komst van dikke wolken. De kalveren en de veulens, de bloesems en de bloemknoppen – zij allen berichten ons de komst van een hoger orde in het natuurlijk bestaan. Zo ooit dan arbeidt God in de schepping volgens lijnen der geleidelijkheid. Waarom zou men dan het leven der herschepping uit genade volledig losmaken van de wet der geleidelijkheid in deze zin, dat God op het terrein der genade geen rekening zou houden met het door Hem aan ons gegevené; met name onze aanleg, ons verstand en ons lichaamsgestel?
Sommigen vergaten deze orde volledig en leerden dat allen langs dezelfde weg tot het geloof gebracht moesten worden, volgens het Woord van de Schrift: Ik zal ze enerlei weg geven om Mij te vrezen, Jer. 32 : 39. De bedoeling van die voorbereiding was om de fundamenten van het werkverbond in het hart van de zondaar geheel te verbreken. Er mag zelfs ook geen steen meer blijven liggen. Dan eerst wordt in die diepe, lege, ontblote grond het vast en eeuwig fundament van het geloof, Christus, geplaatst. Daartoe wordt de mens voor de goddelijke vierschaar gesteld; alvorens hij met de Blijde Boodschap van het Evangelie in aanraking wordt gebracht, wordt hem de wet voor ogen gehouden. Eerst leren wij dan ontdekken de allernaaste overtredingen, de dadelijke overtredingen der wet – met name te noemen. Maar meen niet, dat het daarbij blijft. God doet ons de geestelijke zin der wet verstaan en in gelijke mate als wij in de geestelijkheid der wet ingeleid worden, worden wij bekend met onze bedorven aard. Wij worden ontdekt aan onze vijandschap tegen God. Daardoor komen wij tot het besef, dat alles wat uit ons komt verwerpelijk is; onze allerbeste begeerten, gebeden, tranen en alle andere pogingen om zalig te worden, blijken voor ons enkel zonden te zijn, niet anders dan blinde bewegingen van het vlees. Om ons ten volle van onze ellende te overtuigen leidt ons de Geest naar het paradijs, tot de bronnen van onze rampzalige verdorvenheid. Daar zien wij hoe onmogelijk het is dat wij onze aard verbeteren zouden; het blijkt thans dat deze ons is aangeboren.
Strafwaardig
Maar – zo leert men – daarbij laat de Geest het niet. Hij doet de mens ook de strafwaardigheid van zijn zonde zien. Alle overtuiging toch van een zondaar te zijn, in zonde geboren, in zonde opgegroeid, tot alle kwaad geneigd en niets dan kwaad voortbrengende, is ongenoegzaam tot rechte vernedering voor God. Een gepast voorwerp voor de genade van het Evangelie wordt men eerst, als men zich als een vervloekt zondaar heeft leren kennen. Daarom wordt het veroordelend vonnis van Gods gerechtigheid over de ziel uitgesproken. Weer leidt de Geest terug naar het paradijs en doet ons zien dat wij schuldig, strafplichtig waren nog vóór wij dadelijke zonden begaan hadden, ja zelfs, voor wij bestonden, doordat wij als in Adam gerekend, deel hadden aan zijn zonde. Van het paradijs leidt Hij ons naar de berg Sinaï en drukt het op ons hart, dat de vloek, daar tegen de overtredende uitgesproken, ons persoonlijk geldt. Dan zegt Hij – tot ons: vervloekt is uw lichaam en ziel, uw gaan en staan, uw eten en drinken, ja ook uw bidden, uw schreien en kermen. Opdat allen – zo leraart men verder – zegt de overtuigde zondaar amen, hij onderschrijft zijn doodvonnis. Zijn welgelijkend beeld heeft hij in de misdadige, die zich de onverbiddelijke gestrengheid van zijn rechten bewust is geworden. Nu ziet hij geen uitkomst meer. Hij moet zich nu tot de dood gaan schikken. Dat is het beste en enige wat hij kan doen. Is de mens nu geheel hopeloos gemaakt, dan is het de geschikte tijd om hem het Evangelie te verkondigen. Vóór die tijd heeft de prediker er géén recht toe. Het Evangelie is toch immers niet voor alle mensen zonder onderscheid – zo decreteert men. De Wet is voor allen, maar het aanbod der genade wordt alleen gericht tot bepaalde mensen, die er voor gekwalificeerd zijn; nader aangeduid tot hen, die zo diep van hun strafwaardigheid overtuigd zijn, dat zij niet meer om genade durven roepen. De slotsom luidt dan aldus: de weg des heils mag wel aan alle mensen bekend gemaakt worden, maar geopend alleen voor de boetvaardigen.
Oefening
Men kan naar de mening van sommigen dus te vroeg geloven, tot geloofsoefening komen. Te vroeg – maar wanneer mag de zondaar zich diep genoeg van schuld en zonde overtuigd achten om te mogen en te durven geloven? De beste boeteling is in zijn schatting nooit diep genoeg aan zichzelf ontdekt, nooit genoeg vernederd, nooit genoeg benauwd. Hij ziet er tegen op te geloven; niet tevergeefs heeft men hem voor een gestolen geloof, voor een gestolen Christus beangst gemaakt.
Ook hier is men het antwoord niet schuldig gebleven. Men heeft vastgesteld dat men te rechtcrtijd heeft geloofd, als men kennelijk door de Geest Gods tot het geloof is gebracht. Het is – zo heeft men geleerd – een verdacht verschijnsel, wanneer het geloof zonder moeite en strijd ons eigen is geworden. Het is geen lichte zaak te geloven. Dit gaat zo gemakkelijk niet toe. Er gaat aan het rechte geloof een levendig besef vooraf van onvermogen om er toe te komen. Men heeft trouwens een zo levendig gezicht van zijn onwaardigheid, dat men het vermetel acht, ja, er niet aan durft denken om tot Jezus te gaan. De oprechte wacht dan tot hij er toe geroepen wordt. Hij ziet uit naar een innerlijke roeping, die hierin bestaat, dat hij door de Geest vrijmoedig gemaakt wordt om tot Jezus te gaan en het pak van zijn zonden aan diens voeten neer te leggen. En hoe maakt de Geest hem vrijmoedig? Daardoor dat Hij hem met kracht een of ander woord der Schrift, dat een evangelische uitnodiging bevat, op het hart doet vallen. Bijvoorbeeld het woord: Wend u naar Mij toe, en wordt behouden. Wie zeggen kan: in die woorden werd mij van nabij de Borg ontdekt in zijn gepastheid, algenoegzaamheid en bereidwilligheid… ja, die woorden hadden zulk een kracht, dat ik mijn zieletoestemming niet kon terughouden, maar moest uitroepen: Heere! Ge zijt mij te machtig geworden – zo één vreze niet. De Meester riep hem éér hij kwam.
Vrijmoedigheid
Overeenkomstig het hier meegedeelde doet men niet wèl aan het gepredikte Woord van het Evangelie vrijmoedigheid te ontlenen om tot Christus te gaan. Wel ligt de grond van deze vrijmoedigheid in het Woord, maar in het Woord, ons gebracht door de Geest, niet in het Woord ons gebracht door de dienaar van het Evangelie. Deze beperking van de prediking van het Evangelie staat in samenhang met de opvatting van het Evangelie zelf. Wij gaan hier een enigszins bevreemdende weg. Wat toch is het geval als het Evangelie een verzekering Gods is, dat Hij ons Christus, en met Hem de vergeving der zonden en het eeuvrige leven schenkt, in zo sterke zin, dat deze weldaden rechtens de onze zijn nog vóór wij geloven? Dan ligt het wezen van het geloof in een aannemen van het gegevene, dat de zekerheid van zijn bezit in zich sluit; zonder zekerheid hiervan geen geloof. Maar alsdan spreekt het ook vanzelf dat niemand geloven mag, vóór hij uit bepaalde hoedanigheden of bijzondere ondervindingen weet te behoren tot hen, tot wie het Evangelie komt. Zulk een Evangelie kan toch alleen maar komen tot hen, wier boetvaardigheid hen als oprecht bekeerden aanwijst. Dezulken houden dan ook op, om tot God te roepen. Zij wachten passief af tot God hen roept. In het geroepen worden hebben zij het teken, dat zij recht hebben om te geloven en dat de geschikte tijd hiervoor gekomen is.
Schuldbesef
Het zal de lezer duidelijk geworden zijn hoezeer in deze opvatting het schuldbesef een donker voorspraak van het geloof is. Vóór een mens zich iets van Gods genade mag toeëigenen, willen velen eerst een algehele verslagenheid over de zonde kennen. Zij zien het schuldbesef als een donkere en héél diepe tunnel, waar men doorkruipen moet, vóór de deur des heils in Jezus Christus ons opengaat en wij in het licht komen. Volgens hen moet men eerst in- en doorgeleid zijn in het stuk der ellende. Daarna komt men, wie weet hoeveel later, in het stuk der verlossing, om eindelijk door te dringen tot het stuk der dankbaarheid. Zij zetten deze drie delen dus ver uit elkaar, en menen, dat vooral in het eerste deel een mens lang moet verwijlen. Dat is een heel stuk, dat diep doorvoeld moet worden, en dat men vooral niet te licht mag nemen. Wie niet veel smartelijke angstervaring heeft meegemaakt en dodelijk getroffen werd door de donder der wet, kan zijn ogen niet slaan op het kruis der verzoening. Wij zouden niet willen beweren, dat zulke gedachten in de overlegging van vele gemeenteleden geheel onbekend zijn. Integendeel, het is merkwaardig hoe taai en hardnekkig deze ideeën blijven leven in het midden der gemeente. Ze vegeteren voort – vaak ongecorrigeerd door Schriftstudie; dan weer gevoed door een onzorgvuldige prediking en… leiden op deze manier tot een kommerlijk leven in de genade. Deze gedachten hangen veelszins als een donkere wolk over de zielen.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's