De herder brengt geen schapen voort
Het is nuttig van tijd tot tijd mensen uit andere delen van de wereld te ontmoeten en van hun visie op het kerkelijk leven in Nederland kennis te nemen. Als wij Nederlanders in het buitenland op bezoek gaan vormen we ons ook een bepaald beeld van het kerkelijk leven daar. Niet zelden leggen we dan onze eigen maatstaven aan. We missen wat ons vertrouwd is en zien dingen die ons vreemd zijn.
Soms komt men in gemeenten waarvan men zich afvraagt of er wel een kerkeraad is en zo ja waar en hoe deze dan functioneert. Men ziet dan in ieder geval geen banken met ambtsdragers in vol ornaat. De kerkeraad blijkt er wel te zijn maar tijdens de kerkdienst gaat deze schuil in de gemeente. Al is het ook wel zo dat het voorkomt dat ambtsdragers aansluiten bij de slechte gewoonte van de gemeente om slecht ter kerk te gaan.
In een ontmoeting met een theoloog uit Zuidelijk Amerika werden we enkele weken geleden echter getroffen door wat deze in ons kerkelijk leven als een manco zag. Wij zijn hier veel te veel domineeskerk – zo luidde het oordeel – en kerkeraden nemen een veel te beheersende plaats in. En toen kwam de uitspraak, die we als titel voor dit artikel namen: 'herders brengen geen schapen voort, alleen schapen brengen schapen voort.' Daarop borduur ik in het hiervolgende wat voort.
Verdediging
Dit horende zijn we natuurlijk geneigd om direct in de verdediging te gaan. We leven, zo zeggen we dan met een clericale uitdrukking, in een presbyteriaal-synodale kerkinrichting. Dat wil zeggen dat ons kerkelijk en gemeentelijk leven geleid wordt door de ambten en (in) de ambtelijke vergaderingen. Heeft niet Calvijn een machtige greep uit de Schriftgegevens gedaan en ons de drie ambten aangereikt: de herder, de presbyter en de diaken? Vormen die niet samen het college van de kerkeraad? En het ambt heeft toch gezag van Godswege aan zich? Dat zijn allemaal zaken, die recht overeind dienen te blijven, juist ook in onze tijd, waarin ambt en instituut in discrediet zijn. Maar feit is dat de Schrift ook spreekt over gaven, die aan de leden der gemeente zijn gegeven en dat we die voor een goed functioneren van de gemeente niet kunnen missen. Als het gemeentelijke leven alléén bestaat in en uit en bij de gratie van wat de kerkeraad doet (of niet doet) dan is er in de gemeente iets mis, dan verschraalt het gemeentelijk leven op zich.
Er is in dit opzicht alle reden tot bezinning. Het wordt afgezaagd weer de vraag te stellen of gemeenten vaak niet veel te groot zijn voor de bearbeiding door één man. De velden zijn wit om te oogsten en jongeren staan aangetreden om de herdersstaf op te nemen als er maar een herdersveld is. Verder moeten we ook eerlijk zeggen dat het ook nog steeds voorkomt dat kerkeraden angstvallig klein worden gehouden omdat men niemand het ambt toevertrouwt. Wil men in het ambt dan niet veeleer heersen dan dienen? Wat komt er dan nog van een goede bearbeiding van de gemeente terecht? Maar zelfs als een kerkeraad goed bemand is hoe moeilijk is het dan nóg om een gemeente effectief te bearbeiden, zeker als we zien hoe veel en gevarieerd vandaag de problemen zijn waarvoor men zich in het pastorale werk gesteld ziet.
Er is in dit verband ook een ander punt dat zorg baart. Dezer dagen merkte dr. G. Bos in een artikel in het Hervormd Weekblad en Woord en Dienst op dat het een voortdurende zorg is van het college van visitatoren in de kerk, dat het geestelijk gehalte van kerkeraden niet altijd even hooggestemd is en dat het soms ook ontbreekt aan ambtelijk besef bij de ambtsdragers. Als het dan al zo is dat het gemeentelijke leven vooral geconcentreerd is in de kerkeraad maar kerkeraden op zich tóch niet goed functioneren wat is dan het gemeentelijke leven nog waard? Het zal duidelijk zijn dat hier niet te generaliseren valt. Maar negatieve symptomen dienen altijd ter ontdekking. Want wat zich vandaag hier voordoet signaleren we morgen elders. En er is sprake van een crisis van het ambt.
De herder
Intussen plaatst genoemde uitspraak van de betreffende zuid-amerikaanse broeder ons voor de vraag wat de taak van predikant en kerkeraad wel en niet is. De taak van de predikant is vooral die van de herder. En de herder brengt geen schapen voort. Hij weidt de schapen en wel in de grazige weide van het Woord. Als hij niet tijd, ruimte, gelegenheid en ontspannenheid heeft en neemt om zich te wijden aan de wezenlijke roeping waarvoor hjj staat, namelijk de gemeente in het Woord leiden en weiden, dan verschraalt de gemeente eveneens. Daar ligt zijn eerste zorg: de gemeente een weide geven. Luther zegt: 'Christus prediken, dat is aan de ziel een weide geven, haar vroom en vrij en zalig maken, wanneer zij aan die prediking gehoor schenkt.'
En verder houdt de herder als het goed is de schaapjes bij elkaar. Het is een slecht teken als de herder de schapen verstrooit, de gemeente verdeelt en de schapen, die afdwalen, niet probeert erbij te houden. 'Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Zullen niet de herders de schapen weiden?', zegt Ezechiël ( 34:2). Hij spreekt over de schapen die verstrooid zijn omdat er geen herder is. De schapen dwalen rond op de bergen. Maar als de herders het laten afweten zegt de Eeuwige Zelf: 'Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken … Ik, Ik zal vragen naar Mijn schapen en zal ze opzoeken'.
Maar nogmaals, herders brengen geen schapen voort. Natuurlijk is het zo dat zij met hun prediking middel in Gods Hand mogen zijn om dode zondaren tot leven te wekken door de bediening van Woord en Geest. Als zodanig spreekt Paulus over zijn kinderen die hij 'wederom bearbeidt te baren' (4:19). Maar de schapen der gemeente zijn er in belangrijke mate al, ze zijn er in de lijn der geslachten en als zodanig vormen zij de kudde die geleid en geweid moet en mag worden.
De schapen
Het is intussen toch niet de dienaren van het Woord opgedragen om op de hoeken van de straten te gaan staan om de mensen uit te nodigen deel te nemen aan de eredienst, om naar de kerk te komen. Hier dringt de vraag wat de gemeente als zodanig, in al haar geledingen, uitstraalt in de wereld. Ligt het 'kom ga met ons en doe als wij' nog wel ergens in het blikveld? Weten we nog van het bijbels vermaan 'doe het werk van een evangelist'? Is er als zodanig werfkracht van de gemeente in de wereld? Herders brengen geen schapen voort maar de schapen brengen schapen voort. Er mogen in de gemeente de gemeentelijke kaders zijn, zoals de verenigingen, het evangelisatiewerk en de diakonale instanties, die een belangrijke taak hebben. Hier kan een levende en dienstbare activiteit van de gemeente zichtbaar worden. Maar nog dieper geldt de vraag of we, bij alle waardering van de organisatorische aspecten ten dienste van het functioneren van de gemeente, te maken hebben met een levende gemeente, waarin de onderscheiden gaven ook tot hun recht mogen komen. Het is een beetje modieus om te spreken van 'charismatisch gelede' gemeenten.
Maar de vraag is toch wel hoe elk der leden der gemeente de gaven, die hij of zij van de Heere ontvangen heeft, tot nuttigheid van de ander mag en zal aanwenden. Kerkeraden mogen daarin geen verhindering zijn maar zijn slechts dienstbaar aan en voor de gemeente, opdat het gemeentelijk leven zich ontplooien kan en men ook zo geestelijk groeien mag in de onderlinge contacten en in dienst.
Als visitatoren er dan over klagen dat kerkeraden (soms, vaak?) geesteloos zijn en niet geestelijk genoeg functioneren dan hebben we nog altijd te beseffen het Schriftwoord: 'zo het volk, zo de priester'; en niet omgekeerd. De gemeente brengt de ambtsdragers zelf voort. Wanneer het geestelijk leven in de gemeente op een laag pitje staat hoe zal het dan met de kerkeraad gesteld zijn?
In ons kerkelijk leven is het zo langzamerhand zo geworden dat, als we spreken over de kerk, we wijzen in de richting van de kerkeraad, de dominee of in breder zin de synode. Maar daar gaat het net zo (on)geestelijk toe als in de gemeente want de kerk dat zijn we zelf. Wat stralen we als leden van de gemeente, als leden van het Lichaam van Christus, uit naar anderen? Wanneer niet iets van liefde en harmonie en mededeelzaamheid en blijdschap en vrede en behulpzaamheid en oprechtheid, trouw en onkreukbaarheid wordt uitgestraald kan zelfs de wereld soms nog wel eens tot voorbeeld worden gesteld. Adeldom verplicht. Maar vooral, is er sprake van het getuigenis des Geestes, ieder op de plaats waar men is gesteld? Komt openbaar wat hartelijk geloof is? We missen in de gemeente zo vaak al het gesprek over God en goddelijke zaken, het geestelijke gesprek van hart tot hart. Er mag in de vroegere conventikels nog zo veel ontspoord zijn, het met elkaar spreken over de dingen des geloofs, de oefeningen van het geloof, het elkaar opscherpen in de geestelijke strijd, dat daar óók gevonden werd, missen we in onze tijd maar al te zeer. Wat zal dan het getuigenis naar buiten anders zijn dan vormelijkheid en uiterlijkheid?
Ontdekkend
Ik kom weer terug op onze zuid amerikaanse broeder. Hij had tijdens zijn verblijf hier geconstateerd dat we teveel domineeskerk en kerkeradenkerk zijn. Maar alleen schapen brengen schapen voort. Hij wees op de groei van kerk en gemeente in andere delen van de wereld. In Zuidelijk Amerika hebben de laatste tientallen jaren bepaalde kerken en ook de Pinkstergemeenten een geweldige groei doorgemaakt. In sommige landen in Zuid-Azië groeien de gemeenten ook stormachtig. In afkalvend kerkelijk Nederland staan we wellicht snel klaar met te vragen hoe deugdelijk en gereformeerd het wel is en of er wel alle kenmerken zijn die wij voor kerk en gemeente doorslaggevend achten. Maar vanwaar daar die groei, die opleving onder het Evangelie? Is het dan zo dat, naarmate men minder ambtelijk is ingesteld en men minder scrupules heeft omtrent ambt en (kerk)orde), er meer werfkracht naar buiten is? Of hebben we de regenbui in Europa gehad en wordt de kandelaar als oordeel naar elders in de wereld verplaatst?
Het is mijn vaste overtuiging dat voor het (voort)bestaan van de kerk en ook voor de verdieping van het gemeentelijk leven ambt en orde onmisbaar zijn. Maar wanneer de structuur en de organisatie allesbepalend gaan worden en de gemeente geen huis meer, is dat uitnodigend open staat naar buiten om er te wonen, is bezinning meer dan nodig.
Niet te organiseren
Een geestelijke opwekking valt niet te organiseren, ook niet door de beste structuren je scheppen. Maar wel is een dringende bezinning op de verhouding ambt en gemeente nodig. Zijn we op zodanige wijze gemeente dat, als 's zondags de deuren van de kerk achter ons dicht gaan, we de taak van de gemeente verder delegeren aan predikant en kerkeraad? Of zijn we echt gemeente, dat is ook gemeenschap? En als datgene wat 's zondags geleerd wordt niet in de week geleefd wordt zal de gemeente ook met onvruchtbaarheid geslagen zijn.
Het is goed af en toe eens elders te vertoeven om te waarderen wat men thuis (nog) heeft. Het is evenwel ook heilzaam af en toe eens iemand op bezoek te hebben, die ons de spiegel voorhoudt. Enkele jaren geleden waren in het kader van 'Zending in zes continenten' buitenlandse waarnemers in Nederland op bezoek om het kerkelijke leven hier te doorlichten. Ze kwamen niet verder dan dat er onder ons te weinig maatschappelijke betrokkenheid was. De broeder, die wij ontmoetten had het daarover niet. Toch had hij wezenlijke aspecten van het gemeente-zijn gemist. Alleen schapen brengen schapen voort. Daar konden we het mee doen.
Ongetwijfeld zit er een eenzijdigheid aan die uitspraak. Maar dat is dan een opscherping.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's