Uit de pers
Diakonaat en jongeren
In het maandblad Diakonia schrijft Annette van Sand over het ontmoetingscentrum 'De Steiger' in Zeist, onderdeel van de diakonale stichting Timon. Wat beoogt men met dit centrum? Twee dingen: een plek waar jongeren zomaar kunnen binnenlopen en een plek waar ze verder geholpen kunnen worden en voor hun vragen gehoor vinden.
'De Steiger werd in principe geopend voor alle jongeren in Zeist en omgeving. In de praktijk, zo vertellen Reinout Koning en Herman van Leeuwen, bleek echter al snel dat er specifieke groepen jongeren op afkwamen: jongeren die met bepaalde problemen zitten, werkloze jongeren, jongeren die al vroeg in de WAO terecht zijn gekomen, etc. Juist die jongeren die het in het gewone jongerenwerk in buurtcentra niet rooien. Maar weinigen van hen zijn kerkelijk gebonden; veel Marokkaanse jongeren tonen ook interesse voor de Steiger.
Al met al heeft zich in anderhalfjaar werken een vaste groep van bezoekers gevormd (40 á 50 in getal), die vaak in de Steiger komen en regelmatig mee-eten. Verder komen er dagelijks nog zo'n 10 á 20 "losse" mensen binnenlopen. Het aantal maaltijden dat wordt gebruikt liep inéénjaartijdop van65 tot 113 per maand.
In de ontmoetingsruimte kwamen in het contact met de begeleid(st)ers in 1985 zo'n 120 vragen om advies. Problemen rond echtscheiding van ouders, werkloosheid, verbroken relaties en ruzies thuis speelden daarin vaak een rol. Daarnaast werd er in dat jaar nog eens 32 keer telefonisch om advies gevraagd (en in de eerste drie maanden van 1986 ook al 38 maal) en kwamen er 38 jongeren naar het spreekuur (eerste kwartaal van 1986: 27). Tachtig procent van zulke hulpverleningscontacten komen, overigens, voort uit contacten die in de huiskamer zijn gelegd.
Kennelijk lukt het de Steiger goed om ontmoeting en meer-dan-alleen-ontmoeting bij elkaar te brengen.
Hulp van vrijwilligers
Dankzij de financiële steun van fondsen en van de diakonieën in de omgeving, kon de Steiger van start gaan met 3 betaalde medewerk(st)ers (voor 32, 20 en nog eens 20 uur). De hoeveelheid werk kan echter niet door 3 mensen allemaal worden gedaan. Bij de start werkten er al 4 vrijwillig(st)ers mee. Na anderhalf jaar zijn dit er 20.
Van hen wordt wel het een en ander gevraagd. Minimaal moeten ze bereid zijn 4 uur per week aan de Steiger te besteden. Jongeren hebben een rode draad in het contact nodig, willen ze zoveel vertrouwen in je krijgen dat ze ook praten over hun situatie en vragen. Daarom is het van belang dat ze regelmatig in de huiskamer aanwezig zijn. Als er eenmaal contact is ontstaan, praten de bezoekers graag met hen. Omdat de vrijwilligers wat ouder zijn (midden 20), kunnen ze met hun invoelingsvermogen en leefervaring vaak op een voor jongeren zinnige manier reageren. Dat vraagt dan wel van de vrijwilligers een goed sociaal vermogen en een zekere "stevigheid".
Elke dag zijn er 3 vrijwilligers aanwezig. Eén van hen zorgt voor de bar, de twee anderen zijn beschikbaar voor gesprekken, eventueel op een afgezonderd plekje in de ruimte. Daarnaast zijn er nog vrijwilligers die het spreekuur en het telefonisch advieswerk voor hun rekening nemen.
Om vrijwilligers in staat te stellen al dit werk zelfstandig, zorgvuldig en goed te doen, steken de beroepskrachten veel tijd in de begeleiding en training van hen.'
Zo wil dit centrum iets laten zien van wat de Bijbel gastvrijheid noemt. De betrokkenheid van de kerken blijkt niet optimaal te zijn. De initiatiefnemers en de leiding hebben als wens dat dit centrum een soort diakonale en pastorale voorpost van de kerk is met de kerken als levend achterland. Ondanks goede wil en verbondenheid is het in de praktijk toch niet zo gemakkelijk om kerkelijke aktiviteiten te laten aansluiten bij het werk in dit centrum. Toch blijkt uit allerlei reakties, hoezeer een dergelijk 'open huis' in een behoefte voorziet. In het artikel zijn een aantal reakties opgenomen van vaste bezoekers van de Steiger. Die reakties maken duidelijk hoezeer een open oor, een open hand en een hartelijke belangstelling dingen zijn waar velen naar hunkeren. Een stukje diakonaat in de praktijk, dat van grote betekenis is in een tijd waarin veel jongeren vereenzamen in de maatschappij. Er wordt veel gesproken en geschreven over het probleem van de kerkverlating door jongeren en over de vraag, hoe kan de kerk present zijn in de jongerenwereld. Het is duidelijk dat het niet gaat om aanpassing, wel om inleving, om echte betrokkenheid vanuit het hart van het Evangelie, de liefde van Christus die zich ontfermde over de kanslozen en de zwakken, de bedreigde en gehavende mens, de verlorene.
De helende functie van de klacht
Het maandblad Credo (juli/aug. 1987) gaf een themanummer uit over depressiviteit en christelijk geloof. Ds. R. v. d. Berg schrijft over pastoraat aan depressieve gemeenteleden en de psychiater D. Kok over depressiviteit en christelijk geloof. Het onderwerp is door het boek van Aleid Schilder opnieuw in de belangstelling gekomen. Van den Berg wijst erop dat de depressieve mens in een zwarte wereld leeft, vervreemd van zichzelf, de medemens en van God. In zo'n situatie heeft de depressieve mens allereerst iemand nodig die bij hem is, die dat zwarte gat van de leegte met hem binnengaat. Let wel: dit bij de ander-zijn is volstrekt wat anders dan de ander met teksten, raadgevingen en vermaningen lastig te vallen. Echte solidariteit gaat met de ander de tunnel in en betekent een kwetsbare opstelling. Terecht zegt Van den Berg dat de depressieve mens niet allereerst uitleg en inzicht nodig heeft, maar leefwarmte en contact. Van den Berg kiest hiervoor het woord 'reisgenoot'. In dit contact krijgt de ander gelegenheid tot klagen.
'Als we zó bij de ander zijn, krijgt hij ook de kans om te klagen. We moeten de depressieve mens gelegenheid geven zijn klachten te uiten. Het ter sprake brengen van de klacht is een noodzakelijke fase om uit de onmacht en het isolement los te breken. Hoe nodig is het je gevoelens te verwoorden. In onze moderne samenleving is daar weinig ruimte voor. De mensen kunnen niet eens meer luisteren. Ze voelen zich bovendien bedreigd door de depressieve mens. Het contact met hem beklemt hen. Is het u wel eens opgevallen, dat de psalmisten zo uitgebreid uitdrukking geven aan hun diepste gevoelens? We horen hen roepen, schreeuwen, brullen, huilen, gebeden uitstorten, we zien hen in zak en as zitten. Dr. Kees Waayman heeft in "Psalmen bij ziekte en genezing" ons laten zien dat er in het oude Israël allerlei gebaren en gebruiken waren gecultiveerd waarin de zieke zijn ziek-zijn kon doorleven. Zo was het "huilen" heus niet alleen maar een uiting van subjectieve emoties, maar het was een sociaal aanvaard gedrag. Het was: een expressievorm die volkomen vanzelfsprekend was. In de individuele klaagpsalmen zien we dat de relatie van de gelovige tot zichzelf, tot God en tot de ander zijn verstoord. Kijk nu b.v. eens naar psalm 22: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet, en des nachts, en ik kom niet tot stilte". De psalmdichter voelt zich een worm en geen man, hij is een smaad voor de mensen en hij wordt veracht door het volk. In het lezen van dergelijke psalmen bieden wij de depressieve mens een bijbels model aan, waarmee hij zich kan identificeren. Hij voelt zich herkent. Hoe bevrijdend kan het zijn als we de depressieve mens de gelegenheid geven zich te uiten, zijn gevoelens te verwoorden. Nu zijn er natuurlijk allerlei negatieve vormen van klagen. Wat kan een mens veel zeuren. Er is ook een positieve vorm van klagen, die ten diepste een uiting is van hoop. Je zou het "hoop in rouwgewaad" kunnen noemen. Kijk nu weer eens naar psalm 22. De dichter kan niet zwaarmoediger beginnen: "Mijn God. mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" Maar hij blijft niet steken in zijn klacht. Hij verdrinkt niet in het moeras. In vers 23 kan hij weer zeggen: "Ik zal Uw Naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen". Als we de depressieve mens zo bij de hand nemen als reisgenoot door het landschap van de psalmen, kan er weer uitzicht komen. We moeten met de depressieve mens wel afdalen in de put, maar we blijven daar niet zitten. Christus is er ook niet gebleven. Hoe gemakkelijk gaan we iemand beklagen als hij zijn nood ons klaagt. Beklagen is echter een vorm van identificatie waarbij de afstand tussen de depressieve mens en ons is weggevallen. Als we de depressieve mens gaan beklagen, worden we beiden weggezogen door de zuigkracht van de donkere dood en zinken we beiden weg in het moeras. We verdrinken. Daarom is er weerstand nodig.'
Ik meen, dat hier terecht gewezen wordt op de pastoraal eminent belangrijke betekenis van de klacht. Een bijbelstheologisch onderzoek naar dit gegeven in het Oude en Nieuwe Testament is ook voor de praktijk van pastoraat en diakonaat van grote betekenis.
Uiteraard is niet onbelangrijk hoe we – om de woorden van Van den Berg te gebruiken – de depressieve mens bij de hand nemen als reisgenoot door het landschap van de psalmen. Doen we dat dwingend, voorschrijvend, wettisch, dan zal het averechts werken. De psalmen getuigen van de omgang met God, van geloofsbevinding in het midden van de gemeente.
Twee dingen komen hieruit naar voren. Daar is allereerst de dimensie van het werk van de Heilige Geest. In een kritische bespreking van het boek van Aleid Schilder heeft prof. Velema er in De Wekker op gewezen dat haar boekje – een aanklacht tegen de gereformeerde theologie, waarin ze is groot geworden – laat zien hoe nodig een concreet spreken is over het leven met en door de Geest van Jezus Christus. Z.i. schiet de gereformeerde prediking in dit opzicht te kort.
Leven door de Geest, hoe rijk en gevarieerd spreekt de Bijbel hierover! Denk aan Galaten 5, aan Efeze 4, aan het boek Handelingen, aan de brieven van Corinthe (de gaven van de Geest in deze gemeente). Door de Geest is er de klacht en de jubel, de bevrijding en het vertrouwen, want de Geest ontsluit wegen naar de toekomst, waarop een mens in de aanvaarding door God ook zichzelf aanvaard mag weten.
In de tweede plaats is er het aspect van de gemeenschap. De psalmen zijn liederen die in de gemeente van Israël gezongen zijn. Dat besef van het gemeenschappelijke in ons bidden, zingen, klagen en loven zijn we vaak kwijt geraakt. Dan komt het 'ik' op zichzelf te staan. Het individualistische klimaat van onze tijd doet daar geen goed aan. In de Schrift is het persoonlijk geloof ingebed in de gemeente. Pastoraat aan depressieve gemeenteleden kan niet buiten de levende gemeenschap van de gemeente.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's